benediction-of-god-the-father-906557_640
6th Dec

Dokter Van Der Steen en de Hartstochtelijke en Onherroepelijke Herovering van zijn Bloedmooie Hondsbrutale Vrouw Helena op een Jonge Blonde Schrijver: Een Feuilleton, Deel IX

(Wat voorafging: Een Feuilleton, Deel VIII.)

De Jonge Blonder Schrijver begreep God nu. God was eenzaam en wanhopig. Altijd op zoek naar manieren om de aandacht van het publiek vast te houden, opdat ze Hem niet zouden vergeten. Dat bleek alleen zo makkelijk nog niet. Secularisatie, met haar verraderlijke vingers, greep om zich heen en er werd tegenwoordig ook steeds minder gelezen. Zowel hij als Hij was tot dezelfde conclusie gekomen. Er was maar één oplossing – hoe tijdelijk ook: die van de onverwachte verhaalingreep, de plottwist. De laatste poging om aan de vergetelheid te ontkomen. Met Hitler was God daarentegen echt te ver gegaan, schreeuw om hulp of niet. De Jonge Blonde Schrijver had Hem dit gezegd, en Hij had beloofd dat het niet weder zou gebeuren. De Jonge Blonde Schrijver geloofde er echter weinig van. Hij kende Gods grillen, en vice versa. De Jonge Blonde Schrijver gaf God een stevige knuffel en ging er weer vandoor, hij had nog een hoofdstuk te schrijven. “Was je baard”, zei hij Hem nog. Want wanneer God zich ongelukkig voelde zorgde Hij altijd slecht voor Zichzelf en Zijn gezichtsbeharing.

Anyhow, het was daarom dat de Jonge Blonde Schrijver zich nu in het ziekenhuis bevond. Wees niet bang, er was hem niets overkomen. Hij kwam voor zijn vader, die er zojuist was geopereerd. Het was een zware operatie geweest en de overlevingskans klein. Gelukkig was Helena, zijn nieuwe Muze, er geweest om zijn gedachten te preoccuperen. En, dankzij de handen van een kundig medicus, was zijn vader gered. Dokter Van Der Steen noemden ze hem. Een dienstdoende zuster verwees hem door naar kamer 1.14.

“Wat een held”, mompelde de Jonge Blonde Schrijver bij zichzelf, terwijl hij bij zijn slapende vader aan het bed zat. De hartmonitor stond geruststellend te piepen. Hij zou die Van Der Steen een dankbaar gedicht schrijven. Doe ‘ns gek, een sonnet. En hij begon ijverig te pennen als de kleine Shakespeare die hij was.

Dokter Van Der Steen en Jan-Erik zaten samen in de kantine. Van Der Steen lag met zijn hoofd op tafel.

“Kop op Van Der Steen”, probeerde Jan-Erik. “We hebben net iemands leven gered. We zijn dagelijkse helden. Goden te midden van simpele stervelingen.”

“Ik weet het, ik weet het”, zei Van Der Steen. “Maar ik heb geprobeerd hem te doden. Ik ben een monster.”

“Je bent een mens, Van Der Steen. Met menselijke emoties, woede en gekwetstheid zijn er daar simpelweg twee van.”

Van Der Steen ging rechtop zitten en sloeg nog maar eens op tafel. “Nee”, zei hij. “Godsamme, die broodjes kroket hier ook.” Hij kneep in het broodje. “Allemaal magnetronwerk. Slappe hap, lauwe kroketten, dit is het voorportaal van de dood. Wil jij de rest?” Jan-Erik bedankte voor het aanbod en liet de laatste hap van zijn broodje kroket ook maar voor wat die was.

“Ik ga een kijkje nemen bij de patiënt”, zei Van Der Steen. “Ga je mee?”

“Nee”, antwoordde Jan-Erik, ook tot zijn eigen verbazing. Van Der Steen vertrok. Door de wandelgangen, langs de zusters, waar hij een keertje loom naar wuifde. Met zeker twee van hen had hij seks gehad. Maar nu Helena bij hem weg was stond die gedachte hem opeens helemaal niet meer aan. Hij hield zijn clipboard voor zijn gezicht en liep stug door. “Dokter Van Der Steen, joehoe”, giebelde er eentje. Hij besteedde er geen aandacht aan, noch aan haar, en liep kamer 1.14 binnen.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *