Alleen een beschuit – Daniel

ijs_lucht_bevriezing_erik_van_asten

Alleen een beschuit – Daniel Kiggen (jaar 1)

Lodewijk en Ongelukje liggen te slapen met elk een tuinslang in hun navel. Ze worden wakker van het geluid van een wc die doorspoelt.

Lodewijk: Het ish volle maantjeshdag.
Ongelukje: Daar hebben we allemalemaal lasht van.
Lodewijk: Ish je dan nietsh opgevevallen? Lichamelijkelijk de laatshte tijd?
Ongelukje: O, hou hieremee op, ik kan dit helemale niet. Ik ga dit niet oververleven sho hoor. Ik shie er het nuttenut niet van in. Ik vind het gewoon niet sho effishishent, sheg maar.
Lodewijk: Het ish hier te donkerig voor mij. Ik heb shonnelicht nodig. Ik ben net een planteplant.
Ongelukje: Je gaat je dodedood tegemoet. Ik wil niet dat ik volgennende week op je begegrafenish ben.
Lodewijk: Wat moet ik nou? Moet ik enie of annander bleek, crackiecrackiecrackvershlaafd, nachtpershoon worden?
Ongelukje: Ik word hier echt dodemoe van.
Lodewijk: Ik weet dat het lichamelijkelijk vermoeielijk is, maar het ish niet meer te shtoppeshtop en niet meer teruggetrug te draaien.
Ongelukje: Ik kan voor je kokebakken. Wacht maar, ik kokebak een eiertje.
Lodewijk: Ash jij wil dat ik ergennens mee naartoe ga, dan ga ik altijtetijd mee. Ish dat waar of niet? Ja, dat ish waar. Mishien hebben we wel een broerekind.
Ongelukje: Hoe weet je nou sheker dat er een broerekind ish?
Lodewijk: Nouja, dan gaan we niet. Dan ga ik hier lekker naasht jou nietsheniettenietsh liggen doen. Of door de buikemuur heen proberen “Wie ish de mollemol?” mee te kijken, terwijl mijn broerekind buiten ish, waar hij altijd al wash, terwijlewijl ik dat niet wisht.

Een man (Eric) in een kreukelig wit overhemd waar zwart/grijze plukjes borsthaar doorheen steken komt binnen.

Eric: Jij bent zeker ongelukje? Ik hoorde al dat je zou komen. Ik ben Eric. Je toekomstige baas. Jij komt bij mij op de slijpvloer. Jij wordt mijn slijpsmurfje. Een in het blauw geklede, metaalbewerkende neanderthaler.
Lodewijk: Je moet naar Eric luishteroren.
Eric: Dat moet je zeker. Je moet even begrijpen dat daar buiten een cultuur is. En daar moeten we ons aan houden. En om ons daar aan te houden moeten we een bepaald spel spelen. Je moet je voorstellen dat er jaarlijks een X aantal mensen ter wereld moet komen. Die mensen moeten ergens van leven. Voor een X aantal mensen moeten we dus een Y aantal machines hebben. Die machines moeten bediend worden door die mensen. Je zusje zou dat ook moeten, als ze niet doodgeboren zou worden.
Lodewijk: Dodedood?
Eric: Je hebt al vierentwintig uur geen hartslag meer. Vierentwintig uur is best wel dood. Je moet begrijpen dat mensen hun hart moeten laten kloppen. Jij moet dat ook. Doe je dat niet, dan komt er chaos. De dingen moeten blijven kloppen. Dat is het spel dat we moeten spelen.
Lodewijk: Mishien moeten we even vechtvuisten.
Eric: Je moet je voorstellen dat vechten uit den boze is. Als we vechten moet ik daarna een formulier invullen. Dat formulier moet dan naar je vader.

Eric gaat af.

Lodewijk: Waar shijn de cameramerash? Wie ish de mollemol?
Ongelukje: Andersh gaan wij er gewonewoon shaampjesh vandoor.
Lodewijk: Nee luishter, dit vind ik niet erelijkelijk. Ik ga sho dodedood. Wat ish nou het gavegaafste dat ik hier heb gedaan? Dat ash ik shtrakkelijk dodedood ben, dat menshen sheggen: “Dat wash retegavegaaf!”
Ongelukje: We hebben geshwommen. Halvelijk mensh, halvelijk vish.
Lodewijk: Shnap je dat dat dat niet gavegaaf ish? Het ish niet erelijkelijk. Het ish niet in balansh. Ash jij hier mijn tenevoeten afhakketakt, en ik jouw hoofdekop, dan shijn er in Niewe-Zeeënland twee negermenshen. Één die shijn linkerarme-arm misht en één die zijn rechterarme-arm misht. En dankshij enie of annanderer Shiameshe tweëbroersh moeten wij nu uit elkarekaar. Het ish niet erelijkelijk. Het ish niet in balansh.

Lodewijk trekt de tuinslang uit Ongelukje’s navel.

Lodewijk: Ga maar lekkerder de bloemebloem buiten shetten. Ga maar lekkerder een golden rieten vievier nemen. En een kakketush in de vennesterbank. Het ish maar goed dat je zonnonder mij gaat. Je bent een heldeman. Je bent echt een heldeman.
Ongelukje: Dit is tamelijk oncomfortabel. Er knipperen allemaal rode lampjes. Er zal toch geen verband zijn? Alsof ik gek ben. Een zwaan ben. Een krioelend mierennest dat golft en steekt. Een machine. Een rad. Aangedreven door krachten die me langzaam van binnenuit opfreten. Alsof er honderd mensen zwijgend kijken terwijl ik opgesloten raak in mijn eigen lijf. Een ding. Een dood ding. Nooit iets geweest. Laat staan een mens. Een wolkje gedachten in een glazen cocon waar het niet uitdurft. Net zo hard vechtend als nodig is om het glas niet te breken. Om de mieren niet naar buiten te laten stromen. Langzaam oplossend maar wel steeds dieper zinkend in een oersoep van rottende ingewanden. Stinkend. Druipend. Smeltend. Verterend. Opgefreten door maden met tanden des tijds. Verloren in een wervelwind van grijpende mensenhanden. Ze tegelijkertijd wel en niet willend. Doorkliefd met doelloosheid en doelmatig gravend in de brandende aarde. Een machine van roestig metaal tussen zure wolken van paars in een lucht van cyaan en turkois. Botten en schedels. Fossielen in kalk. Vergaan en vergeten zo tegen het einde van alles dat mooi is blijft de schoonheid een schaduw in het licht van de maan. De maan. De maan. Reikend. Ik wil hem. Hardgrijpend. Gekmakende witheid en geelheid en rondheid. Huilen en schreeuwen. Mijn vingers afbijten. Mezelf inslikken en binnenstebuiten keren. Mijn spieren langzaam uit elkaar trekken. Ik hoor ze scheuren. Ik ruik het pus en proef de verzuring die tegen mijn gezicht aan spat. Me verbrand van binnenuit. Ik hoor hier niet. Ik hoor nergens. Niet bestaan. Niet zijn. De andere kant van alles dat is. De binnenkant van het allerkleinste deeltje. De kern zonder waarde. Het nulpunt. Het midden. De stilstand. Het einde. Geen licht en geen donker en alles vermengd tot een grijze substantie die niet zoveel is. Wel donder en bliksem. De electriciteit drijft de machine. Die haalt en die maalt en die hakt en die plet en vernielt de massa. De massa. De stof. Wederkeren. In cirkels. Eindeloos. Doorgaan.
Een harde knal, lava, steen, zand, water. Ik ben een luchtbel. Een luchtbel op de bodem. Een luchtbel met een korstje. De luchtbel vult zich met water maar het korstje blijft. Ik voel hoe kleine deeltjes door het korstje in mijn binnenste komen. Een warm vonkje. Ik deel mij. Ik ben met z’n tweeën. Met zijn vieren. Met zijn achten. Een onderzees spiegelpaleis. En dan: vinnen. Ik groei spontaan vinnen en begin te zwemmen tot er geen water meer is. Daar glibber ik aan land en groei poten en longen. Ik kruip, ik loop, ik ren, ik spring, ik vlieg, ik eet, ik slaap en ik wrijf genegen tegen andere apen aan. Vervolgens kom ik zelf uit een van die apen rollen. Als een dolle Matrouschka verschijn ik steeds weer uit mijn eigen achterste tot één van mijn kopieën een steen opraapt en er een voorhistorische kokosnoot mee open slaat. Alle kopieën van mij beginnen met stenen, botten en takken tegen dingen aan te slaan. Ze bouwen hutten, huizen, kastelen, wolkenkrabbers. Binnen een mum van tijd zijn ze creatief genoeg om een atoombom in elkaar te knutselen. Een harde knal.
Dan kantel ik en suis voorover door ’s werelds engste en slijmerigste waterglijbaan. Mijn hoofd blijft steken doordat de buis zich versmalt.Twee latex handen trekken mij ruw uit mijn warme omgeving en geven me een pets tegen mijn billen, alsof ik iets fout heb gedaan. Ik ben zo overdonderd en in de war dat ik alles vergeet. De beelden. Mijn angsten. Eric. Lodewijk. Alles. Ik kan alleen nog maar huilen.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *