Ben je GEK geworden?

Leeslijstartikel door Marron Das (jaar 3)

‘Kinderen, gekken en dronkenlappen zijn niet interessant. Niet gebruiken!’ Aantekeningen uit mijn eerste week op de schrijfopleiding. Het is nogal een stelling en de afgelopen jaren ben ik het er steeds minder mee eens geworden. Ik kijk graag naar dronkenlappen en naar gekken al helemaal.

De overeenkomst tussen kinderen, gekken en dronkenlappen is dat ze geen zelfcontrole hebben: je kunt alles van ze verwachten. Als een ‘normaal’ personage een taart op tafel zet, kun je er vanuit gaan dat die in stukken gaat en wordt uitgedeeld aan de visite. Bij een personage zonder zelfcontrole is het net zo waarschijnlijk dat de taart met een touwtje aan een lamp wordt gehangen, waarna het personage er de rest van de avond onder blijft staan om van elke bezoeker te eisen dat hij of zij zijn kleren uit doet: dat recht heb je namelijk als je onder een taart staat. Kortom: een personage zonder zelfcontrole heeft geen reden nodig voor wat hij doet. Het feit dat hij geen rem heeft, is aanleiding genoeg voor wat dan ook. Dit maakt een personage dramatisch oninteressant.

Op zich een redelijke gedachtengang, maar er zijn tig toneelstukken en films waarin gekke of dronken personages voorkomen die wél interessant zijn. 4.48 Psychose, Festen, Adel Blank, allemaal voorbeelden van stukken waarin het gebrek aan zelfcontrole zonder problemen wordt gepikt. Wat maakt dit soort personages interessant?

Er bestaan nogal wat verschillen tussen kinderen, dronkenlappen en gekken. Ze zijn daardoor niet allemaal in één artikel te behandelen. Dit artikel is beperkt tot ‘gekken’. Of liever gezegd: personages met een psychiatrische stoornis. Nog specifieker, schizofrene en psychotische personages.

Bewijs maar eens dat je gek bent

Het onderzoek is nauwelijks van start of het eerste probleem dient zich aan: definities. Wanneer heeft iemand een stoornis? Meestal worden personages niet voorgesteld als ‘Sjoerd met schizofrenie’. Ik zal zelf moeten beslissen óf een personage een stoornis heeft en zo ja welke, voordat ik besluit of het voor dit onderzoek relevant is.

De meeste personages zijn behalve potentieel psychiatrisch patient vooral ook personage in een stuk dat niet per se draait om het patient zijn. Ik ben geen psycholoog, zij zitten niet bij mij op de sofa, dus ik kan ze niet vragen wat er in ze om gaat. Dit maakt een diagnose stellen lastig. Aan de hand van literatuur uit de klinische psychologie zal ik proberen personages te vinden die zo realistisch mogelijk gek zijn, maar dat het niet mogelijk is om vragen te stellen blijft een probleem. Ik moet voor een deel vertrouwen op mijn eigen inschattingsvermogen.

Over de definitie van een gek ontdekt Ietje Gildemacher in haar scriptie Waanzin of Wartaal het volgende:

In een samenleving waarin iedereen groene hoedjes draagt, hoe onlogisch dit ook moge klinken, is iemand die een rood hoedje draagt al een enorm opvallende verschijning. Hij zal met meer achterdocht en reserves benaderd worden dan iemand met een groen hoedje, zo simpel is het. De omstandigheden bepalen wie gek is en wie niet. Niet de betreffende persoon zelf.[1]

Iets om rekening mee te houden: om te kunnen beslissen of iemand gek is of niet, moet je op de hoogte zijn van de geldende regels in het milieu van het personage. Ken je de regels niet, dan wordt het lastig te bepalen of iemand afwijkt van de norm.

De vraag is of dit in elk genre mogelijk is. Kun je, met de informatie die het stuk geeft, zo op de hoogte raken van de regels in die omgeving dat je kunt bepalen of een personage afwijkt? En niet zomaar afwijkt, maar genoeg om hem een stoornis op te plakken?

In de wereld die wij als referentiekader hebben zou Keet uit Kleine Teun door kunnen gaan voor psychiatrisch geval, maar of dat in de absurdistische wereld die Alex van Warmerdam beschrijft ook zo is, is moeilijk te zeggen. We kennen de regels daar niet goed genoeg. Dit onderzoek is daarom beperkt tot de realistische genres. Daar kan ik vertrouwen op mijn eigen referentiekader. Een klein beetje houvast is wel prettig.

Waan(zin)

Psychose en schizofrenie zijn stoornissen die dicht bij elkaar liggen, zo blijkt uit Fundamentals of Abnormal Psychology:

People who have this disorder (schizophrenia), though they previously functioned well or at least acceptably, deteriorate into an isolated wilderness of unusual perceptions, odd thoughts, disturbed emotions, and motor abnormalities. They experience psychosis, a loss of contact with reality. Their ability to percieve and respond to the environment becomes so disturbed that they may not be able to function at home, with friends, in school, or at work.[2]

[…]

Many people with schizophrenia develop delusions, ideas that they believe wholeheartedly but that have no basis in fact. Some people hold a single delusion that dominates their lives and behavior, whereas others have many delusions.[3]

 

Verdere symptomen zijn grootheidswaanzin (bijvoorbeeld denken dat je een koning bent), het idee hebben dat je gedachten gestuurd worden door andere mensen, ongeorganiseerd denken en spreken en (te) associatief denken.

Veel van deze symptomen zijn te vinden in films en literatuur. Het duidelijkst misschien wel in Dagboek van een krankzinnige van Gogol. Een kort verhaal dat bestaat uit dagboekfragmenten van Propritsjin, een man van middelbare leeftijd.

Het verhaal begint op 3 oktober, als er op het eerste gezicht nog niets aan de hand is. De hoofdpersoon gaat (te laat) naar zijn werk in de hoop dat hij een voorschot op zijn salaris krijgt. Niets geks, hoewel bij een volgende lezing dit citaat met terugwerkende kracht opvalt:

(Propritsjin doet zijn baas na)‘Zeg mannetje, wat spookt jou toch aldoor voor onzin door je bol? Je loopt af en toe maar wat te dazen, je werk is soms zo’n janboel dat de duivel er zelfs niet meer wijs uit kan worden, titels schrijf je met kleine letters en je vergeet datum en nummer op je stukken te zetten.’ Dat stuk verdriet! Die is vast jaloers, omdat ik in de kamer van de direkteur zit, waar ik voor zijne excellentie de pennen snijd.[4]

Eerste tekenen van verwardheid, wellicht ook al een vleugje grootheidswaan.

Even later wordt het al vreemder. Propritsjin vangt een gesprek op, maar de enige levende wezens in zijn buurt zijn twee hondjes. Hij is in de eerste instantie stomverbaasd dat hij honden hoort praten, maar als hij er nog eens over nadenkt lijkt het hem eigenlijk allemaal heel gewoon.

We kunnen spreken van een hallucinatie. Geruststellend is wel dat Propritsjin in de eerste instantie zelf ook erg verbaasd is dat hij twee honden een gesprek in mensentaal hoort voeren. Hij weet blijkbaar dat dat in de echte wereld behoorlijk ongewoon is.

Tussen de pratende honden door lijkt er niets aan de hand. Behalve dat Propritsjin dingen ziet die er niet zijn.

Kort na het afluisteren van het gesprek besluit hij de twee hondjes naar huis te volgen. Bij het huis aangekomen klimmen ze naar de vijfde verdieping. Propritsjin zegt niet mee naar binnen te gaan, maar weet dat de hondjes naar de vijfde zijn geklommen. Zijn ze via de voorpui omhoog geklauterd of ziet hij dingen die hij niet gezien kan hebben? Zijn de hondjes überhaupt zonder hun bazinnen naar huis gewandeld? Is hij ze wel echt gevolgd? Al met al een vreemde situatie, maar Propritsjin lijkt nog niet totaal los van de werkelijkheid.

Een aantal dagboekfragmenten kletst hij door over zijn werk, de dochter van de direkteur en hoe hij van adel is en dus veel te goed voor zijn functie. Hier en daar lijkt zijn interpretatie van de werkelijkheid wat gekleurd: hij vindt zichzelf een hele heer en vrijwel alle anderen dom en verachtelijk. Opkomende grootheidswaan. Ook neemt hij de kwestie met de hondjes nog steeds erg serieus. Hij is erachter gekomen dat ze elkaar brieven schrijven en verzint een plan om die te onderscheppen. De brieven staan vol met hondenpraat, maar gaan ook over hem: één van de hondjes heeft haar baas horen praten over watvoor treurige man hij is.

Dit zijn serieuze waanbeelden. Honden die brieven schrijven en Propritsjin is in de stellige overtuiging dat ze op zijn bureau liggen. Toch is de werkelijkheid nog deel van zijn waanbeelden. Hij komt erin voor, net als zijn functie als pennensnijder. Bovendien herkent hij zichzelf nog. Een teken dat hij het niet volledig kwijt is.

Op 5 december krijgen we een voorschotje op wat komen gaat als Propritsjin leest dat Spanje op zoek is naar een nieuwe koning. Hij vraagt zich af hoe het mogelijk is dat een land geen koning heeft. Waarschijnlijk ís er wel een koning, maar is die door omstandigheden even buiten beeld, concludeert hij.

‘Het jaar 2000, de 43ste april’. Nu worden de zaken echt vreemd. De koning van Spanje is terecht:

Spanje heeft een koning! Hij is gevonden. Die koning- ben ik. Precies en uitgerekend vandaag ben ik erachter gekomen. En eerlijk gezegd: het was me of me eensklaps de schellen van de ogen vielen. Hoe heb ik ooit kunnen denken en me kunnen verbeelden dat ik een titulair-raad was? Hoe heeft zo’n dwaze, krankzinnige gedachte ooit bij me post kunnen vatten? Gelukkig maar dat niemand op de gedachte is gekomen me toen in het gekkenhuis te laten opsluiten.[5]

A-há! Hij denkt dat hij een koning is. Grootheidswaan ten top. Bovendien is de datum compleet uit de lucht gegrepen. Ongeorganiseerd denken?

Er is duidelijk sprake van een psychotische periode. Maar: hij denkt niet dat hij de baas is van de onderwereld of de god van de planten. De werkelijkheid speelt nog steeds een rol in zijn waanzin. Kort hiervoor las Propritsjin immers dat Spanje op zoek was naar een koning.

Pas in het laatste dagboekfragment raakt hij helemaal los van de werkelijkheid, die hij tot dan toe geintegreerd heeft in zijn waanbeeld. Op ‘van Da 34 tum Mnd. Jaro iraurbef 349’ is de waanzin compleet:

Verder, steeds verder weg, totdat er niets meer te zien zal zijn. Daar slaat het hemelgewelf voor mij open: een sterretje flonkert in de verte: een bos scheert langs mij heen, donker geboomte en de maan: een blauwgrijze nevel pakt zich onder mijn voeten samen: in de nevel trilt snarenspel: aan de ene kant ligt de zee, aan de andere kant Italie: kijk, en daarginds doemen ook de russische boerenhutten reeds op. […] Maar weten jullie wel dat de Dei van Algiers pal onder zijn neus een wrat heeft?[6]

Ongeorganiseerd en associatief denken. Vanaf hier is Propritsjin het compleet kwijt. De lezer kan nu alles van hem verwachten, redenen zijn niet meer nodig. Niet voor niks houdt hier het verhaal op: het personage is nu niet meer dramatisch interessant.

Een paar dingen die opvallen in deze tekst. Ten eerste: de auteur heeft een echte stoornis in beeld gebracht. Propritsjin toont behoorlijk wat symptomen van een psychose: grootheidswaan, hallucinaties, ongeorganiseerd en associatief denken zijn allemaal in beeld geweest. Ik vind de waanzin daardoor geloofwaardig.

Verder, de gedachtegang van Propritsjin is heel vreemd, maar wel navolgbaar. Hij blijft met uitzondering van het laatste dagboekfragment met één been in de werkelijkheid staan, waardoor hij geen ongeleid projectiel wordt. Hij interpreteert wat er om hem heen gebeurt alleen nogal gekleurd.

De gekte voegt iets toe. Is zelfs noodzakelijk. Er is niet ‘gewoon omdat het grappig is’ een gek in het verhaal gestopt, zonder de aandoening van Propritsjin was dit verhaal er niet geweest. Hij had de hondjes voor de winkel zien zitten, ze wellicht geaaid, maar daarna was hij naar zijn werk vertrokken en zou het verhaal voor ons afgelopen zijn.

Ten slotte, het feit dat Propritsjin psychotisch is, is geen onderwerp van gesprek. Sterker nog, het wordt nergens verteld, de lezer concludeert het zelf. Het stuk gaat over de beslommeringen van een man die er zelf geen seconde aan twijfelt dat hij de koning van Spanje is, niet over de behandeling van dat probleem. De gekte is naar mijn idee meer middel dan onderwerp.

A Beautiful Mind

In Dagboek van een krankzinnige wordt duidelijk inzichtelijk gemaakt hoe het personage zich ontwikkelt. Maar doordat het psychotische personage ook de verteller is, krijgt de lezer slechts één perspectief te horen. De reacties van de omgeving worden niet of nauwelijks geschetst. In de film A beautiful mind is het perspectief neutraler. De kijker is niet afhankelijk van wat de gek kwijt wil, maar ziet zelf wat hij meemaakt. Daarnaast krijgen we soms zijn interpretatie te zien. We kunnen op die manier de echte wereld vergelijken met de waanbeelden van het personage en daaruit een conclusie trekken.

Daarnaast wordt de informatie anders gedoseerd. Waar in Dagboek van een krankzinnige al op de eerste pagina dingen gebeuren die wijzen op waanbeelden, wordt de kijker in A beautiful mind zo lang mogelijk op een dwaalspoor gehouden. De auteur heeft daarvoor een slimme truc gevonden: na ongeveer dertig minuten wordt het hoofdpersonage (John Nash) op straat aangesproken door een man in pak. Op dat moment is hij voor zover wij weten prima in orde.

De man refereert aan een klus die Nash eerder heeft gedaan voor het leger en vraagt of hij geinteresseerd is in nog een opdracht. Eén eis: zijn werk moet strikt geheim blijven.

Een gouden greep: Nash kan jarenlang in het diepste geheim krankzinnig zijn. Omdat hij er niets over mag vertellen, kan zijn omgeving geen argwaan krijgen over wat hij aan het doen is.

Wat de kijker niet weet, is dat de man in pak een waanvoorstelling is. Voor de kijker lijkt de film hier even een actiedrama te worden. Nogal een grove verandering van genre misschien, maar het wordt goed ingeleid door de uitleg dat Nash nu voor het leger werkt. Weten wij veel hoe de regels daar zijn?

Voor zover ons bekend, is Nash een normaal mens in een bijzondere wereld. In werkelijkheid bestaat die wereld alleen in Nash’ hoofd en is híj juist de bijzondere factor. Hij brengt zijn waanbeeld erg geloofwaardig aan de man. Zo geloofwaardig dat als zijn vrouw van de psychiater hoort dat hij schizofreen is, de kijker zich nog even afvraagt of de psychiater niet tóch een Russische spion is.

Zodra we zeker weten dat Nash schizofreen is, wordt hij minder interessant. Meer ‘pathetic’ dan ‘dramatic’ zogezegd. We vinden hem zielig en leven met hem mee, maar om weer interessant te worden zal hij uit zijn dal moeten klimmen en zo bewijzen dat er óók voor een schizofreen een leven bestaat.

Gelukje: dat is precies wat hij doet. Na een periode van therapie komt hij thuis uit de kliniek. Hoewel hij daar nog enige tijd behoorlijk apathisch is, wordt hij behalve zielig ook weer leuk. Hij maakt namelijk grappen over zijn waanbeelden. Dit is niet alleen effectief omdat kijkers graag lachen, het laat ook zien dat hij inzicht heeft in zijn eigen ziektebeeld. Dat is een teken dat hij vooruit kan en vooruitgang, dat zien we graag.

Na een terugval leert Hij omgaan met de waanbeelden die hij heeft, voornamelijk in de vorm van vrienden die niet echt bestaan. Hij ziet ze nog steeds, maar weet nu wie echt is en wie niet. Hij neemt afscheid van de waanbeelden en negeert ze verder waar mogelijk.  De vooruitgang zet door en als klap op de vuurpijl wint hij een Nobelprijs. Al met al behoorlijk Hollywood, maar ook behoorlijk effectief. De korte periode dat Hij was opgenomen in de kliniek was hij zielig en daardoor minder interessant. De film eindigt met een gek die bovendien een held is. Er is hoop!

Op een aantal punten vertoont de gekte in A beautiful mind gelijkenissen met die in Dagboek van een krankzinnige. Ook hier is een echte stoornis in beeld gebracht, compleet met waanideen, hallucinaties en grootheidswaan. Ook is de waanzin in beide stukken noodzakelijk voor het verhaal en geen toegevoegd leukigheidje.

Nash lijkt in zijn waanzin op Propritsjin uit Dagboek van een krankzinnige: ook hij integreert zijn waanbeelden perfect in de werkelijkheid. Hij verzint geen situaties en slaat geen wartaal uit. Hij past alleen de werkelijkheid een beetje aan. Of beter gezegd, dat doen zijn hersenen voor hem. Zijn waanbeelden hebben allemaal te maken met zijn vak: hij is wiskundige en superintelligent. Codes kraken is zijn specialiteit. Geen wonder dat wij in de eerste instantie geloven dat hij een baan heeft als codekraker bij het leger.

Bij Propritsjin is het duidelijk dat hij in het gekkenhuis is als hij zelf denkt dat hij in zijn paleis is aangekomen. In het geval van Nash is het onduidelijk wat hij écht doet als hij in zijn waan op de legerbasis is, of in de auto zit bij zijn ‘baas’. We worden hier minder bij de hand genomen om de gek te bekijken, de makers geven onze verbeelding wat ruimte.

Er zijn meer verschillen. In Dagboek van een krankzinnige is de lezer zich er vanaf de titel van bewust dat hij te maken heeft met een krankzinnige. In A beautiful mind wordt dit pas halverwege aan de kijker duidelijk gemaakt. Het eerste uur heeft die geloofd in de waanbeelden van John Nash. Als hij na de kliniek een terugval heeft, krijgen we nogmaals te zien hoe die wanen zich ontwikkelen, alleen hebben we nu pas alle informatie die nodig is om te weten dat het wanen zijn.

Een ander groot verschil is dat Nash’ schizofrenie hier onderwerp van gesprek is. Vanaf het moment dat hij in de kliniek belandt, wordt regelmatig gesproken over ‘hoe nu verder’. Vreemd genoeg was het uur waarin we nog niet wisten dat we naar een gek keken het leukst. De periode met medicijnen is dramatisch niet zo interessant omdat Johns wil door de pillen is lamgelegd. Zodra hij stopt met zijn medicijnen en weer waanbeelden krijgt, heeft hij ook zijn eigen mening en daarmee zijn streven terug. De wil om met zijn beperking te leren leven maakt hem opnieuw dramatisch interessant.

Tirza

Zowel in Dagboek van een krankzinnige als in A beautiful mind wordt ver voor het einde duidelijk dat we te maken hebben met een personage dat schizofreen danwel psychotisch is. Anders is dat in Tirza, de film naar het boek van Arnon Grunberg. Hier weet de kijker pas in de laatste minuten dat het hoofdpersonage (Jörgen) al die tijd in een waan heeft geleefd.

Jörgen is zijn baan kwijt, heeft een miljoen verloren, zijn vrouw is bij hem weg en zijn dochter is op reis naar Afrika. Met die dochter had hij een ziekelijke, bijna erotische relatie. Nu heeft ze voor het eerst een vriendje, waardoor Jörgen niet meer de eerste man in haar leven is. Hij voelt zich aan de kant gezet. Bovendien lijkt het vriendje op Mohammed Atta, en die is volgens Jörgen de reden dat hij dat miljoen kwijt is.

Dit alles drijft hem ertoe zijn dochter te gaan zoeken in Namibie, nadat hij al zestien dagen niets van haar gehoord heeft. Hoewel misschien een tikkeltje overtrokken, is het besluit wel te begrijpen. Hij zoekt dagenlang naar zijn dochter en heeft daarbij hulp van een negenjarig meisje dat haar gezelschap verkoopt aan rijke toeristen. So far so good, een (over)bezorgde vader op zoek naar zijn dochter.

Aan het einde van de film komt het ware verhaal naar boven: toen Jörgen zag hoe zijn dochter ‘een beurt kreeg van Mohammed Atta’, is hij door het lint gegaan. Hij heeft haar met een pook doodgeslagen, waarna hij haar vriend met een kettingzaag ‘gesnoeid’ heeft.

‘Toen heb ik een kuil gegraven en daar heb ik de kinderen in gelegd. De volgende ochtend ben ik naar het vliegveld gereden en daar heb ik de kinderen uitgezwaaid. Tot ik ze niet meer zag.’

Dit moment is min of meer het point of attack van de film. Vanaf hier raakt Jörgen steeds bezorgder tot hij besluit om naar Namibie te gaan.

Dat hij echt op zoek is en geen rookgordijn probeert op te trekken, wordt duidelijk doordat hij lokalen betrekt bij zijn onderzoek. Als hij al lang had geweten waar Tirza was, had hij net zo goed in een toeristisch resort kunnen gaan liggen. Af en toe bellen met het thuisfront om de stand van ‘het onderzoek’ door te geven was voldoende geweest om de schijn op te houden (‘niks gevonden, nee, heel vervelend, ja, natuurlijk zoek ik verder’).

Dat hij specifiek déze mensen om hulp vraagt, leert ons dat hij hoop heeft zijn dochter te vinden. Hij heeft er immers geen enkel belang bij om lokalen te laten dénken dat hij zoekt, terwijl zij niet eens weten dat Tirza vermist is.

Door de montage van het verhaal krijgt de kijker steeds meer informatie over de relatie van Jörgen, Tirza, haar vriend en haar moeder. Af en toe zijn shots te zien van een worsteling en een meisje dat een prop papier in haar mond geduwd krijgt, maar niets laat ons denken dat Jörgen daarbij betrokken is. Sterker nog, gezien de zoektocht is het logischer dat dit is wat Jörgen vreest dat er gebeurd is.

Pas aan het einde wordt in één klap duidelijk hoe de vork in de steel zit. Daarom is de ontwikkeling van de gekte en hoe wij daar achter komen, niet zo’n interessant onderwerp in dit geval. Wél interessant is het om het effect van de psychose op het verhaal te bekijken.

In de vorige twee hoofdstukken was de stoornis de spil van het verhaal. Waren de personages niet psychotisch of schizofreen geweest, dan hadden beide verhalen niet bestaan. Niet voor niets is het in beide verhalen glashelder dat we met een stoornis te maken hebben.

In Tirza wordt dit nooit een zeker feit. Jörgen heeft ons de hele film lang laten geloven dat hij echt zocht, maar ís dat wel zo? Wist hij echt niet meer dat hij Tirza vermoord heeft en was hij echt in de waan dat hij haar zou gaan vinden? En maakt het uit of hij gek is of niet?

Het vertelde verhaal was niet veranderd als Jörgen gewoon een brute moord had gepleegd. Hij zou nog steeds zogenaamd kunnen gaan zoeken, al was het maar om de kijker te laten geloven in zijn onschuld.

Hebben we hier dan te maken met een psychose ‘voor de leuk’?

Nee: er is een verschil. Namelijk Jörgens motief en daarmee de dramatische dubbelheid. Die zou totaal verschuiven als Jörgen simpelweg zijn moord zou willen verduisteren:

Psychose:

Mijn dochter is verdwenen ik ga haar zoeken – Dat ze dood is is een vergeten feit, onbewust

                                                                                 wellicht wel aanwezig in zijn gedachten

 

Brute moord:

Ik heb mijn dochter vermoord – Ik doe alsof ik haar zoek zodat ze mij niet verdenken 

 

De kracht van dit verhaal is de terugwerkende kracht. Terugkijkend kunnen we denken dat Jörgen psychotisch was, of dat hij een brute moord heeft gepleegd en die al die tijd probeerde te verdoezelen. Als hij psychotisch was ten tijde van de moord, dan maakt hem dat sympathieker dan wanneer het een doelbewuste actie was. Al met al is ook híer het psychotische personage niet ‘zomaar voor de leuk’ geintroduceerd. Ook al ontdek je het pas aan het einde, het was al die tijd belangrijk.

Dus een gek is oké?

Het was in dit artikel niet de bedoeling om harde, algemeen geldende regels te vinden met betrekking tot gekke personages. Welke techniek ze per definitie interessant maakt en welke toevoeging te allen tijde de plank mis slaat, is na analyse van drie stukken niet te zeggen. Toch is er één techniek die voor alle besproken teksten geldt: alle drie de waanzinnigen zijn, hoe gek ook, in contact met de werkelijkheid. Ze verzinnen er dingen bij, vergroten de waarheid uit of plaatsen zichzelf op een abnormale manier in de werkelijkheid (bijvoorbeeld door zichzelf als koning te zien). Maar nooit zijn ze compleet los van wat er om hen heen gebeurt. Wellicht stuiten we hier toch op een algemeen geldende regel. Een gek die niet op de werkelijkheid reageert of daar in beweegt, is niet spannend. Van zo iemand kun je inderdaad alles verwachten. De enige reden om een dergelijk personage in te zetten is om zijn omgeving te laten zien. De wanhoop van zijn moeder bijvoorbeeld. Als hoofdpersoon sloopt hij je spanningsboog.

Een andere overeenkomst is dat de gekte in alle titels daadwerkelijk van belang is. Nergens  is de gek een nar of een clown, enkel toegevoegd om een lach op te wekken. De verhalen zijn stuk voor stuk afhankelijk van de waanzin, was er niemand gek dan zouden de verhalen óf niet bestaan (Dagboek van een waanzinnige en A beautiful mind) óf een andere betekenis hebben (Tirza). Toch zijn er legio titels te noemen waarin een (zogenaamde) gek alleen maar dienst doet als lachertje, bijvoorbeeld in de oude Commedia de’ll arte stukken. Daarbij is de gekte minder diep uitgewerkt en kan dus ook meestal niet worden gesproken van een psychoot of een schizofreen. ‘Gek’ of ‘domkop’ dekt dan beter de lading. Maar ‘de gek is dragend voor het verhaal’ geldt dus niet altijd.

De drie besproken stukken verschillen op een belangrijk punt, namelijk de reden dat de waanzin is ingezet. In Dagboek van een waanzinnige is de gekte het onderwerp. Het gaat alleen over Propritsjin en hoe hij langzaam gek wordt. Hoe de omgeving daarop reageert of door wordt beinvloed, daarvan heeft de lezer geen idee doordat Propritsjin vertelt vanuit zijn eigen kijkhoek. In Tirza is de waanzin juist aanjager, alles wat we zien is hoe het personage zich beweegt in zijn omgeving. Sterker nog, we weten bijna de hele film lang niet dat er ook nog een andere invalshoek is dan die van zijn omgeving. De betekenis van het verhaal staat of valt met het al dan niet gek zijn van Jörgen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het genre van de film ervan afhangt. Als Jörgen inderdaad psychotisch is, dan is Tirza een psychologisch drama. Is hij niet gek maar simpelweg berekenend, dan is de film eerder een whodunnit (toegegeven, de kijker krijgt dan wel érg weinig stof om zelf achter de waarheid te komen).

In A beautiful mind  wordt de kijker heen en weer geslingerd tussen Johns ontwikkelende schizofrenie (als we meeleven in zijn waan) en de reactie van zijn omgeving daarop (bijvoorbeeld wanneer hij zijn vrouw met kind tegen de grond slaat). De waanzin is in dit verhaal dus zowel onderwerp als aanjager.

Ook verschillen de titels wat betreft het moment en de manier waarop de kijker op de hoogte wordt gebracht van de waanzin. Dat Propritsjin psychotisch is, is vanaf pagina 1 niet te ontkennen. Hij is gek, daar gaat het hier om. Daarvoor hoeft de lezer geen diepgravend onderzoek te doen, noch is verstand van psychiatrische aandoeningen nodig. In A beautiful mind wordt van de kijker meer denkwerk verwacht. Na een uur wordt door de psychiater vastgesteld dat John Nash schizofreen is. De oplettende kijker zag al wel eerder dat er ‘iets’ aan de hand was, maar wat precies, dat was nog even gissen. Als ze hadden vervolgd met John in een spannend en ultrageheim militair bolwerk, dan hadden we dat ook geloofd.

Dat Jörgen psychotisch is, of beter gezegd dat hij wellícht psychotisch is, ontdekken we pas in de laatste tien minuten van de film.

Toch draaien de titels stuk voor stuk om de waanzin van de hoofdpersonages. Of de kijker zich daar meteen van bewust is of pas met terugwerkende kracht, dat maakt blijkbaar niet uit.

Al met al behoorlijk wat mogelijkheden om een gek interessant in beeld te brengen. Om de stelling uit het eerste jaar te nuanceren: ‘een volslagen gek, iemand die niet meer reageert op of beweegt in de werkelijkheid, is niet interessant. Voor een personage dat de werkelijkheid betrekt in zijn gekte, bestaan er legio mogelijkheden’.

Schermafbeelding 2014-01-21 om 22.00.38

Literatuur

 

A beautiful mind. Reg: Howard, R., Scen: Goldsman, A., Dist: Universal Pictures, DreamWorks SKG, Imagine Entertainment, 2001.

Comer, R.J. Fundamentals of Abnormal Psychology. New York: Worth Publishers, 2008.

Gildemacher, I. Waanzin en Wartaal. Utrecht: 2002.

Gogol, N.W. ‘Dagboek van een krankzinnige’. Verzamelde werken: deel II. Vert. Timmer, C.B. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1962.

Tirza. Reg./Scen: Berg, R. van den., Dist: FuWorks, 2010.


[1] Gildemacher, I. Waanzin en Wartaal. (Utrecht: 2002), P. 9

[2] Comer, R.J. Fundamentals of Abnormal Psychology. (New York, 2008), P. 339

[3] Comer, R.J. Fundamentals of Abnormal Psychology. (New York, 2008), P. 340

[4] Gogol, N.W. Dagboek van een krankzinnige (Amsterdam, 1962) P. 53

[5] Gogol, N.W. Dagboek van een krankzinnige (Amsterdam, 1962) P. 70

[6] Gogol, N.W. Dagboek van een krankzinnige (Amsterdam, 1962) P. 77

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *