2019 – Rotonde, deel III

Løuie Hamers

-
Løuie Hamers (1994), schrijver/student aan het HKU. Schrijft over de tragikomische kanten van het leven en vermakelijke onvolmaaktheden. Gefascineerd door onder andere rotondes, diepzeevissen en mensen die gefascineerd zijn door onder andere lantaarnpalen, dubbellikkers of muurverf. Naast schrijver drummer. Meer weten? Neem contact op. Gegarandeerd binnen twee jaar reactie.
Løuie Hamers

Latest posts by Løuie Hamers (see all)

Buiten adem in het ziekenhuis aangekomen krijg ik bij de receptie te horen dat Karl inderdaad hier opgenomen is. Volgens de zuster is het minder ernstig dan ze in eerste instantie hadden verwacht, maar toch moet ik wachten totdat Karl een avondmaaltijd genuttigd heeft. Gespannen zit ik in de wachtkamer. Elke seconde die nu voorbij gaat, voelt als een verloren seconde. Rond half zeven is het zo ver.  De zuster begeleidt mij naar zijn kamer. Ik maak de deur open en daar ligt Karl. Hij kijkt kwaad en wijst naar mij: ‘Jij! Jij hebt alles verpest!’ Verbaasd vraag ik wat ik gedaan heb, en hoe het met hem gaat. ‘Doet er niet toe. Plan B. Jij gaat nu naar mijn huis, haalt de Ford en komt terug. Ik sta bij de parkeergarage.’ Ik wil hem de bloemen schenken, maar hij slaat ze uit mijn hand en vervangt deze met zijn autosleutel. Dan pakt Karl mij bij m’n kraag. ‘Luister goed, vervelend mannetje. Jij doet gewoon wat ik zeg, anders trek je bij mij aan het verkeerde eind. Oprotten!’ Ik weet niet wat mij overkomt, maar zonder er te veel bij na te denken, ren het ziekenhuis uit en neem buslijn 41, om zo snel mogelijk in Oirsbeek te kunnen zijn. In de bus ondervind ik dat ik Karls gedrag een beetje vreemd en bevelend vind. Tegelijkertijd heb ik het gevoel dat wat er staat te gebeuren cruciaal kan zijn voor het artikel. In de bus kijk ik naar hoe het uitzicht door het raam langzaam vertroebelt door regendruppels.

In Oirsbeek aangekomen, volg ik alle instructies van Karl op. Met hogere snelheid dan maximaal toegestaan ga ik terug naar het ziekenhuis in Sittard.  Karl, -nog in patiëntkleding-, staat zoals gezegd bij de parkeergarage. Ik stop en hij stapt in. ‘Naar de Snijdersstraat, Wijnandsrade.’ Ik ben ietwat verlamd door wat er gebeurd, maar Karl blijkt daar geen baat bij te hebben: ‘Jij rijdt nu naar de Snijdersstraat, verdomme. Schiet op!’

Terwijl ik rij, schreeuwt Karl alleen maar onverstaanbare dingen.
Intieme, duistere pijnen lijken te proberen de macht over Karl te nemen.
Ik probeer me maar te focussen op de weg, en soelaas te vinden in het idee dat ik uit deze zorgwekkende situatie mijn voordeel kan doen in de vorm van het artikel. Met de minuut regent het harder.

Eenmaal gearriveerd op de Snijdersstraat vraag ik toch maar wat we hier komen doen. Karl opent de dashboardklep, haalt er een tasergun uit en drukt deze tegen mijn wang. ‘Jij en ik, wij zijn vrienden, toch? Jij bent de enige die ik vertrouw.’ Ik durf niet te reageren. Hij pakt met zijn vrije hand mijn telefoon uit m’n broekzak. ‘Als je uitstapt, taser ik je tot verlamming toe, en begraaf ik je levend hier in het bos, begrepen?’ Karl haalt een keer diep adem, stapt dan opgefokt uit, en loopt naar een van de villa’s. Hij bonkt op de deur: ‘Maak open, maak open!’ Geen resultaat. Hij bonkt harder: ‘Ik weet dat je hier zit, dikzak!’ Een licht vanuit de slaapkamer springt aan. Het duurt even voordat de deur wordt opengemaakt. Het is de burgemeester in een nachtjapon. Terwijl hij in zijn ogen wrijft, zegt hij: ‘Karl? Wat doe jij hier?’ ‘Wie heeft die rotonde gemaakt?!’ vraagt Karl agressief. ‘Huh?’, reageert de burgemeester slaperig. ‘Jij kunt mij niet voor de gek houden, slome zak die je bent!’ De burgemeester ontvangt een klap in zijn gezicht. ‘WIE HEEFT DIE ROTONDE GEMAAKT?’ De burgemeester stottert angstig: ‘Dat kan ik niet zeggen. Je weet zelf wel wie.’ De burgemeester krijgt nog een klap, en nog een, hard genoeg om achterover te vallen. Bloed vloeit uit de mond van de burgemeester en tranen rollen over zijn wangen. Stotterend hoor ik hem zeggen: ‘Asfaltservice van der Ham. De papieren zitten in mijn jaszak.’ Karl grijpt en bekijkt de papieren. De haat die in zijn ogen te zien is, overstijgt alle woede tot nu toe. ‘Ik wist het… Ik wist het. Ik wist het!’ Terwijl de burgemeester huilend op de grond crepeert, reageert Karl zich af op zijn kapstok. De vrouw van de burgemeester komt de trap af, maar voordat ze zich kan bekommeren over de toestand van haar man, wordt ze door Karl getaserd. Ik ben nog nooit getuige geweest van zulke gewelddadigheid. Dan komt Karl richting de auto, de tasergun wederom tegen mijn hoofd gedrukt: ‘Start de Ford, naar Asfaltservice van der Ham!’ Paniekerig rij ik er naartoe. Ik begin te snotteren, maar daar is Karl niet van gediend. ‘Gewoon rijden, verder niks.’ Ik probeer moed te verzamelen en mijn tranen in bedwang te houden.’ De ruitenwissers gaan nauwelijks snel genoeg om de ruit van de regen te ontdoen. In de verte zie ik bliksemflitsen. Karl mompelt: ‘Ik maak hem kapot. Ik maak hem helemaal kapot.’

Natuurlijk is Asfaltservice van der Ham gesloten rond dit tijdstip.
‘Waarom gaan we niet gewoon terug naar huis, Karl?’, vraag ik aarzelend. Vijf keer achter elkaar geeft hij antwoord: ‘Hou je kop!’ Niet het antwoord waar ik op gehoopt had. Karl zoekt en vindt een baksteen. De baksteen wordt door een ruit van het bedrijf gesmeten. Het alarm gaat af. ‘We kunnen beter gaan voordat er iemand aankomt’, zeg ik zacht. ‘Bemoei je er niet mee. Jij wilde een verhaal? Hier heb je een verhaal! Het is verdomme de bedoeling dat er iemand aankomt.’ Karl is compleet doorgedraaid. Alles wat van het bedrijf kapot kan, probeert Karl kapot te maken. Ik weet niet goed wat ik moet doen, maar ik begin het gedrag van Karl zat te worden, dus stap ik de auto uit. Karl merkt het meteen en houdt het tasergun in de aanslag. ‘Staan blijven!’ roept hij. Ik probeer op hem in te spelen: ‘Hee, zo praat je niet tegen vrienden. We zijn vrienden toch? Dat heb je zelf gezegd. Ik mag je. Ik wil je helpen, maar laat mij begrijpen waarom je dit doet.’ Bliksemflitsen verlichten het luchtruim. Op dit moment voelt het alsof elke adem mijn laatste kan zijn.

Ik bespeur menselijkheid in de ogen van Karl. Zijn hand trilt. Voorzichtig laat hij zijn tasergun zakken:

‘De mooiste dag van m’n leven. De kers op een taart. Dat was wat ik hoopte toen het lint werd doorgeknipt. Voor het eerst sinds drie jaar en twee maanden, voelde ik één seconde iets waarvan ik dacht dat ik het nooit meer zou voelen: ik voelde me gelukkig. Een rotonde bij mij om de hoek, fantastisch. Maar toen… Toen de wielen van de Ford het asfalt van de rotonde raakten, werd ik geteisterd met de plek waar mijn vrouw overleed. Het kruispunt… Ik weet het zeker. Het asfalt van de rotonde en het asfalt op het kruispunt is neergelegd door dezelfde asfaltservice. Asfaltservice Van der Ham. De burgemeester had mij op het hart gedrukt dat hij niet het asfalt van Van der Ham zou gebruiken. Ik ben zo stom geweest om dat klakkeloos te geloven. Van der Ham is de goedkoopste asfaltservice hier in de buurt, natuurlijk kiest die dikke klootzak voor het goedkoopste. Echter… Je voelt het aan de kwaliteit van het asfalt. Het asfalt van Van der Ham is gladder dan ander asfalt.
Je had me moeten laten liggen. Je had me moeten laten sterven. Dan was ik nu bij Margot geweest. Maar ik leef nog. Alsof de dood mij nog niet accepteert. Alsof ik nog zaken heb af te handelen. Daarom zijn we hier. Niemand zal straks kunnen ontkennen dat de rotonde in Oirsbeek en het kruispunt waar Margot overleed identiek rijden. Ik heb bewijs dat Van der Ham de rotonde heeft aangelegd, dus ik heb bewijs dat Van der Ham mijn vrouw heeft vermoord. Mijn Margot. Mijn lieve, lieve engel, heeft hij van mij afgepakt. Ik zal het hem nooit, nooit, nooit…’

Een harde knal klinkt. Ik dacht even dat ik er geweest was, maar in plaats daarvan is het  Karl die op de grond valt. Bloed stroomt uit zijn been en vermengt zich met modder. Karl gilt van de pijn. Uit de schaduw van de asfaltservice verschijnt een kale man, ik gok een jaar of veertig. Hij loopt langzaam richting Karl. In zijn hand heeft hij een pistool. Ik word er bang, en een soort van duizelig van. M’n hart klopt alsof het mijn lichaam probeert uit te breken.
‘Wat ben jij een idioot’, zegt de kale man. ‘Ik heb je vrouw vermoord? Is dat wat je denkt? Karl, Karl, Karl. Jij bent té simpel. Asfalt is niet de enige factor die de dood op de weg bepaald.’

‘Het is één van de factoren, Van der Ham’, weet Karl nog te zeggen.
Hij krijgt een schop in zijn buik.

‘Je moet ook rekening houden met de weersomstandigheden, andere bestuurders, het tijdstip van de dag. En dan nog iets, Karl. De allerbelangrijkste factor van ze allemaal. Beantwoord mij deze vraag…’ Voordat Van der Ham de vraag kan stellen wordt hij door Karl getaserd. Van der Ham valt op de grond. Zijn pistool valt uit zijn hand, binnen handbereik van beide mannen. Ze worstelen in de modder. Ze weten allebei een paar rake klappen uit te delen.
Van der Ham gaat door: ‘Wie was de bestuurder?’

‘Hou op! Hou op!’

‘Wie was de bestuurder, Karl?! Zeg het me!’

Karl gilt het uit van verdriet: ‘Ik was het! Ik was het! Ik was de bestuurder…’

‘Waarom wil je dan dat ik de schuld op me neem, Karl? Da’s toch bullshit?’

‘Omdat… Omdat ik… Omdat…’

Ik ben ondertussen te ver weg van de conversatie tussen Karl en Van der Ham vandaan om er meer van te kunnen horen; het leek mij immers het beste moment om onopvallend de situatie te kunnen ontvluchten. Tegelijkertijd met een bliksemflits klinkt een pistoolschot, maar het kan me eerlijk gezegd niets meer schelen. M’n drijfveer om de hobby van Karl in het daglicht te stellen is verdwenen na al z’n bedreigingen. Ik wil er niets meer mee te maken hebben. Het is mijn eigen schuld. Ik heb te diep gegraven. Ik had nooit meer van hem moeten willen weten. Ik kan de waarheid helemaal niet aan.

Doorweekt en vermoeid zit ik om twee uur ’s nachts trillend op een treinstation. De eerstvolgende trein komt pas om half 7. Ik baal van mezelf en het leven. Ik heb toegekeken naar hoe mensen gemarteld werden, naar hoe mensen zichzelf martelde, alleen maar omdat ik mijn gelijk wilde bewijzen. En zelfs dat is me niet gelukt. Ik heb de deadline niet gehaald: Samantha en haar randstadclubje hebben helaas hun gelijk gekregen. Het is een schrale troost dat m’n telefoon mij ontnomen is. Een inwrijving is daarmee bespaard. Ik denk aan de opleiding. Dit is niet wat ik ervan verwachtte, en op deze manier hoeft het van mij ook niet. Ik gok dat mijn stage voorbij is, en daarmee de wereld van de journalistiek. Het maakt me niet meer uit wat de docenten vinden, en of ik dit jaar ga halen of niet, maar een ding weet ik wel:
vanaf nu zal ik alleen nog maar fictie schrijven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *