2019 – Rotonde, deel I

Løuie Hamers

-
Løuie Hamers (1994), schrijver/student aan het HKU. Schrijft over de tragikomische kanten van het leven en vermakelijke onvolmaaktheden. Gefascineerd door onder andere rotondes, diepzeevissen en mensen die gefascineerd zijn door onder andere lantaarnpalen, dubbellikkers of muurverf. Naast schrijver drummer. Meer weten? Neem contact op. Gegarandeerd binnen twee jaar reactie.
Løuie Hamers

Latest posts by Løuie Hamers (see all)



Voor de schrijfopleiding werd ik een stage toegewezen bij een plek waar ik de sfeer zou moeten kunnen proeven van hoe het er op een journalistieke redactie eraan toegaat. Zo kwam ik terecht bij EVEM. Ik had er nog nooit van gehoord, maar volgens mijn docenten zou dit de ideale leerplek voor mij betreffen, omdat bevonden werd dat ik me moest verdiepen in non-fictie.


De redactie ligt gevestigt in Hilversum, in een pand tussen twee zonnestudio’s in. Ik loop naar binnen en vertel de receptioniste, -ze vind het niet nodig om haar ogen van haar smartphone af te wenden-, mijn naam en dat ik hier stage kom lopen. Ik moet plaatsnemen in een wachtkamer en wachten totdat ik opgehaald zou worden. Twee bekertjes automaatkoffie van matige kwaliteit later komt een wat forsere mevrouw aan. Ze heeft vuurrood krullend haar en de zonnebank is haar niet onbekend, maar het meest opmerkelijke was een uitpuilende moedervlek die vrijwel haar gehele linkerwang bedekte. Ze reikt mij de hand en stelt zich voor als Samantha, eindredactrice van EVEM. Haar stem klinkt goois en direct. In de lift oppert ze dat ze gehoopt had op een moderner iemand. Ze vraagt waar ik vandaan kwam. Ik antwoord dat ik uit Heerlen kom, en voeg Zuid-Limburg toe omdat ik aan haar wenkbrauwen zie dat er geen sprake van herkenning is. ‘Aah, vandaar’, zegt ze.

We stappen de lift uit op de derde verdieping. Samantha leidt mij rond. De redactie-ruimte is redelijk hip. Kantoren worden gescheiden met glazen wanden, overal staan palmplanten, die nep blijken als je ze van dichtbij bekijkt, en tafels zijn voorzien van een knopje waarmee je de hoogte kan aanpassen, voor als zittend werken te vermoeiend wordt. Samantha rinkelt met een belletje, een stuk of twintig mensen komen met hun koppen boven hun monitor uit en kijken onze kant op. Ze stelt mij voor als de nieuwe stagiair. In koor verwelkomt iedereen mij, met een monotome toon die wat wegheeft van een clichébegroeting van menig AA-meeting.
Daarna gaat iedereen weer stoïcijns het werk.

Samantha vertelt dat ze bij EVEM echte verhalen over echte mensen schrijven, dat ik langs moet lopen bij de mensen, me moet laten inspireren, en dat ze tijdens de lunchpauze wil ik horen hoe ik invulling aan ons team denk te geven.
Daarna stapt ze de lift in en verdwijnt. Ik loop langs bij de redacteurs, die allen tikken als bezetenen. Er wordt onder andere geschreven over de eigenaar van een succesvol pannenkoekenhuis in Scheveningen, een meneer uit Zoetermeer die meer dan 30.000 stenen heeft verzameld, een meisje uit Den Haag met Gilles de la Tourette met een ambitie actrice te worden, en een dame uit Amsterdam die belangeloos kreeftensoep serveert aan daklozen.

Tijdens de lunchpauze in de kantine vraagt Samantha, -terwijl ze een gigantische pasta-kipsalade met meer slasaus dan me lekker dunkt wegschranst-, wat ik vind van de verhalen. Ik zeg dat ze prima zijn, maar dat het me opviel dat alle verhalen zich afspelen in de randstad.
Ze stopt met kauwen, fronst en zegt dat dat logisch is; de randstad is dé plek waar echte verhalen over echte mensen circuleren; verhalen als deze vindt je nergens anders; de randstad is what’s Nederland all about. Ik voel me aangesprokener dan ik had gedacht en reageer dat ik dat kort door de bocht vind, al had ik het niet gezegd als ik geweten had wat de reactie is van omzittenden: ze stoppen direct met babbelen. De hele sfeer slaat om. ‘Had de stagiair zojuist een weerwoord op Samantha?’, hoor ik iemand fluisteren. Samantha staat op, -haar stoel valt om- en zegt: ‘Zo zo. Dus jij denkt dat er noemenswaardige gebeurtenissen zich afspelen buiten de randstad?’
Omringenden beginnen te proesten van het lachen. Ze komen niet meer bij, sommigen stikken haast in hun eten. Ik had niet voorspeld dat ik werd uitgelachen op mijn eerste stagedag. Het liefst was ik weggelopen en de confrontatie vermeden, maar de stemmen van leraren, die menen dat ik minder bescheiden moet zijn en moet doorzetten, spoken door mijn hoofd. Ook ik sta op, laat mijn stoel vallen om haar dramatische reactie te evenaren, en zeg:  ‘Ja, dat denk ik ja, en als je me een kans geeft zal ik het bewijzen ook. Ik schrijf een interessanter verhaal dan dat over dat suffe pannenkoekenhuis, het zal epischer zijn dan die domme stenenverzamelaar, en hartverwarmender dan de kreeftensoepmevrouw of dat Gilles de la Tourette-wijf’. De omringenden vergaat het lachen. Samantha kijkt verbaast. Eerlijk gezegd was ik zelf ook geschrokken van mijn uitbarsting. Ieders adem leek ontnomen te zijn. Samantha onderbrak de stilte.
‘Één week’, zegt ze. ‘Ik geef je één week en er ligt een artikel van vijfduizend woorden op mijn bureau.’ Met haar hoofd gebaart ze dat ik de kantine moet verlaten. Ik loop weg. Ik probeer niemand aan te kijken, maar in mijn ooghoeken merk ik dat iedereen mij aankijkt.

Ik neem de eerste beste treinen naar Heerlen. In de trein besef ik dat ik mezelf in de nesten heb gewerkt: hoewel ik de artikelen die ik op de redactie las openlijk heb gebagatelliseerd, zijn ze van kwalitatief hoog niveau. Ik twijfel of ik binnen een week een onbezongen held vind in Limburg waarover ik een artikel kan schrijven die de andere artikelen overstijgen.

Twee dagen gaan voorbij zonder dat ik succes heb. Misschien verwacht ik teveel van mijn medemens, maar niemand die ik tegenkom lijkt geschikt te zijn om een artikel over te schrijven. Ik bel m’n vader, die me meestal van goed advies kan voorzien, maar na het telefoongesprek ben ik sceptisch over het advies dat ik gekregen had: hij opperde teletext. Ik ging er niet vanuit dat dat nog bestond, maar radeloos als ik ben, zet ik de tv aan, en tik ik de nummercombinatie 401 in om de opmerkelijk-categorie door te spitten. Ook hier lijken alle nieuwswaardigheden zich af te spelen in de randstad. Ik had de hoop al bijna opgegeven, totdat ik stuit op een artikel waar mijn lichaam zich haast automatisch van voorover leunt:
‘Nieuwe rotonde in Oirsbeek wordt feestelijk geopend. Karl Brecht, fervent rotondefanaat, zal de eerste inwoner zijn die over de rotonde rijdt. De opening zal zaterdagmiddag plaatsvinden.’
Iemand met een passie voor rotondes. Als dat geen spektakelstuk oplevert, dan weet ik het ook niet meer. Ik besluit er meteen werk van te maken.

Met de fiets ga ik naar Oirsbeek, een dorpje wat nog geen tien kilometer van Heerlen-centrum vandaan ligt. In Oirsbeek aangekomen fiets ik langs een afgesloten straat, waarvan ik vermoed dat dat de rotonde is die morgen wordt geopend. Ik vraag aan een passant waar ik Karl Brecht kan vinden. De passant vraagt of ik ‘Mister Rotonde‘ bedoel. Ik knik. ‘Bij de Jumbo naar links, het is een wit huis met een groene poort’
Bij het huis dat overeenkomt met de beschrijving van de man, lees ik K. Brecht op de voordeur. Ik bel aan en hoor wat gestommel en gemompel achter de deur.
De deur wordt opengemaakt op een kier. ‘Ik weet niet wat je komt doen, maar ik heb geen interesse, klinkt een zware, breekbare stem. De voordeur dreigt weer dicht te gaan ‘Wacht’, roep ik gehaast. ‘Ik ben een schrijver in opleiding en ik vind uw verhaal meer waard dan een paar regels op teletext.’ De handeling van het sluiten van de deur stopt. Een paar seconden later gaat de deur open. Voor mij staat een lange man met een grote, rechthoekige bril, grijs haar dat met gel naar achteren wordt gehouden, en een ferme, nog grijzere snor. Ik vraag of ik met Brecht de rotondeliefhebber te maken heb. Hij knikt. ‘Een kwartier, ik ga zo eten’, zegt hij. Hij loopt naar zijn woonkamer. Ietwat aarzelend loop ik hem achterna.

One Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *