2019 – Rotonde, deel II

Løuie Hamers

-
Løuie Hamers (1994), schrijver/student aan het HKU. Schrijft over de tragikomische kanten van het leven en vermakelijke onvolmaaktheden. Gefascineerd door onder andere rotondes, diepzeevissen en mensen die gefascineerd zijn door onder andere lantaarnpalen, dubbellikkers of muurverf. Naast schrijver drummer. Meer weten? Neem contact op. Gegarandeerd binnen twee jaar reactie.
Løuie Hamers

Latest posts by Løuie Hamers (see all)


De woonkamer van Karl hangt vol foto’s van hem bij bijzondere rotondes. Onder de foto’s staat geschreven waar de rotonde zich bevindt. Parijs, -Arc de Triomphe-, Warschau, -Marszalkowska Street-, Hordaland, -Vallavik Tunnel-, en Roxton -black cat roundabout- zijn een greep uit de collectie. Terwijl Karl in een pan soep roert, vraagt hij wat ik wil weten. Ik vraag wat hem fascineert aan rotondes. Karl slaakt een zucht en zegt dat rotondes beter zijn dan kruispunten. ‘Nog iets?’, voegt hij toe.

Het kwartier vliegt om. Ondanks een interessant gesprek en het bekijken van twee fotoalbums van rotondes, heb ik nog niet het gevoel dat ik genoeg heb om een allesovertreffend artikel te schrijven. Als we weer bij de voordeur staan, vraag ik of ik hem of ik morgen op de dag van de opening van de rotonde mag volgen. ‘Wees hier om twaalven’, zegt hij. Dan klapt hij de deur dicht. Ik fiets terug naar Heerlen met het gevoel dat ik goed bezig ben.

Thuis aangekomen zoek ik op internet meer over Karl. Hij heeft een Facebookpagina waar hij dagelijks een foto van een rotonde plaatst, maar meer dan zeven likes per foto weet hij niet te krijgen. Op een verkeersforum lijken zijn berichten over rotondes meer gewaardeerd te worden. Ik verzamel alle informatie en verwerk ze in een eerste versie van het artikel. In de avond word ik gebeld door Samantha, die zonder begroeting op kinderachtige toon zegt dat ze nog niks van me heeft gehoord, en dat het me niet gaat lukken. ‘Wacht maar,  ‘Wacht maar. EVEM.nl zal binnenkort zijn beste artikel hebben’, zeg ik. Ze zegt dat ik nog vier dagen heb en hangt direct op.

Het is zaterdagmiddag. Ik bel aan bij het huis van Karl. Vrijwel direct wordt de deur opengemaakt. ‘De allereerste rotonde in ons dorp, dat ik dit nog mag meemaken!’, roept Karl op vrolijke wijze die ik niet geanticipeerd had: ik lijk bijna met een andere man te praten. Hij heeft zijn volgens hem keurigste pak aan en poetst zijn glimmende schoenen op, want ‘een rotonde nemen doe je niet zomaar; dat doe je in stijl’. Hij opent zijn garagepoort, en met een druk op zijn autosleutel, opent hij zijn Ford B-Max. ‘Ik had hem liever in het blauw gewild, in de kleur van een rotondebord.’ Even is hij stil, maar daarna herpakt hij zich en volgt er een glimlach op zijn gezicht: ‘Maar ja, de kleur van de wagen heeft geen invloed op het warme gevoel dat door mijn lichaam knettert als over een rotonde zoef.’ Hij klapt en lacht, en stapt de auto in. In de auto sluit hij zijn ogen en simuleert naar mijn idee hij hoe hij zo over de rotonde gaat, aangezien hij bijpassende autogeluiden nabootst met zijn mond. Als ik zijn aandacht wil opeisen met de vraag of hij zenuwachtig is, zegt hij dat hij me even vergeten was, en dat ik alvast naar het evenement kan gaan, omdat hij zich even rustig wil voorbereiden. Ik doe maar wat hij vraagt en loop naar de rotonde twee straten verderop. Daar staat een verrassend grote menigte verzamelt. Ook de straat zelf is sfeervol: er zijn kraampjes met lekkernijen, speeltoestellen en een fanfare.

Ik vraag wat rond over Karl, die bekend lijkt bij iedere inwoner van Oirsbeek. Mies, de barvrouw zegt dat hij in ons café altijd zo passievol over rotondes zwetst, dat ze denkt dat er haast niets anders voor die man bestaat. Desondanks lijkt ze respect te hebben voor de man. Ook de buurman van Karl is aanwezig: ‘Natuurlijk is het stiekem de jongensdroom van elke man, om als aller-allereerste over een gloednieuwe rotonde te rijden, maar hier is niemand die Karl van zijn plezier wil ontnemen. Iedereen weet hoe belangrijk dit voor hem is, zeker nu Margot al een poos geleden overleden is.’

De passie van Karl heeft niet alleen recreatieve waarde voor hem, maar ook een emotionele waarde. Daar kwam ik gisteren tijdens het kwartiertje achter, toen ik vroeg over een foto van een vrouw, de enige foto in zijn woning zonder rotonde op de achtergrond. Met tegenzin vertelde hij dat drie jaar geleden zijn vrouw, Margot, omgekomen is door een auto-ongeluk op een kruispunt. Sinds die dag moet hij niets hebben van kruispunten. Met een breekbaar stemgeluid voegde hij toe: ‘Let op mijn woorden: als het een rotonde was geweest, dan was zij nog steeds bij mij.’ De ruimte werd overheerst door een pijnlijke stilte. Ik probeerde professioneel te blijven, maar op dat moment twijfelde ik of dit nog wel iets te maken had met journalistiek. Meer over zijn verleden leek hij niet kwijt te willen.

Als Karl aankomt, klapt en juicht de menigte. Het raam van de wagen gaat omlaag en Karl zwaait naar iedereen alsof hij een koning is. Het doet mij goed om te zien hoe hij geniet van het moment. De zon wordt weerspiegeld in de glanzende motorkap van de Ford B-Max. In de lucht is geen wolk te zien. De burgemeester is er ook en doet zijn zegje: ‘Jaren heb ik gepleit, gestreden, gevochten voor een rotonde in dit dorp. En wat een resultaat! Zelf kan ik nauwelijks geloven dat hij er nu is. Maar lieve mensen, een opening van een rotonde is natuurlijk niets zonder jullie dorpslegende; de man die al over duizenden rotondes gereden heeft. Van de Roethof Ovatonde te Amersfoort tot de bekende ‘Magic Roundabout’ in Swindon, geen rotonde is hem te veel. Maar goed, hij behoeft natuurlijk geen introductie voor jullie. Mag ik een hartelijk applaus voor…’

Iedereen klapt al. Bier vliegt door de lucht en mensen omhelzen elkaar. Ik vind het een nogal absurde gewaarwording.

‘…Karl Brecht!’

Het geluid van de confettikanonnen moet geklonken hebben tot aan ver buiten het dorp. Mannen en vrouwen schreeuwen en gillen, alsof ik een concert van The Beatles in 1965 bijwoon. Alsof Oranje zojuist een WK had gewonnen door een beslissende redding van Cillessen in de strafschoppenreeks. Maar het is geen van beiden. Dit is hét moment van Karl. Het lint wordt door een schaars geklede dame doorgeknipt, maar alle ogen zijn geworpen op hem. De Ford trekt op. De menigte wordt stiller. De Ford gaat naar de twee. Het is een bloedstollend moment. Ondanks dat de weg is afgezet, kijkt Karl in zijn achteruitkijkspiegel. Mensen grinniken. ‘Een grapje om de spanning te breken, typisch Karl’, hoor ik iemand zeggen. Maar dan wordt het serieus. Plankgas in de twee. Het toerental loopt op, maar schakelen doet hij niet. De neus van de wagen bereikt het asfalt van de rotonde waar hij al maandenlang overheen wil rijden. De auto in de drie. Op soepele wijze gaat hij door de oneindige bocht die zichzelf rotonde noemt; een verbazingwekkend spektakel te vergelijken met een elegante dans op het ijs. Hij gaat de rotonde twee maal rond. Na een seconde of twintig is het voorbij.
Karl stapt uit de Ford, zegt geen woord, en ook van zijn gezicht valt niets af te lezen. ‘Hij is er sprakeloos van!’, schreeuwt de burgemeester. De mensen juichen de longen uit hun lijf, springen en rennen op Karl af. Ze tillen hem op en alles wat ik zie, lijkt op een soort geluk dat alleen voorkomt aan het eind van een romantische komedie. Ik koop en eet een broodje worst en kijk van een afstandje nog eens goed naar Karl. Nog steeds niets gezegd, nog steeds dezelfde blik. Opeens word ik overspoeld door een onaangenaam gevoel. Hetzelfde soort gevoel dat ontstond toen hij mij over zijn vrouw vertelde.

Iedereen is aan het feesten.

Karl stapt de Ford B-Max in en rijdt weg.

Ik besluit Karl een dag rust te gunnen, en verder te werken aan het artikel voor zover mogelijk. Toch vind ik dat er nog steeds iets aan het artikel ontbreekt. Het heeft nog niet de overdonderende flair die het nodig heeft om Samantha en haar redactie op haar nummer te zetten. Bovendien spookt de reactie, -of eerder de afwezigheid van de reactie- van Karl door mijn kop. Iets klopt niet aan gisteren. Hij zou een en al euforie moeten uitstralen. Na nog een dag heeft hij nog steeds geen foto’s van rotondes op sociale media gepost, normaal gesproken dagelijkse kost, en ook op het rotondeforum heeft hij al twee dagen niets van zich laten horen. Hoewel ik nog maar een dag heb om het artikel af te ronden, blijkt aan alle omstandigheden dat dit verhaal nog niet is afgelopen. Er is meer aan de hand, en ik ben besluitvast erachter te komen wat. Ik trek mijn jas aan en spring op de fiets.

In Oirsbeek aangekomen, bel ik aan bij Karl. Geen antwoord. Ik vraag de buurman, -die net klaar is met het sproeien van de bloemen in zijn voortuin-, of hij weet waar hij is. ‘Ik heb hem sinds de opening niet meer gezien,’ zegt hij. ‘Maar ik denk dat hij weer op rotondereis is, zoals gewoonlijk.’ De buurman verdwijnt in zijn huis. Ik snuffel wat rond rondom de woning. Onder een plantenbakje ligt conventioneel genoeg een huissleutel. Ik maak de voordeur open en treed binnen. Voorzichtig maak ik de deur van de woonkamer open. Ik schrik: op mijn netvlies verschijnt Karl, maar zonder shirt, zijn haren onverzorgd, zijn snor niet bijgeknipt. Om hem heen liggen lege flessen sterke drank en op de koffietafel ligt een bord met een één hap uit gegeten, beschimmelde boterham met beschimmelde kaas waar enkele tot honderden mieren zich over ontfermt hebben. Bezorgd probeer ik hem uit zijn wakker te schudden. Ik hoor wat gegorgel. ‘Karl, wat is er gebeurd?’ Ik herhaal zijn naam. Met moeite klinken er woorden uit zijn mond. ‘Het was verschrikkelijk’, brabbelt Karl. In mijn armen verliest hij zijn bewustzijn. Ik weet niet wat ik moet doen, dus bel ik 112.

Binnen een kwartier is de ziekenwagen ter plekke. De inwoners van het dorp staan binnen een minuut op straat. Iedereen ziet hoe Karl wordt afgevoerd op een brancard. Niemand snapt wat er aan de hand is. Ik mag niet mee. ‘Maar ik heb hem nodig!’, schreeuw ik. ‘Ik heb niet meer veel tijd!’
Een ambulancebroeder roept dat ik naar huis moet gaan en dat hij in goede handen is. De ziekenwagen vertrekt zonder sirene, wat me enigszins oplucht. De bewoners kijken mij aan alsof ik iets met Karls onwelzijn heb te maken. Ik probeer iedereen op het hart te drukken dat het niet mijn schuld is, spring op de fiets en haast mij naar het ziekenhuis in Sittard, omdat het richting die kant is waar de ziekenwagen naar toe reed. Bij het eerstvolgende tankstation koop ik een bosje bloemen. Dat leek me wel netjes.
Op de fiets word ik gebeld door Samantha. ‘Ik heb nog steeds niets van je ontvangen’, zegt ze. ‘Je weet dat je vandaag moet leveren, niet?’ ‘Ja!’, roep ik geïrriteerder dan ik had gewild. ‘Ik ben bezig, laat me met rust.’ Ik hang op en fiets sneller dan dat ik ooit heb gefietst.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *