Dakhebbers
5th Jan

De Dakhebbers

Het lijkt overdag wel donkerder dan ‘s nachts. Zwarte wolken hangen boven de stad. Een droge, koude lucht kruipt door de kieren van mijn jas. Snel lopen heeft geen zin, omdat de straten veranderd zijn in een moeras van half gesmolten sneeuw. Je wil niet uitglijden en met je rug in die bagger terecht komen. Dus houd ik het op voorzichtige stappen. Ik wil naar huis. Een kop thee, of een kop koffie, mijn doorweekte schoenen uitschoppen en bij de haard gaan zitten. Maar het duurt nog wel even voordat ik daar ben.

Ik moet eerst de winkelstraat uitlopen; daar staat aan het einde een man in vodden, met een warrige baard en een verknepen bakje om zich heen te kijken. Hij rilt, net als ik. Maar hij staat stil. Ik moet langs hem lopen. Nog een paar stappen voordat hij me ziet. Ik houd alvast mijn adem in, ga in mijn hoofd door de meelevende, verontschuldigende blik die ik aan hem kan geven in plaats van geld. Want ik ga hem natuurlijk geen geld geven, zo’n dakloze. Die heeft daar toch niets aan, dat is een druppel op een gloeiende plaat. Of hij geeft het uit aan drugs, of aan drank, en in dat geval draag ik zelfs bij aan zijn toestand. Dat wil ik toch niet op mijn geweten hebben?

Dan komt een gedachte bij me op. Als geld de oplossing niet is, kan ik de dakloze dan op een andere manier helpen? Ik kan best naast hem gaan staan, en in plaats van koude munten geef ik hem aandacht en respect. Ik knoop een gesprek aan over wat dan ook. Het weer. Het leven. Die nieuwe bioscoopfilm, die ik net heb gezien. Of de twijfels die ik ervoer voordat ik naast de dakloze kwam staan.

Bij bepaalde daklozen, die daklozen met een doffe blik, met van die bodemloze pupillen waarachter niets lijkt te branden, zie je tijdens een kort gesprek iets bijzonders gebeuren. Ze worden wakker uit een soort winterslaap. Als je een dakloze behandelt als een mens, worden ze dat ook meer en meer. Is het trouwens niet idioot dat er nog steeds mensen op straathoeken staan te bibberen? Dat is toch geen doen voor onze verheven, ontwikkelde samenleving, die verdraagzaamheid voor alle mensen predikt?

De dakloze heeft me gezien. Ik schrik een beetje als we oogcontact maken. Ik stap op hem af – voorzichtige stappen – en bereid me voor iets nieuws te proberen. De dakloze heft zijn bekertje. Ik heb geen contanten bij me, zeg ik. Ik blijf staan. We hebben een kort gesprekje over het weer, over de kou. Hij vraagt of ik van de coffeeshop kom. Ik zeg dat ik van school kom. Hij heeft het over genegeerd worden en koude handen, dus ik blijf nog even met hem babbelen. Over onzinnigheden. Dan krijg ik het toch echt te koud. Ik zeg dat ik weer doorloop. Hij vraagt om een knuffel.

Ik omarm hem. Dan loop ik met grote stappen weer door.

Waarom heb ik hem niets aangeboden? Waarom ben ik te laf om mijn altruïsme te doen gelden? Ben ik wel een goed mens, als al mijn voornemens bij gedachten blijven? Zou het geen zin gehad hebben om hem mee te nemen naar mijn huis? Ik had hem ook een kopje koffie of thee kunnen geven, hem neer kunnen zetten bij mijn haard. Daar hadden een goed gesprek kunnen voeren. Het kost mij verder niks. Ik hoef het systeem niet om te gooien, of iets groots aan de maatschappij te veranderen, om hem een avond te helpen.

Het kan toch ook alleen maar leerzaam zijn? Moet ik me dan schuldig voelen?

Welnee. Het is naïef  om zomaar een dakloze in huis te nemen. Daar los ik niets mee op: ik stel het probleem van die man alleen maar uit.

We leven in een maatschappij waar goed gedrag beloond dient te worden: dat zou betekenen dat de mensen die het meest welvarend zijn, dus ook de ‘beste’ mensen zijn. En andersom precies zo. De mensen met wie het slecht gaan, verdienen dat.

Dat is natuurlijk een belachelijke gedachtegang. Maar het schuilt wel ergens in mijn onderbewustzijn. Misschien ben ik wel opgevoed om minderbedeelden te negeren.

Stel dat er morgenmiddag bij me wordt aangebeld: de dakloze heeft mijn portemonnee op straat gevonden. Onwennig laat ik hem binnen en bedank hem. Ik bied hem alsnog een kop koffie aan. Hij heeft liever bier. Dat heb ik gelukkig, dus niet veel later zitten we samen op de bank en hebben we het over mijn ongemak. De dakloze begrijpt het wel, en al snel verdwijnt de spanning die in de lucht hangt. Het blijkt een aardige vent, die zichzelf voorstelt als Migg. Ik laat hem douchen. Hij kamt zijn immense baard. Zonder de vuile buitenlaag komt een sociale, scherpzinnige, cultureel bewuste man naar boven. We hebben minder oppervlakkige gesprekken.

Als het buiten donker en koud wordt zitten we inmiddels aan ons zesde bier en is het alsof we elkaar al lang kennen. We beginnen beiden honger te krijgen, dus we bestellen pizza.

Even geen zin in koken. Migg en ik eten onze buik vol: Migg bedankt me nogmaals. Onzin, zeg ik hem; het is alleen maar logisch dat hij mee mocht eten. We lachen wat, we hebben het over de maatschappij en wat er fout is met de dakhebbers. We beginnen aan ons achtste bier. Het is immers zaterdag. Als het plots laat in de nacht is, en we allebei met een gonzend hoofd besluiten dat het tijd wordt een einde aan de dag te knopen, biedt ik hem mijn bank aan. Ik ga hem niet dronken de winterse koude in sturen.

De volgende dag maak ik een stevig ontbijt. Het voelt vreemd om Migg weer terug naar buiten te sturen. Het is een intelligente, sympathieke kerel. De ochtend wordt middag en die avond delen we opnieuw een biertje. Maandag heb ik toch maar één lesuur. Migg laat me zien hoe je vanuit je woonkamer kan leven. Hij is gewend met weinig genoegen te nemen: ik leer een nieuwe manier van het leven inrichten. School past daar moeilijk in. Het beweegt steeds meer naar mijn ooghoeken: uiteindelijk draait het leven toch om plezier hebben, op de bank zitten, bier drinken en praten over onze ervaringen. Geld is een abstracte, loze afspraak die eigenlijk voornamelijk tot sores leidt.

Migg en ik zitten het grootste deel van de dag op de bank en drinken steeds goedkoper bier. De dag erna doen we hetzelfde. De weken die daarop volgen is een herhaling van zetten. Op den duur wordt de elektriciteit afgesloten, het gas werkt niet meer. Maar we hebben genoeg dekens en kleren om het warm te houden. Migg blijft dezelfde, goed verzorgde ex-dakloze, die uiteindelijk zijn baard scheert en een baan neemt. Ik ben een zwerver in mijn eigen huis geworden.

Goed, dit ben ik niet. En dit is mij niet overkomen. Dit is de ervaring van het personage Tom, uit de derde aflevering van de serie Inside No. 9. Er zijn talloze verhalen over daklozen, waarin op de een of andere manier wordt verklaard dat daklozen met een zekere reden dakloos zijn. Ze zijn ofwel krankzinnig, ofwel verdienen hun slechte situatie omdat het doortrapte, sluwe mensen zijn die misbruik willen maken van je goedaardigheid. Het is frappant hoe weinig daklozen positief worden afgeschilderd in de media. Heeft dat iets te maken met de verkilling van de samenleving, de groeiende individualiteit?

Willen we onze onverschilligheid rechtvaardigen met dit soort fabels?

Er is naast dit alles nog het archetype straatrat met een hart van goud, dat indruist tegen het stereotype van doortrapte of hopeloze schavuiten. Vaak is deze straatrat immuun voor goedaardigheid; hij is getrouwd met de straat, en leeft in een romantische droom. Hij is goed aangepast aan zijn omgeving en zou, als hij de keus krijgt, ook niet voor iets anders dan zijn struinersbestaan kiezen. Dus al zou je een dakloze ontmoeten die je nooit kwaad zou doen, kooi je hem eigenlijk alleen maar door hem te helpen.

Ik loop nog steeds door de winkelstraat, met de pas geknuffelde dakloze een paar meter achter me. Nog een harde wind steekt op en natte hagel slaat neer op de daken om me heen. Ik haal mijn neus op. Uiteindelijk willen we ook gewoon geen daklozen op straat hebben.

Ze halen het straatbeeld naar beneden, het is een broedplaats voor criminaliteit, verhoogt het gevoel van onveiligheid en ongemak. Mensen die op straat leven, gaan in feite in tegen de regels van ordelijkheid die we in de samenleving hebben. Straten zijn geen plek waar je een woning van mag maken. Het is niet de bedoeling dat je zomaar aan vreemdelingen geld vraagt.

De stegen en brugholtes zitten vol pushfactoren, omdat het simpelweg ook niet de bedoeling is dat je daar gaat slapen. We moeten daklozen niet louter in leven houden zodat ze onderaan de mensheid blijven bungelen. We moeten daklozen niet het idee geven dat ze, ongeacht hun drugs- of drankgebruik, wel op hulp kunnen rekenen. Een strengere aanpak van het daklozenbeleid moet de ongelukkigen ook daadwerkelijk stimuleren verantwoordelijkheid te nemen en iets van hun leven te gaan maken.

Het moet vanaf dag één duidelijk zijn dat ze het niet gaan overleven als ze niet hun uiterste best doen terug de samenleving in te krabbelen. Wie te lang blijft bungelen, verdient best hulp, maar in principe geen medeleven. Slachtoffer ben je in de eerste instantie. Alles wat daarna gebeurt is in zekere zin aan jezelf te verwijten. Als dakloze moet je werken, worstelen, ploeteren. Niet zitten en om geld vragen.

Door medelijden af te kopen met kleingeld, verantwoorden we een systeem van nèt genoeg hebben om in leven te blijven, maar nooit genoeg om dat leven weer tot een hoger plan te tillen. Daarbij komt dat veel van de bedelende daklozen in het geheim georganiseerd zijn.

Je kent ze wel, die mensen met zwartwitfoto’s van hun gezin, identiek aan die van de vent die vijftien meter verderop staat te bedelen. Die bedelaars die het geld dat ze ontvangen van goedbedoelende voorbijgangers afleveren aan een soort werkgever. Zelf krijgen de bedelaars een fractie van het opgebrachte geld, of ze worden uitbetaald in andere stoffen. Als we stoppen met dit systeem voeden, houden ook die criminele kringen op. Tenminste, in die vorm natuurlijk.

De natte hagel is omgeslagen in talloze dikke sneeuwvlokken die als een vloedgolf door de winkelstraat tuimelen. De dakloze achter me niest. Kan je daadwerkelijk iets verkeerd doen als je een van die bende-bedelaars, in plaats van hem geld te geven, meeneemt voor een broodje en een kop koffie? Als je probeert een gesprek met hem aan te knopen, als je hem een menselijke warmte aanbiedt die ze nergens anders kunnen krijgen?

Is de beste motivatie voor daklozen om terug de samenleving in te komen, niet gewoon de uitnodigende armen van die samenleving? Het is goed mogelijk dat daklozen hun rug naar de maatschappij hebben gekeerd en moedwillig besluiten er geen onderdeel van uit te maken. Immers is het een onpersoonlijke, cynische wereld waarin menswaarde wordt gekoppeld aan inkomsten en je positie op de maatschappelijke ladder ook je morele validiteit bepaalt.

Misschien moeten we naar onszelf kijken om daklozen te helpen. Misschien is het niet eens een kwestie van brood of geld geven; misschien ligt het antwoord in de veel simpelere daad van het elkaar serieus nemen. Misschien is een dakloze nu en dan aanspreken en diegene laten weten dat je hem niet vergeten bent, wel genoeg om iets teweeg te brengen.

Dus, hoef ik dan geen dakloze in huis te nemen? Kan ik dan tot rust komen en in het achterhoofd houden dat emotionele warmte belangrijker is dan fysieke warmte?

Steeds als ik wegkijk van een bedelaar, mompelt iets in mijn hoofd dat ik eigenlijk iets moet doen. Kan ik die stem het zwijgen opleggen door van dat doen ‘praten’ te maken?

Ik bereik eindelijk mijn bushalte. Na een voorzichtige rit door de ijzige straten van Utrecht zit ik warm thuis. Mijn schoenen bij de haard gelegd, ik zelf met een kopje thee voor mijn raam.

Misschien maak ik wel van een mug een olifant. Volgens een telling van de gemeente Utrecht waren er in 2014 ongeveer 280 daklozen die een beroep deden op maatschappelijke opvang. Al hebben we het over 280 daklozen met een weinig veelbelovende toekomst, tegen een inwonertal van ruim 330,000 is het moeilijk een probleem te noemen. Volgens dezelfde tellingen is het aantal daklozen al jaren aan het dalen. Misschien willen daklozen wel niet geholpen worden en projecteer ik van alles op ze. Misschien moet ik mezelf ook wel helemaal niet belasten met een soort verantwoordelijkheid voor de daklozen.

Het is donker buiten. Ik voel de koude door het dichte raam naar binnen proberen te trekken, maar de moederhaard staat hoog. De natte neuzen van mijn schoenen wordt langzaam warm en drogen op. De kop thee verwarmt mijn handen. Na een tijdje ben ik de dakloze vergeten en richt ik me op mijn huiswerk.

Als er zou worden aangebeld zou ik hem zonder twijfel binnenlaten: het gebeurt toch niet. En zolang het niet gebeurt hoef ik me er ook niet druk over te maken.

  • August de Leeuw

Dit essay verscheen in de reeks Essays 2017-2018, eindteksten Beschouwend schrijven van de tweedejaars studenten van de Schrijfopleiding.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *