wildgeese
4th Jan

Do you love me now?

Dit is een liefdesbrief, maar geen typische liefdesbrief. Ik wil graag vertellen hoe ik aankijk tegen liefde en wat het voor mij betekent om verbonden te zijn met mensen of hoe ik denk dat misschien ooit echt te kunnen vinden. Voordat ik begin wil ik iets vertellen en het betekent veel voor mij: Ik heb me ergens altijd alleen gevoeld. Alsof mensen mij gewoon niet begrijpen. Alsof ik de werkelijkheid anders, heftiger en complexer ervaar dan anderen, simpelweg omdat ik gezegend/vervloekt ben met een hyperactieve grijze massa. Het is cruciaal om te onthouden bij wat ik nu ga vertellen. Het is namelijk mijn vertrekpunt.

We worden vanaf jongs af aan opgevoed met het idee dat we uiteindelijk bij iemand terecht gaan komen, met wie we vanaf dat moment de rest van ons leven zullen delen. Huis, tuin met een boom, beest, kinderen, twee auto’s op de oprit en drie keer per jaar op vakantie, je kent het wel. Deze beelden zien we niet alleen in ons dagelijks leven op straat, maar worden ook van alle kanten bevestigd en onderschreven in de moderne media. De knappe jongen en het aantrekkelijke meisje die in één oogopslag verliefd worden, daar in eerste instantie niet mee om kunnen of willen gaan, maar op het moment suprême toch bij elkaar komen en elkaar eeuwige trouw beloven.

De mens; verhalenverteller at heart

Ik ben klaar met naar de liefde kijken als één groot verhaal. Te lang heb ik gedacht dat liefde maakbaar is. Dat ik, als ik er lang genoeg over nadenk, een soort ultiem principe kan vinden in liefde. Dat er één manier van ervaren is die beter is dan alle anderen. Maar hoe ben ik daaraan gekomen? Hoe is het zo gekomen dat ik mezelf dat verhaal vertel? Waarom is de zoektocht naar de ‘waarheid’ van liefde zo fundamenteel geweest in mijn leven? Ik kan me soms niet aan de gedachte onttrekken dat dit er mee te maken heeft dat ik me zo vaak alleen heb gevoeld.

Ik heb altijd vertrouwen gehad in de liefde, in ons vermogen om ons aan elkaar te verbinden en door te delen meer te worden dan de som van de delen. Maar ook als iets om de donkere kant van het leven te balanceren en van wat lichte streken te voorzien. Werkt daarvoor het monogame ideaal? Is het nodig om aan één persoon verbonden te zijn om echt de diepte in te kunnen, van zowel de eigen persoonlijkheid als de relatie?

Liefde is een narratief dat we onszelf vertellen, we noemen het niet voor niets ons liefdesleven als we erover praten. Alle relaties en ervaringen zijn in dat verhaal aan elkaar verbonden en verenigd op zo’n manier dat het zo rond mogelijk is en past bij ons wereldbeeld en onze verwachtingen van het leven en de liefde. In een poging de chaos van het leven te controleren vertellen we onszelf een verhaal en willen we daarin bevestigd worden. Op de een of andere manier heeft het voor mij altijd zo gevoeld dat bij dat verhaal een bepaalde structuur hoort, een gesloten structuur die alleen al door zichzelf te zijn een bepaalde verwachting afdwingt. Liefde, een verhaal in vijf bedrijven. Is die verwachting altijd realistisch? Past hij bij wie ik ben? Of is het toch vooral mijn onzekerheid die hier leidend is?

Tot de dood ons scheidt

 Juist om die reden voelt trouwen voor mij heel vreemd. Ruim een jaar geleden ben ik samen gaan wonen met mijn toenmalige vriendin en tijdens het koken zei zij tussen neus en lippen door iets in de trant van: “En als we dan getrouwd zijn…” waarop ik meteen dacht; ik wil helemaal niet trouwen. Misschien was de discussie die daarop volgde wel het begin van het einde, dat we er toen (pas) achter kwamen dat we op een fundamentele manier anders nadenken over de liefde en het leven. En dat zit er voor mij in dat de monogame verwachting die bestaat in de samenleving voor mij niet goed voelt en dat ook nooit heeft gedaan.

Pas met de opkomst van de Verlichting en vooral de Romantiek is het ideaal van romantische liefde en zelfbeschikking in de liefde echt ontstaan. Het idee dat we met iemand trouwen omwille van de liefde bestaat nog niet zo heel lang in onze samenleving. Het is een product waar zelfbeschikking voorop is komen te staan. Daarvoor had trouwen een aanzienlijk materialistisch component; het in de familie houden van bezit of het sluiten van verbonden.

Ik voel die materialistische verbinding nog steeds heel erg als het gaat om relaties. Bij mezelf, maar ook bij anderen. Ik voel bij mezelf de behoefte om vanuit onzekerheid en controledwang te denken in termen van bezit. “Ik wil dat jij van mij bent”. Zowel in de pure vorm als in de ontkenning daarvan. In dat verhaal over ons liefdesleven zijn we zoals gezegd op zoek naar bevestiging, maar ook naar controle. Ergens weten we allemaal dat het leven en de liefde niet oneindig zijn. Al is het omdat we allemaal doodgaan. Maar toch willen we het controleren, begrijpen, vast kunnen houden.

Het verhaal en de werkelijkheid

Ik heb me altijd alleen gevoeld omdat ik vrijwel nooit in het moment ben geweest of kon zijn, maar altijd in gedachten – in gesprek met mezelf en anderen. Ik leef het verhaal van mijn leven op die manier en niet mijn leven zelf. Taal bestaat bij de gratie van de realiteit en om de realiteit te beschrijven. Daarmee is taal altijd slechts een verwijzing. Er zijn echter dingen in de realiteit – gevoelens bijvoorbeeld – die niet of nauwelijks in taal te vatten zijn. Valt liefde ooit echt te vatten in taal? Zonder het te reduceren tot abstracte concepten (een diep en warm gevoel dat mensen aan elkaar verbindt?) of juist te specifieke voorbeelden (die ene keer dat ik zoende met dat meisje en dat ik dat warme gevoel vanbinnen kreeg). Ik denk dat dat er mee te maken heeft dat dit over het algemeen dingen zijn die niet fysiek aanwijsbaar zijn, maar slechts verondersteld worden er te zijn. In die zin dat ik nooit zeker kan weten dat een ander ze ervaart zoals ik.

Recentelijk beginnen de woorden ik hou van jou voor mij hun waarde te verliezen. Ik vind steeds meer het vertrouwen dat er iets achter weten bestaat, achter taal. Dat dieper gaat en directer is dan woorden. Als je met iemand samen bent en je houdt van elkaar dan voel je dat toch? Waarom zou je het dan nog zeggen? Als bevestiging? Weten. Als erkenning? Weten. Uit onzekerheid (Ik wil dat jij het terug zegt)? Weten. Ik zie het in je gezicht, je ogen als ze stralen en ik zie het in je handelingen, ik voel het in de warmte als je tegen me aanligt. Je hoeft het niet langer te zeggen en ik ook niet. Maar doe het af en toe toch maar.

De ironie wil dat de dingen die het meest onuitspreekbaar zijn op deze manier ook de dingen zijn die over het algemeen het meeste waarde lijken te hebben in ons leven. Dingen de we zo graag willen begrijpen en tastbaar willen maken. Maar kan dat wel? Ik denk dat het in ieder geval de aanleiding is om onszelf een verhaal te vertellen, zodat we ook emoties en gevoelens een plek kunnen geven in onze gedachten. Vanuit ons wereldbeeld kunnen we daar denk ik verklaren waarom anderen zich zo gedragen als ze doen, vooral als ze iets doen dat we niet begrijpen of dat ons pijn doet. Als ook slechte dingen een oorzaak hebben, ontstaat de mogelijkheid om iets aan die oorzaak te doen en gebeurt het niet zonder reden.

Gedachten zijn voor mij steeds meer als taal op papier. Ik kan ze door mijn handen laten glijden, ernaar kijken en ervaren dat ze slechts een momentopname zijn, dat ze niet voortvloeien uit wat ik nu mee maak. Dat ze mij herinneren aan pijn en onzekerheid uit het verleden, die eigenlijk niets te maken hebben met wat ik nu doormaak of ervaar. Of dat het projecties zijn van de toekomst, een toekomst gevormd door verwachtingen van mezelf, maar ook heel erg van anderen. Daar, in die toekomst ben ik niet mezelf. Omdat het simpelweg onmogelijk is voor die toekomst om echt te zijn.

Terug naar mijn ex. In de veronderstelling dat wij later getrouwd zouden zijn zit een verwachting, een gedachtepatroon. Ten eerste heeft ze vanuit de ervaringen van anderen (ze is nog nooit getrouwd geweest) een beeld gecreëerd van wat samen zijn eigenlijk betekent en is daarbij uitgekomen op een bepaalde manier van samenleven. Een projectie van haar toekomstige en mijn toekomstige ik, samen. Zonder ooit aan mij gevraagd te hebben, in het nu of ik op dezelfde manier tegen trouwen aan kijk. In haar verhaal was dat zo. In de realiteit niet. Bijna iedereen die ik ontmoet vertelt zichzelf zo’n verhaal over de liefde. Omgekeerd is het ook zo dat ik onvoldoende heb gecommuniceerd heb hoe ik tegen het leven aankeek en er te makkelijk vanuit ging dat we die verschillen wel zouden overbruggen (omdat de Liefde – met een hoofdletter en dus abstract – sterk genoeg is).

In die tijd was ik ook nog veel meer mijn verstand, egocentrisch en vooral bezig met wat ik wilde en hoe ik me voelde. Ik was verstandelijk niet, waar ik gevoelsmatig misschien al wel was. Dit essay is dus net zo goed een logisch gevolg in een proces waar ik eigenlijk al jaren in zit als een verontschuldiging aan haar. Ik legde op dat moment mijn wereldbeeld (onbewust) aan haar op, net zoals zij dat bij mij deed. Allemaal vanuit het idee dat ons individuele wereldbeeld is wie wij zijn. En dat wereldbeeld is een verhaal, met een begin, een midden en een eind. En zo zit de wereld gewoon niet in elkaar. Oorzaak en gevolg blijkt vooralsnog vrijwel geheel een menselijk verzinsel – en daar is niets mis mee. Ik denk alleen dat het gezonder is om dat te erkennen. Dat er een bepaalde logica verondersteld wordt in onze samenleving, die helemaal niet zo logisch is en vanaf de grond af aan opgebouwd is door mensen.

Met talloze foute aannames over het leven die totaal ongefundeerd zijn behalve dat ze emotionele weerklank vinden in de onderbuik. Kijk bijvoorbeeld naar de behandeling van vrouwen, mensen uit de LGBQT-gemeenschap of mensen met een andere huidskleur. Ik kan niet anders dan concluderen dat dat gevoelens zijn die voortkomen uit onwetendheid, pijn, onzekerheid, wantrouwen of angst. Meestal een combinatie. Er is absoluut geen aanwijsbare reden dat dit logische gevoelens zijn. Er is voor zover ik weet geen tot nauwelijks verschil tussen mensen.

Dus probeer ik naar mijn gedachten te kijken en ze te zien voor wat ze zijn: patronen, nachtmerries, toekomstdromen, visioenen, smeekbedes. Om vervulling, uit lust, onzekerheid, pijn, jaloezie. Ons liefdesleven, of het verhaal dat we onszelf daarover vertellen, is voor mij een concrete uitwerking van de dat talige schild tussen mij en de werkelijkheid. Het verwijst er misschien naar, maar wel op zo’n manier dat het mij goed uitkomt en bevestigd in wat ik al meen te weten. Let wel, dat wil niet zeggen dat ik een positief wereldbeeld heb of dat het goed met mij gaat. Goed uitkomen kan net zo goed slechts betekenen dat het om bevestiging gaat van een negatieve situatie. Als ik om me heen kijk in onze samenleving valt het me steeds vaker op dat mensen liever naar hun eigen negatieve wereldbeeld praten dan te kunnen of willen accepteren dat hun wereldbeeld onjuist is. Als iemand aan de die structuur begint te rammelen betekent dat feitelijk dat alles wat je tot dan toe gedaan hebt en alles wat je nog zou willen doen ter discussie komt te staan. En dat vinden de meeste mensen, heel begrijpelijk, geen prettige ervaring. Dan is het toch alleszins makkelijker om gewoon dat te doen wat je altijd hebt gedaan en bewust (maar ook onbewust) aangereikt hebt gekregen. Hoeveel mensen zijn aan hun eerste relatie begonnen zonder dat ze al een behoorlijk ingevuld beeld hadden van wat een relatie zou moeten zijn of hoe je je hoort te gedragen in een relatie?

Laten we samen een droom bouwen

Monogamie of trouwen betekent voor mij nogal wat. Omdat we onszelf op zo’n unieke manier denken te verbinden aan anderen krijgt die relatie heel veel waarde, te veel waarde voor mij. Waarmee ik niet wil zeggen dat verbonden zijn niet uniek kan zijn.  De gedachte leeft nog steeds dat we één iemand vinden en daar de rest van ons leven bij blijven. In praktische zin word ik ondertussen ingehaald door de realiteit, waar steeds minder mensen langdurig samenzijn, mensen vaker scheiden en mensen überhaupt minder verbonden lijken te zijn. Dat neemt voor mij niet weg dat het romantische ideaal nog steeds diep in ons gemeenschappelijk geheugen (lees: wereldbeeld) geëtst zit en daar met al zijn verwachtingen en dromen en eisen een hele hoop ellende aanricht. Alleen maar omdat we samen iets op willen bouwen?

Wat betekent zeggen dat we samen iets op gaan bouwen? Dat anderen niet zullen veranderen en dat niet op een gegeven moment het moment kan komen dat we genoeg van elkaar krijgen. Om die negatieve emoties uit te sluiten willen we controleren en bevestigd worden. Zo lang je niet voorbij pijn en onzekerheid kunt kijken is het moeilijk om verbonden te zijn. Dat vraagt kwetsbaarheid en daar hoort voor mij bij dat je toe durft te geven dat de dingen zijn zoals ze zijn. Dat relaties niet oneindig zijn maar ook niet eindig. En dat de mogelijkheid bestaat dat je wereldbeeld niet klopt.

Ik heb vanuit die gedachte veel moeite met het idee van opbouwen in een relatie. Niet omdat ik geloof dat kwetsbaar zijn en verbonden zijn met elkaar niet uiteindelijk kan groeien tot iets groters, maar het zou ook goed moeten zijn als het dat niet doet.

Opbouwen veronderstelt voor mij een hele hoop. Als je gaat bouwen maak je eerst een bouwtekening, je levens- of liefdesverhaal. Je stelt je voor hoe de relatie zal zijn en probeert je verwachtingen zoveel mogelijk voldaan te krijgen. Op een gegeven moment kom je erachter dat je bouwtekening, in ieder geval ogenschijnlijk, overeenkomt met die van iemand anders. Dan kun je besluiten om samen te gaan bouwen, je beslist om een relatie te beginnen met diegene. En in het begin is het echt superleuk omdat de verliefdheid het wint van de planmatigheid en de controledrang die we uitoefenen. Maar op een gegeven moment zijn we zo emotioneel verbonden en kwetsbaar (zo voelt dat althans) dat we gaan denken in termen van bezit en het narratief om de mogelijkheid dat we gekwetst worden uit te sluiten. Terwijl we daarmee juist de anderen op afstand zetten. Omdat je in een verhaal dat je aan jezelf vertelt afstand neemt van de realiteit, die alleen tussen mensen echt bestaat en niet in je hoofd.

Verder gaat planmatig bouwen voor mij ook over het eindproduct. Als je beide plannen kunt samenvoegen tot één plan is er daarmee voor mij inherent een einddoel. Iets waarvan je samen zegt: “Daar willen we naar toe”. Maar als je halverwege bent en je bent veranderd, hebt nieuwe dingen gezien en/of meegemaakt dan is er niet of nauwelijks de ruimte om nog van de bouwtekening af te wijken. Uiteindelijk gaat het dus allemaal over de verwachting die ontstaat als je op deze manier nadenkt over de liefde.

Wat ik misschien uiteindelijk het allerergst vind aan bouwen is de veronderstelling dat ervoor altijd een verankering met het verleden bestaat. Als de toren staat voor een tijdspanne dan kunnen dingen nooit écht losgelaten of vergeten worden.  Accepteren we dat mensen veranderen en dat ze fouten maken? Als ik kijk naar de manier waarop we in de maatschappij, of in ieder geval in de media, naar elkaar kijken is het antwoord op die vraag voor mij volmondig: “Nee”. Bovendien wordt er mijns inziens weinig aandacht besteed aan de ondergrond waarop gebouwd wordt. Alsof het tegenkomen van de juiste persoon voldoende is om alle zonden en pijn uit het verleden weg te spoelen, de bodem te helen.

Als het doel is om met mensen samen te zijn en verbonden te zijn dan is het volgens mij noodzakelijk om flexibel te zijn en de dingen op hun natuurlijk beloop te laten. Een plan haalt die hele gedachte onderuit. En daarmee voor mij het idee van echt verbonden zijn. Maar misschien ben ik wel te cynisch. Er zijn nog steeds heel veel mensen die bewijzen wel samen te kunnen leven. Ik betrap mezelf er vaak op dat als ik naar stellen kijk die al langer bij elkaar zijn dat er op een bepaalde manier een status quo is ontstaan waar beide partijen zich meer uit gemak dan uit liefde bij hebben neergelegd. “Het is hoe het is, zo hoort het te zijn, het is ook niet normaal als het altijd goed gaat”. Steeds vaker komen de carrière, de kinderen, het huis, de hypotheek, de financiën of wat dan ook voor het welzijn van de relatie. Omdat dat zo hoort. Daarmee is dit niet (per sé) een pleidooi voor polygamie of polyamorie, het is veel meer een oproep om het leven te nemen zoals het is. Waarmee ik bedoel dat hoe je nu reageert niet per sé hoeft voor te vloeien uit hoe je in het verleden heb gehandeld of bent behandeld. Dat iets vroeger wel of niet werkte betekent niet dat het dat nu weer doet of weer zo zal gaan.

En daarnaast blijft door de liefde als een verhaal te zien, voor mij het gevoel overeind dat ik daardoor onnodig in het verleden blijf hangen, dat ik pijn en onzekerheid uit het verleden op die manier koppel aan wat ik op dit moment mee maak. Dat ik nu vergeet van iemand te houden doordat ik drukker ben met de mogelijke pijn van de toekomst die ik baseer op handelingen en verwachtingen uit het verleden.

Ik wil je nu en hier, niet later

Ik merk uiteindelijk altijd bij mezelf dat het voor mij in de liefde grotendeels om bevestiging gaat (of ging). Dat ik gezien wil worden en boven alles dat ik begrepen wil worden. Wat erop neer komt dat ik me verbonden wil voelen. Ik denk ik me daarom ook altijd zo alleen voel, ik associeer mezelf boven alles met mijn verstand en mijn intellect. Ik associeer al die materiële verplichtingen en verwachtingen net zo goed met mijn verstand. Waarom zou ik een duur huis moeten kopen met twee badkamers en twee auto’s? Omdat ik er gelukkig van word? Omdat het goed is voor mijn relaties met anderen? Ik weet het echt niet.

In mijn verstand voel ik geen verbinding met de realiteit – daar denk ik in beelden óver de realiteit. En ik denk dat dat voor velen van ons geldt. Dat wij voor alles nu geleerd krijgen dat we naar de stem in ons hoofd moeten luisteren; daar kun je het begrijpen – als je jezelf kritisch bevraagt. Thanks, Socrates. Met formules en stellingen is alles op te lossen. Maar dat is gewoon niet waar. De associatie met het verstand vind ik ook terug in de filosofie of het filosofische. Waar vijfentwintighonderd jaar filosofie voor mij vooral voor één ding staat: abstractie. Vanuit een diepgewortelde onzekerheid over ons hele bestaan zijn we op zoek naar dat wat we wel zeker kunnen weten of met stelligheid kunnen zeggen. Dat zit niet in het specifieke – omdat het specifieke altijd dat is: specifiek (naast een subjectieve ervaring te zijn), maar het in algemene en het grote. Een plek waar ik me dikwijls heb verscholen en nog steeds regelmatig verschuil. Als ik iets niet weet of niet kan oplossen/begrijpen probeer ik het te veralgemeniseren en te abstraheren om er tóch iets zinnigs over te kunnen zeggen. Vanuit het idee dat weten goed is en niet weten slecht. Vanuit het idee dat zekerheid goed is en zoeken niet. Waar weten aan de handeling (spreken) voorafgaat en zoeken de handeling is – gewoon beginnen met praten en kijken waar je gevoel je heen leidt zonder dat je van tevoren al weet wat je gaat zeggen. Of dat je drukt maakt of wat je gaat zeggen wel in goede aarde zal vallen.

De meeste ingewikkelde problemen die ik in een relatie (in de breedste zin van het woord) tegenkom zijn uiteindelijk alleen op te lossen in het moment. Waarmee ik bedoel dat er voor gevoelszaken in denken geen oplossing te vinden is. En geloof me, ik heb het geprobeerd. Over and over and over and over and over and over and over and over again. Ik denk dat ik dat soort problemen alleen kan oplossen door verbinding te maken. En om verbinding te maken moet ik aanwezig zijn. Met mijn gevoel en mijn ogen open. Geen hersensmog die me het zicht ontneemt en mijn gevoel kortademig maakt.
Of zoals Sarah Kane het verwoordt in het stuk Cleansed:

I love you now
I’m with you now
I’ll do my best, moment to moment, not to betray you now.
That’s it, no more. Don’t make me lie to you.

Deze vier regels raakten me al lang voordat ik bedacht had wat ik nu opschrijf. Ergens wist ik toch altijd al wat ze betekenden. Ik denk dat er twee manieren zijn om deze regels te lezen en ik denk dat de manier waarop je ze leest iets zegt over je beeld van de liefde. De eerste interpretatie is dat het een vluchtige liefde is, die onzeker is en vooral onzeker voelt. Die mogelijk zelfs pijn in zich draagt. Ik lees ze echter op een andere manier. Er is maar één plek waar je echt van iemand kunt houden en dat is het nu. Als je in het verleden of in de toekomst van iemand houdt hou je van een herinnering of een projectie van een mogelijke toekomst in je gedachten. Dus alleen door in het nu te zijn kun je echt van iemand houden. Dat is de enige echte ware liefde. Die er echt is omdat je samen in het nu aanwezig bent.

Ik lees het als realistisch en hoopvol. Stel je voor hoeveel aaneenschakelde keren nu je achter elkaar kunt hebben.

Ik denk dat de kans dan veel groter is dat je een langdurige en duurzame relatie met iemand anders kunt onderhouden. Simpelweg omdat het in het nu niet over verwachtingen kan gaan en over plannen. Ik wil echt absoluut niet zeggen dat je niet samen mag dromen of grote dingen kunt ondernemen. Kinderen krijgen, samenleven, op wereldreis gaan. Ik denk dat dat dingen zijn die het leven heel waardevol maken. Ik denk vooral dat het belangrijk is dat je elkaar blijft opzoeken, dat je geïnteresseerd bent in de ander, niet omdat je zelf bevestigd wil worden. Vanuit de liefde voor die ander en het besef dat, als het voor hun waardevol is het dat voor jou ook is. Als je jezelf toestaat om dat gevoel te delen, dan vloeien die ‘grote dingen’ waar ik het net over had ook op een veel gezondere wijze voort uit de relatie die je hebt opgebouwd. In plaats van dat ze voortvloeien uit het verhaal dat je jezelf vertelt. Omdat het erbij hoort en niet omdat je diep vanbinnen zeker weet dat je de juiste keuze maakt.

Emotioneel op slot

Ik denk dat tegenwoordig veel van ons op slot zitten. Emotioneel bedoel ik dan. Al die verwachtingen en eisen en gedachtes die door mijn hoofd gaan, of ze nou van mij zijn of niet, maken dat ik denk dat het heel snel over goed en fout gaat en dat die tegenstelling heel veel druk met zich mee brengt. En ik denk dat iedereen weet dat het een stuk moeilijker is om wat dan ook te doen als je het gevoel hebt dat het je heel erg goed moet doen. Waarom zou ik mezelf op die manier blokkeren in een relatie?

Ik ben klaar met bang zijn. Bang voor écht contact, voor echt aanraken. Voor verbonden zijn.
Klaar met bang zijn voor verwachtingen, en de verwachtingen die ik denk dat anderen van mij hebben.  Of voor woede, jaloezie en pijn. Emoties die eigenlijk helemaal niets met liefde te maken hebben, alleen maar onzekerheid. Ik denk dat die emoties bijna nooit van toepassing zijn op de situatie zelf.  Ze zijn altijd een herinnering aan eerdere (en grote) pijn Is het mogelijk om aanwezig te zijn in een relatie als ik meer bezig ben met de verwachtingen en daardoor altijd mezelf op een weegschaal zet?

Bovendien denk ik dat er iets inherent tegenstrijdigs zit in de situatie die ontstaat als je je leven samen te veel vertelt als een verhaal. Daarmee plan je de toekomst en teken je een verwachting in potlood, dik gekrast. Ik denk dat het ongelooflijk moeilijk is om iemand goed te kennen en op een plek te komen waar alles zeggen kan. Ik wil er wel geld op zetten dat er veel mensen zijn die het merendeel van hun gedachten niet uit durven spreken tegen hun partner. Bang voor een oordeel of voor pijn. Welk een mooier geschenk is te geven dan dat ze zichzelf kunnen zijn. Echt zichzelf. En niet die versie van zichzelf die het verhaal zegt dat ze moeten zijn om onzekerheid te maskeren. Het is tegenstrijdig omdat door de verwachting en op die manier van een persoon houden, die persoon gereduceerd wordt tot een droombeeld. Houden van betekent dat je vrij bent. Vrij om pijn te doen. Om moeilijk te zijn. Om het oneens te zijn. Houdt niet van de droom, maar van het echte exemplaar. Dat in levenden lijve voor je staat en uiteindelijk niets liever wil dan gezien worden. Dat zeggen wat hij of zij tegen niemand anders durft te zeggen. Behandel dat dan met respect in plaats van er onzeker van te worden. De durf die nodig is om moeilijke te dingen zeggen getuigen van zoveel liefde dat ze de onzekerheid over die liefde vrijwel altijd onschadelijk zou moeten maken.

Er zit iets inherent tegenstrijdigs aan de zin tot dat de dood ons scheidt. In die zin zit voor mij de ontkenning van het totale mens zijn. Die negeert dat dingen natuurlijk tot hun einde kunnen komen zonder te sterven, dat mensen uiteindelijk nietige imperfecte wezen zijn in een onvoorspelbare, wrede, razende en kolkende wereld. Dat de mogelijkheden onbeperkt lijken, maar dat eigenlijk niet zijn. Gaat gevangen voelen dan om de leegte of om het kader? Ik denk dat het antwoord op die vraag voor mij het kader is. Het kader is voor mij een product van het verstand, een mechanisme dat we bedacht hebben om controle uit oefenen en te manipuleren, om de leegte op te vullen. Ik wil dat niet meer.

Ik wil eerlijk zijn en open. Tegen iedereen. Wat mij op de been houdt is de gedachte dat wij elkaar nodig hebben, jij en ik. Dat wij uiteindelijk allemaal met elkaar verbonden zijn met een reden. En dat we als we dat weer (meer) terugvinden we iets herstellen dat we in deze tijd kwijt zijn geraakt. De liefde voor al het leven. De natuur, de dieren, de planeet. We maken alles kapot omdat we in ons verstand steeds meer van onszelf verwachten en eisen. We moeten het leven, de mensen, de kinderen hun waardigheid teruggeven. Niet langer tegen over elkaar staan, niet langer buiten sluiten, maar toe laten. Naast elkaar staan.

Als ik terugkijk op bijna 30 jaar leven en liefde, kijk ik een terug op een ravage. Gevuld met twijfel, pijn, onzekerheid, vermoeidheid en veel te veel gedachten en te veel tranen. Onder het juk van torenhoge verwachtingen. Ik weet dat ik hier niet alleen in ben. Ik zie het vrijwel elke dag gebeuren. Dat er meer mensen zijn die gebukt gaan onder de verwachtingen die het leven tegenwoordig stelt. En iedereen die niet past of meekan wordt keihard afgeserveerd en op zijn minst gedeeltelijk gedwongen mee te lopen in de pas van de meerderheid.

Tot stilstaan komen

Ik denk dat ik niet kan beweren dat monogamie niet werkt. Ergens in mij hoopt een gedeelte nog steeds dat het wel kan. Ik kan oprecht niet zeggen of dat mijn onzekerheid is of dat dat misschien is wie ik at the end of the day ben. Ik heb ook altijd gevoeld dat ik met meerdere mensen tegelijk verbonden kan en wil zijn, op ontelbaar veel verschillende manieren. Ik kan intens naar één persoon verlangen en het gevoel hebben dat dat voor nu genoeg is. Maar ik weiger om mezelf een verhaal voor te houden waar ik ontken dat ik en dat wij allemaal mensen zijn. Dat we inherent fragmentarisch denken, dat we het verleden, het heden en de toekomst met gemak door elkaar gooien en vervormen. Dat we fouten maken, impulsief zijn en van gedachten kunnen veranderen.

Voor mij voelt een verhaal met een positief einde niet als een realistisch verhaal, in zoverre dat het positieve verhaal mij uiteindelijk geen goed gevoel geeft omdat ik zie dat de muren geschilderde doeken zijn. De vele brandgaten maken het onmogelijk om nog in die farce te geloven. Ik vind juist vrede in het idee dat mensen zo zijn als ze zijn, dat ze ook onmogelijk ogende taken kunnen verrichten en zichzelf kunnen ontstijgen. Vanzelfsprekend in het moment en nooit in de toekomst. Ik vind vrede in het idee van balans. In Kwartet van Heiner Muller vond ik nog een ander voorbeeld van een zin die voor mij expliciet die waarden omvat die ik voel als het aankomt op de liefde.

‘Valmont Dood van een hoer. Nu zijn wij louter kanker, mijn geliefde.’

 Ik realiseer me dat het een vreemde zin is om te gebruiken in een stuk over de liefde. Op het eerste oog is het een behoorlijk beladen zin met een sterke negatieve connotatie. Ik weet niet goed hoe ik moet uitleggen wat ik precies bedoel als ik zeg dat ik dit schitterende zinnen vind. In de voorgaande scène noemt Merteuil Valmont een hoer, en indirect zichzelf ook. Dat is belangrijk om te weten, omdat ze daarna elkaar voor mij naar een hoogtepunt praten door een andere vrouw in gedachten te vermoorden. In de zin ‘Dood van een hoer’ zie ik zowel de verwijzing naar de andere vrouw als naar de hoeren die ‘dood’ zijn gegaan. Gekoppeld aan de Franse setting zie ik hier een verwijzing naar le petit mort ofwel het orgasme. Uiteindelijk gaat het mij echter om de laatste zin. Te beginnen met het nu, de acceptatie daarvan in de acceptatie dat zij zijn wat ze zijn. Kanker, een misvorming, een slechte mutatie. Door de omstandigheden of door wie zij zijn kunnen en mogen ze niet van elkaar houden. Maar dat doen ze toch. Om zulke donkere gedachten met elkaar te kunnen delen, het binnenste van de ziel te laten zien, dan moet er toch liefde zijn? en daarom vind ik de mijn geliefde zo mooi. Het stuk eindigt met het woord liefde. In een stuk waar liefde niet mag zijn, maar er zo overduidelijk voor mij wel is. Er zit precies om die redenen balans in die zin voor mij. Er is donker en er is licht. Er is hard en zacht. Er is liefde en haat. En in het nu verdwijnen die en zijn de woorden uiteindelijk slechts omhulsels voor iets groters. Ik kan me niet anders voorstellen dan dat dit stuk, dat zo ongelooflijk veel taal en afstand is eindigt met een moment in het nu. Waar niets anders dan liefde is. Geen taal meer, geen donker en geen licht. Alleen het nu.

Het gaat er niet om welk verhaal ik mezelf vertel over de liefde, het gaat erom dat ik me realiseer dat het dat altijd zal blijven; een verhaal. Zo lang ik mezelf associeer met dat verhaal associeer ik mezelf met mijn verstand. Het gaat voor mij om stilstaan. De tijd nemen voor dingen, geduldig zijn. En zoals ik al uitgelegd en voor het eerst zelf echt ervaren heb, een verhaal zit ofwel in het verleden ofwel in de toekomst. Daar zijn slechts de schimmen van wat was of dat nog zal komen. Daar is taal en taal leidt af, taal zegt nooit dat wat het wil, maar kan op zijn best alleen verwijzen naar dat ene moment. Dat ene cruciale moment voor de liefde, nee, voor het leven. Het nu. Alleen in het nu zijn de dingen echt.

Ik kan eigenlijk alleen maar eindigen met het gedicht dat nu mijn muur siert. Het symboliseert voor mij wat ik nu doormaak. Ik denk dat mijn wereldbeeld met veel gepiep en gekraak van zijn plek komt. Daarbij hoort het gevoel dat ik eindelijk mezelf kan zijn en daarmee ook beter voor anderen. Ik heb genoeg van de rat race die ik in het leven ervaar. Van het gevoel dat het altijd goed moet zijn, dat er altijd iets is om te veranderen of te doen aan je toekomst. Het maakbare ideaal dat zowel op identiteit als relaties van toepassing is. Maar dat er nooit tijd lijkt te zijn om stil te staan bij wat je doet en daar rust te vinden. Daarom dit gedicht. Het is van Mary Oliver en het heet Wild Geese.

 

You do not have to be good.
You do not have to walk on your knees
For a hundred miles through the desert, repenting.
You only have to let the soft animal of your body
love what it loves.
Tell me about your despair, yours, and I will tell you mine.
Meanwhile the world goes on.
Meanwhile the sun and the clear pebbles of the rain
are moving across the landscapes,
over the prairies and the deep trees,
the mountains and the rivers.
Meanwhile the wild geese, high in the clean blue air,
are heading home again.
Whoever you are, no matter how lonely,
the world offers itself to your imagination,
calls to you like the wild geese, harsh and exciting —
over and over announcing your place
in the family of things.

Ik hou van je.
Nu.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *