10th jan

De Druppel: hoe ik het zat was zat te zijn

Afgelopen zomervakantie heb ik een aantal popfestivals bezocht en ik ben een paar weekendjes met vrienden weggeweest. Het was leuk en de dagen eindigden altijd enorm dronken. Dan begon de nacht en ging er nog meer drank in. Je kijkt er niet van op. Ik ben 21 jaar, student en liefhebber van gezelligheid. Ik zal niet de enige jongere zijn die zijn zomer op die manier heeft doorgebracht.

Op 1 september werd ik, nog wat brak van de vakantie, weer op school verwacht. De studenten werden ontvangen met champagne om het nieuwe schooljaar in te luiden. In de eerste weken was de studielast nog niet zo hoog, dus was er nog veel tijd om na school wat te borrelen met klasgenoten en in de weekenden een club of café op te zoeken. Maar toen het weer wat drukker werd, ging ik nog net zo vaak borrelen – ‘we hebben weer zo hard moeten werken vandaag, dat pilsje heb ik wel verdiend’.

Na enige tijd betrapte ik mezelf erop dat ik vaak niet alleen voor de gezelligheid of ‘voor de lekker’ dronk, maar ook steeds meer uit gewoonte. Bij het eten, tijdens een filmpje of zelfs alleen al omdat de rode wijn in de Bonus was. Ik bladerde eens terug door mijn denkbeeldige agenda en kwam tot de conclusie dat er, ook in de periode ná de zomervakantie, meer dagen waren waarop ik wel, dan waarop ik geen alcohol dronk. Soms bleef het bij een onschuldig drankje bij het avondeten, soms eindigde een vriendenavond ladderzat met opkomende zon.

Die lange avonden zorgden voor weinig slaap en veel katers; overdag was ik moe, concentratie had ik niet en de momenten waarop ik alcohol dronk, leken de enige momenten te zijn waarop ik het echt naar mijn zin kon hebben. Tot ik op een dag, tijdens de wekelijkse zondagochtendhoofdpijn, mezelf de vraag stelde: is dit nu goed voor me? Het drinken van één alcoholisch drankje zou al een negatief effect op je hersenen hebben – waar ben ik dan nu eigenlijk mee bezig? Het was genoeg geweest.

Veertig dagen
Ik besloot veertig dagen geen druppel alcohol te drinken. Voor altijd stoppen leek me een onrealistische uitdaging en volgens Nienke van der Putten van de Alcohol Infolijn voelt een “groot deel van de mensen die dertig of veertig dagen niet dronk […] zich fitter en scherper, sliep beter, viel af en had een betere huid.” Een goede nachtrust en een stralende huid zijn nooit mis en hoewel het vast al moeilijk gaat worden dat eerste biertje af te wijzen, zal het mij het meer dan waard zijn. Ik zal me straks, als nuchtere student, vast veel beter kunnen concentreren, er niet meer als een zombie bij lopen en me vaker gelukkig voelen.

Wat betreft de moeite met het afwijzen had ik gelijk. Al op de eerste avond van mijn voorgenomen veertig dagen zat ik met een vriend op een terras. Hij bestelde een bockbiertje; ik met tegenzin een koffie. Hoewel ik voor een groot deel van de avond jaloers naar zijn bierglas heb gestaard, was ik de volgende dag trots op mezelf dat ik mijn eerste dag in ieder geval succesvol alcoholloos had doorgebracht. Die week liep ik er nog eens tegenaan hoe regelmatig ik voorheen gewoontebiertjes en –wijntjes dronk, bijvoorbeeld bij het koken of ’s avonds op de bank. Nu dronk ik water, cola of radler 0.0%.

Dat weekend was de volgende uitdaging aan de beurt: het eerste verjaardagsfeestje. Na twee sinas was ik wel weer klaar met de zoetigheid en de rest van de avond heb ik water gedronken. Veel anderen dronken uiteraard wel alcohol. Ik merkte wat voor effect dit op de mensen om mij heen had en hoe anders ze zich aan het eind van de avond gedroegen ten opzichte van het begin van de avond. Hoe de niveaus van de gesprekken daalden terwijl het volume steeg. Voor het eerst zag ik door nuchtere ogen wat een andere mensen mijn vrienden werden wanneer ze gedurende een avond het ene biertje na het andere dronken. En ik dacht na over hoe ik zelf ook zo vaak een van hen ben geweest.

Vervolgens zijn we zelfs nog uitgegaan en ik zag de hele club vol staan met mensen die een waas voor hun ogen leken te hebben door alle drank die zij al op hadden. Aan het eind van de avond nam ik de taak op me een stomdronken vriend die bij me in de buurt woont naar huis te begeleiden. Al bij het pakken van zijn fiets stootte hij er drie andere om. Op de fiets naar huis slingerde hij over de weg en zong hij liedjes. Ik was moe en dacht na over hoe idioot het eruit zag. En over hoe vaak ik zelf zo lallend naar huis ben gefietst.

De nuchtere kater
De ochtend erna was ik moe. Ik had een kater. Niet van de alcohol, maar ik had het alsnog erg laat gemaakt. Ik had een te korte nacht gehad en was zeker niet fit. Had ik een leuke avond gehad? Ja, het was best gezellig. Maar het was een stuk minder leuk dat ik me kon herinneren van eerdere stapavonden. Ik denk dat mijn vrienden die wel dronken een leukere avond gehad hebben. Zij hebben nu ook een kater. Ja, zij hebben zich dan wel totaal voor schut gezet met hun dronkenmanschap, maar voor wie? Alleen voor mij, de enige persoon die niet dronk. Ik was de enige die op dat moment vond dat hun door alcohol beïnvloede gedrag vrij idioot was.

Na een paar weken was ik redelijk gewend geraakt aan mijn alcoholonthouding. Water is de beste dorstlesser, thee is er in vele smaken en ook alcoholvrije bieren blijken in verschillende variaties verkrijgbaar. Ook aan de opmerkingen, grapjes en vragen over mijn uitzonderlijke gedrag wende ik. Ik leerde omgaan met het feit dat mijn vrienden veranderden naarmate het later op een avond werd en ik liet ze maar gewoon hun gang gaan. Maar voelde ik me zonder alcohol fitter? Energieker? Gezonder?

Nee.

Ik heb een tijdje gedacht dat het ontwenningsverschijnselen waren en ik afhankelijker was van alcohol dan ik dacht. Maar na een paar weken was ik gewend geraakt aan het niet drinken ervan en vond ik het niet meer heel moeilijk om om alcoholvrije alternatieven te vragen aan de bar. Als ik echt zo verslaafd was, dan zou ik daar wel meer moeite mee hebben, dacht ik zo. Toch was ik van de terugkerende futloosheid, ontbrekende energie en het constante concentratiegebrek nog niet af.

Behalve dat ik bier en wijn verving door water en cola, had ik mijn levensstijl namelijk niet veranderd. Ik ging nog net zo vaak (zij het alcoholvrij) mee borrelen, stappen en feesten. En ik maakte het steeds net zo laat als voorheen. Wanneer ik in mijn alcoholperiode na zo’n feestje onuitgerust wakker werd, gaf ik de alcohol de schuld. Nu had ik nog steeds een kater, maar geen zondebok. Intussen brak er op mijn studie een drukke periode aan, maar mijn concentratie – en daarmee motivatie – was ver te zoeken. Terwijl ik mijn best dacht te doen fit te zijn, kreeg ik een averechts effect: ik voelde me nog beroerder dan voorheen.

En toen?
Toen waren de veertig dagen voorbij. Vooraf had ik gedacht dat die anderhalve maand me direct positieve resultaten zou brengen. Dat mijn kijk op alcohol zou veranderen. Dat ik er als een bewustere drinker uit zou komen. Op de eerste dag dat ik weer mocht drinken stond toevallig (ja, echt) een studentenborrel gepland. Het was de ultieme test. De uitkomst? Ik was die avond dronken als vanouds (en dan nog ietsje meer).

Dit was een donderdag. Op vrijdag was ik opnieuw dronken. Op zaterdag weer. De volgende maandagochtend zat ik weer brak in de schoolbanken. Maar écht verschil met de voorgaande weken voelde ik niet. Want nog steeds was ik moe, futloos, ongeconcentreerd.

Maar het bier ging er weer goed in. Op school werd het nog steeds drukker en bovendien werden de dagen inmiddels korter en donkerder en ook de feestdagen kwamen er weer aan. Iedereen leek wat van me te willen. Ik had stress, ik zat vol. Maar toen eenmaal de kerstvakantie was aangebroken, liet ik me toch door mijn vrienden overhalen die vrije dagen te gebruiken om weer veel mee te gaan stappen en feesten en dus weer veel te drinken en weinig te slapen.

De opstapeling van dit alles deed me vanzelfsprekend geen goeds. Voor de schoolopdrachten die ik nog had liggen – zoals dit essay – had ik nooit eerder zo weinig motivatie, op de dagen dat ik wel op tijd in bed lag kon ik ook niet goed slapen en oude rugklachten kwamen terug. Maar bovenal was ik wanhopig. Een tijd geleden dacht ik een makkelijke oplossing te weten voor al deze problemen. Want ik dronk veel, dat is slecht voor je, dus als ik stop met drinken verdwijnen deze problemen. Maar nu ik mijn veertigdagenexperiment er zonder direct resultaat op had zitten, geloofde ik hier niet meer in. Wat moet ik nu?

Dé oplossing
“We moeten allemaal stoppen met het drinken van alcohol. Kijk maar naar mij. Ik was futloos, lamlendig, ongeconcentreerd, ongelukkig. Ik stopte veertig dagen met alcohol en voelde me als herboren. Ik heb nog nooit zo lekker in mijn vel gezeten en dat raad ik iedereen aan.”

Dat was de conclusie waarmee ik lang geleden gehoopt had dit essay af te sluiten. Maar helaas. Ik heb eraan gedacht het helemaal over een andere boeg te gooien:

“Drink zo veel en zo vaak alcohol als je wilt. Het maakt niet uit of het ongezond is; het niet drinken ervan is geen garantie dat je wel gezond bent. Kijk maar naar mij. Ik stopte veertig dagen met drinken en wat gebeurde er? Niets. Helemaal niets anders dan toen ik wel dronk, alleen leken de mensen om me heen het meer naar hun zin te hebben dan ik.”

Laat ik even eerlijk zijn. Hoe geloofwaardig ben ik als ik dát de wereld in help? Er zijn genoeg factoren die ervoor kunnen zorgen dat je je moe en leeg voelt. Zoals slaaptekort, slechte voeding, hoge werkdruk, of – jawel – alcoholgebruik. Het was naïef van me om te denken dat enkel door te stoppen met drinken die problemen zouden verdwijnen. Zeker in slechts veertig dagen. Stoppen met drinken is niet dé oplossing. Het is onderdeel van een grotere oplossing. Het kan één stap zijn. Denk ik. Maar wie ben ik om daarover dit soort uitspraken te doen? Ik heb hierover, zoals je leest, nog erg veel te leren.

Dit essay verscheen in de reeks Essays 2017-2018, eindteksten Beschouwend schrijven van de tweedejaars studenten van de Schrijfopleiding.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *