whatsapp-image-2016-10-28-at-13-25-31
25th Okt

Dokter Van Der Steen en de Hartstochtelijke en Onherroepelijke Herovering Van zijn Bloedmooie Hondsbrutale Vrouw Helena op een Jonge Blonde Schrijver: Een Feuilleton, Deel III

(Wat vooraf ging: Een Feuilleton, Deel II.)

Van der Steen en Jan-Erik waren Helena en haar trommel vanaf het concertgebouw onopvallend gevolgd. Zo onopvallend zelfs dat het haast was alsof zij hun leven lang niets anders gedaan hadden dan opvallend volgen. Telkens wanneer Helena omkeek of overstak vouwden ze zich snel dubbel in de Fiat Panda en bleven ze ongezien. Van der Steen overwoog hierdoor een oriëntatiedag van de recherche te bezoeken. Misschien was het tijd om de medische professie vaarwel te zeggen. Eenmaal afgestudeerd zou hij zich ‘Master of Criminal Investigation’ mogen noemen en dat leek hem wel wat.

Jan-Erik was na het incident met de morfinepil echter op zijn hoede. “Je zit weer uit je nek te kletsen, Van der Steen”, zei hij. “Die titel, daar probeer je je alleen achter te verschuilen. Jij wilt helemaal geen rechercheur worden.”

“Wel als Helena dan bij me terug komt”, zei Van Der Steen. Zijn eigen woorden troffen hem als welgemikte bakstenen tegen de arm van een nietsvermoedend oud vrouwtje. Door de pijn verdoofd staarde hij uit het autoraam. Hij probeerde troost te putten uit de welgevormde billen van Helena, enkele tientallen meters voor hem, maar het lukte hem niet.

Wat is het toch een prachtige vrouw, probeerde Van der Steen nog eens in gedachten, en toen hij zich erop betrapte dat hij zijn vrouw opnieuw alleen op haar uiterlijke kwaliteiten beoordeelde, dacht hij: en een getalenteerde percussioniste. Want dat was ze. En dat hielp al iets beter. Of niet? Hij was nog steeds heel erg treurig. En… goddomme, wat was het ook allemaal moeilijk. Kon hij het helpen dat ze hem zo beeldschoon toescheen? Hij hield gewoon van haar, ook al kon hij die liefde niet precies definiëren, noch wist hij of het de juiste vorm van liefde was, áls die er al was.

“Waar denk je dat we mee bezig zijn?” vroeg Jan-Erik.

“Dat is waar, dat weet ik wel”, zei Van der Steen, “maar…”

“Je bent bang dat het niet gaat lukken.”

“Ja”, slikte Van der Steen.

“Volkomen begrijpelijk”, zei Jan-Erik.

Van der Steen keek hem met grote ogen aan. “Volkomen begrijpelijk?”

“Ah”, voegde Jan-Erik er haastig aan toe, “Ik bedoelde volkomen begrijpelijk, de angst – angst, is volkomen begrijpelijk.” Hij plaatste zijn rechterhand op de schouder van Van der Steen en met alleen zijn linkerhand stuurde hij de auto vaardig het straatje in dat Helena zojuist was ingeslagen. “Ik ben ook bang.” Dit was wellicht het moment geweest om te beginnen over zijn eigen morfineverslaving, maar Jan-Erik kon het gewoon niet over zijn lippen krijgen – hoezeer zijn hart er ook om schreeuwde.

“Dankjewel, Jan-Erik, je bent m’n beste vriend”, zei Van der Steen. En hij kuchte een zoals alleen een dokter van in de vijftig dat kan, want dat had wel heel kinderlijk geklonken. Hij waande zich pardoes op het klimrek of een schommel. En hij deed zijn best om dat niet erg te vinden.

Het was geen onaardige buurt waar ze zich nu in bevonden. Niet onaardig. Als je niet beter wist waren het allemaal grote, stadse huizen. Met daaraan vastgeketend bankjes om thee te drinken in de zon.

Helena, op de stoep, stond plotseling stil voor een hoge gevel, met een zwarte, stenen trap. Ze keek om zich heen – Van der Steen en Jan-Erik vouwden zich dubbel. Ze keken elkaar aan. Ongetwijfeld was dit de plaats van hun bestemming. Aan de rechterkant van het huis stond een gloednieuwe fiets met een kinderzitje.

“Goddomme”, zeiden Van der Steen en Jan-Erik tegelijk. Een vader. Een affaire.

“Zo laag had ik Helena nooit geschat” zei Jan-Erik met lichte walging in zijn stem, “een vader. Wat burgerlijk.” Van der Steen zei niets, maar hield zijn adem in en keek gespannen toe.

Nummer 23. Een huis met een grote trap. Jan-Erik maakte een verward geluid; “waar gaat ze doen?” vroeg hij. Toen ze het poortje náást de trap opende, dat met verdachte schwung open zwaaide. Een poortje dat hen nog niet eerder opgevallen was. “Wat gaat ze doen!?” Toen Helena door het poort stapte en naar beneden begon af te dalen. “Een trap naar beneden… een hellepoort.”

Naast het poortje stonden twee fietsen. Twee oude, versleten fietsen. Van het soort fietsen dat tweedehands aan de gracht voor grof geld op de kop getikt werd.  Dat kon maar één ding betekenen.

“Nee”, fluisterde Jan-Erik geschrokken. “Nee.”

“Ja”, zei Van der Steen schor, op het moment dat een Helena aan het zicht werd onttrokken door de schaduw van het trapgat. Een schaduw, met een studieschuld.

“Studenten”, verslikte Jan-Erik zich.

“Ja”, zei Van der Steen schor, “ze heeft een student.

(Wat daarna gebeurde: Een Feuilleton, Deel IV.)

Reacties (1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *