aardappelschilmesje
11th Okt

Dokter Van Der Steen en de Hartstochtelijke en Onherroepelijke Herovering van zijn Bloedmooie Hondsbrutale Vrouw Helena op een Jonge Blonde Schrijver: Een Feuilleton, Deel I

Ik ben helemaal klaar met jou, botterik, dacht Dokter Van Der Steen. En, balancerend tussen aangedaan en kwaad, smeet hij het aardappelschilmesje in de prullenbak. Zomaar. Zonder enige nadere toelichting. Zonder het mesje een kans te geven zich tegen zijn ongefundeerde accusatie te verdedigen. Nee. Het grondrechtelijke ‘onschuldig tot het tegendeel bewezen’ was hier allerminst van toepassing. Dat wist hij ook wel. Maar het leven is hard en oneerlijk, dacht van der Steen, bitter als een koekje. Zo gaan die dingen, ik heb genoeg aan mijn eigen problemen, zonder mij te bekommeren om het lot van een ongedienstig aardappelschilmesje. Schilt het niet, dan wilt het niet, zoals men ongetwijfeld ergens zou zeggen.

Met de nodige ernst op zijn gelaat staarde hij het mesje enige tijd na. Als een gevallen engel was het neergedaald in de duisternis van de prullenbak. Verstoten uit het rijk Gods. Het had er net zo goed niet kunnen zijn, of zijn geweest. Theatraal, als de eersteklas acteur die hij niet was – hij was immers een dokter – wendde Van Der Steen vervolgens zijn gezicht af, en liep hij langzaam achteruit, bij de prullenbak vandaan. Met een ruk draaide hij zich om en hij begaf zich naar zijn besteklade.

Hij opende de besteklade en begon er verstrooid in te rommelen terwijl hij door het keukenraam naar buiten keek. In gedachten zag hij een bloedmooie vrouw de straat oversteken en zijn huis tegemoet lopen. Zijn hart maakte een sprongetje dat hij ongepast achtte voor een man van zijn leeftijd en werklast. Het was toen dat hij zich sneed aan een verloren gewaande scalpel en tot de conclusie kwam dat hij zijn blik beter op de besteklade kon richten. Een aardappelschilmesje, een aardappelschilmesje, dacht Van Der Steen met zijn bloedende vinger in zijn mond, mijn koninkrijk voor een aardappelschilmesje. Maar hij vond er geen.

Met hangende schouders doch geheven hoofd – om de opwellende weemoed tegen te kleuren – nam Van Der Steen plaats aan zijn keukentafel. Voor hem stond een pan, gevuld met water, en daarnaast lag een gehavende, halfgeschilde aardappel. Hij nam de aardappel bedenkelijk in zijn doktershand.

Dit, de pan, de gehavende halfgeschilde aardappel, het kon niet anders dan hem toeschijnen als een metafoor. Een metafoor voor de precaire situatie waarin hij zich momenteel bevond. Een treurige metafoor voor de oneerlijkheid van het bestaan, zoals een stadsduif zonder pootjes.

‘Ik ben helemaal klaar met jou, botterik’, had ze geroepen en ze had de deur achter zich dicht getrokken. Door het keukenraam heen had Van Der Steen haar de straat over zien steken naar haar auto, haar lange, bruine haren wapperend door de wind en haar onmenselijke wandeltempo – door de luchtweerstand dus eigenlijk – ze had de autodeur opgetrokken, plaatsgenomen, met haar handen op het stuur geslagen, daarmee driemaal luid getoeterd, en was weggereden. Zomaar. Zonder enige nadere toelichting. Zonder hem een kans te geven zich tegen haar ongefundeerde accusatie te verdedigen.

Als paukenslag in leeg auditorium. Ja, zo was het, dat zij vertrokken was. Als paukenslag in leeg auditorium… Niet onlogisch, want de bloedmooie hondsbrutale vrouw die hem zojuist verlaten had – voor een ander, zoveel was duidelijk – was een uiterst getalenteerd percussioniste in een vooraanstaand orkest. De manier waarop zij haar stokken hanteerde sprak menig concertbezoekend man tot de verbeelding. Ook tot die van hem. Juist tot die van hem…

Na afloop van het concert had zijn goede vriend en collega Jan-Erik, met connecties in de kunstwereld, hem bij haar geïntroduceerd. Ze had zich voorgesteld als Helena. Alleen al haar naam had hem overrompeld. Dat had hij ook gedacht: alleen al haar naam overrompelt me, en dat wil ik, dat vind ik fijn. Ik ben als een vrouw, zij is Thierry Baudet. Overrompel me. Bij de gedachte aan Thierry Baudet had zij echter aan schoonheid moeten inboeten en hij had de vergelijking gelaten voor wat hij was: misplaatst.

Erik had hen vervolgens alleen gelaten en ze hadden de rest van de avond samen aan de bar doorgebracht. In het begin had ze geweigerd hem aan te spreken als Dokter Van Der Steen, hoezeer hij daarop ook aandrong. Glazen later was ze overstag gegaan. ‘Dokter Van Der Steen’, had ze gezegd met een minzame, uitdagende lach. En toen had hij het gevoeld, voor de eerste keer, het ongepaste sprongetje van zijn hart.

Van Der Steen kneep zo hard als hij kon in de aardappel in zijn hand. Maar hij kreeg hem niet kapot. Verslagen legde hij hem terug op tafel en in zijn ooghoeken voelde hij tranen opwellen die hij niet wilde huilen. Maar hij deed het toch.

Dit kan zo niet, dacht hij, terwijl hij zijn neus afveegde aan de schouder van zijn witte overjas. Hij kon haar niet zomaar uit zijn leven laten vertrekken. En hij stond op. Hij zou haar niet zomaar laten vertrekken. Hij liep naar de prullenbak. Hij zou haar terugwinnen. Hij stak zijn hand erin en viste het aardappelschilmesje van de bodem. Hij zou haar hartstochtelijk en onherroepelijk heroveren. Want wat bot was, kon geslepen worden.

(Hoe het verder ging: Een Feuilleton, Deel II.)

Reacties (1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *