coltsaa-4-75-inch-loopl-large
7th Nov

Dokter Van Der Steen en de Hartstochtelijke en Onherroepelijke Herovering van zijn Bloedmooie Hondsbrutale Vrouw Helena op een Jonge Blonde Schrijver: Een Feuilleton, Deel V

(Wat voorafging: Een Feuilleton, Deel IV.)

“Wat de fuck, Jan-Erik”, riep Van Der Steen in toonhoogte noch idiolect dat men van hem gewend was. Hij zwaaide met het pistool voor het gezicht van Jan-Erik.

“Je moet –”, probeerde Jan-Erik.

“Wat de fuck, Jan-Erik”, riep Van Der Steen nog eens. “Een pistool?”

Jan-Erik slikte. “Je moet je vinger even van de trekker halen, Van Der Steen, alsjeblieft.”

“Van de trekker halen?” zei Van Der Steen. “Van de trekker halen? Ik moet mijn vinger van de trekker – god nee, ja, dat moet ik inderdaad doen.” En hij haalde verschrikt zijn vinger van de trekker en legde het pistool in zijn schoot. “Allemachtig. Jan-Erik, weet je wel niet wat dit betekent… Dit vind ik – ja, ik kan er niet omheen, dit is…” Van Der Steen zuchtte diep en wreef in zijn gezicht.

“Ja?” vroeg Jan-Erik voorzichtig, zonder zijn blik af te wenden van het pistool in Van Der Steens doktersschoot.

“Dit is helemaal kut, Jan-Erik.”

“Wat?”

“Ja…” Van Der Steen sloeg een keer hard op het dashboard. “Verdomme, Jan-Erik! Hier gaat het toch helemaal niet over! Dit hele godvergeten verhaal gaat toch niet over jou en je pistool en je pillenverslaving, of wel dan?”

“Waar heb je het over?”

“Je weet hartstikke goed waar ik het over heb. Jij moet je vuile zaakjes en je was gewoon lekker voor je houden en mij niet lastig vallen met je problemen.” Van Der Steen zag direct allerlei tegenwerpingen in Jan-Eriks hoofd opborrelen. “Even niet praten” zei hij. “Laat me nadenken.”

En voor het eerst sinds hoofdstukken keerde hij zich weer naar binnen. Wat moet ik nu toch doen, dacht Van Der Steen, wat moet ik in hemelsnaam met Jan-Erik aan. Ik moet het zo snel mogelijk dumpen, voordat dit zijn eigen leventje gaat leiden. Maar hoe… maar hoe… En kan ik dat wel maken? Godsamme, natuurlijk kan ik hem dat maken, hij weet toch zeker zelf hoe moeilijk ik het heb. Welke malloot heeft er dan ook een pistool in zijn dashboardkastje! En daar moet nog eens bij komen, dacht Van Der Steen, dat hij een pistool ontzettend en overdreven melodramatisch vond.

“Verdomme, Jan-Erik!” riep hij, toen Jan-Erik poogde ongezien de Tsjechoviaanse gun uit zijn schoot te vissen. “Blijf met je fikken van dat pistool af. Of ik knal je kop eraf.” Van Der Steen schrok van die woorden. Net als Jan-Erik.

“Wat?” riep hij, Jan-Erik. “Ben je gek geworden? Dood me niet! Spaar me, genade, denk niet aan mijn lieve moedertje.” En Van Der Steen dacht inderdaad aan Jan-Eriks lieve moedertje, zo gaan die dingen. Het was een lief vrouwtje en Jan-Eriks dood zou haar inderdaad veel verdriet doen, wat hij haar niet toewenste. Dat daargelaten. Hij wilde Jan-Erik helemaal niet doodschieten. Dit was allemaal de hitte van het moment. “Sorry”, stamelde Van Der Steen naar Jan-Erik en hij draaide zijn autoraampje naar beneden. Het pistool kletterde op de stoeptegels en ging met een luide knal af. Nee, hij ging niet af. Of toch wel? Van Der Steen voelde hoe het verhaal hem uit de vingers begon te glippen. Die verdomde vuurwapens ook. Hij besloot het pistool niet af te laten gaan.

“Kijk toch uit”, riep Jan-Erik. “Dat ding had wel af kunnen gaan!” En Jan-Erik maakte al aanstalten om uit de auto te stappen en het pistool op te rapen.

“Nee”, zei Van Der Steen, en hij hield zijn uitgestoken arm voor de borst van Jan-Erik. “Laat liggen. We gaan vergeten dat dit gebeurd is. Of nee, we gaan het niet vergeten. Maar we gaan dit zien te passen in het verhaal dat er al ligt.”

“Ik begrijp er niets van”, jammerde Jan-Erik. Van Der Steen was erg content over deze alliteratie: Jammerde Jan-Erik.

“Wees maar niet bang, Jan-Erik”, zei Van Der Steen. “Ik begrijp er ook niets meer van. Maar we gaan erachter komen, en we gaan het oplossen. Ik met mijn verloren liefde, jij met je verslaving en je leven dat allicht in gevaar is, gezien het feit dat je een pistool in je dashboardkastje hebt liggen.”

Deze woorden leken Jan-Erik enigszins te kalmeren. Hij opende zijn mond.

“Ja”, zei Van Der Steen. “Zeg het eens.”

Jan-Erik leek de situatie opeens beter te begrijpen. “Wat als… wat als we dit pistool, deze situatie, meenemen het verhaal in. En het feit dat we Helena, jouw vrouw, die nu een knappe, jonge, blonde schrijver aan de haak geslagen heeft, prioriteit blijven geven, ook al is er opeens een pistool in het spel en ben ik verslaafd aan morfinepillen. Wat nou als we toch blijven focussen op haar en jou, en jouw probleem, namelijk dat je zonder haar reddeloos verloren bent, en het idee dat zij eigenlijk ook niet zonder jou kan, maar dat ze dat gewoon zelf nog niet door heeft. Wat als we daar op blijven focussen en dat daarmee –”

“Dat daarmee in elk geval de implicatie geboren is dat Helena en onze liefde belangrijker is dan een pistool en een, allicht later in de toekomst, levensbedreigende situatie, die de onvermijdelijke vorm zal aannemen van een vuurgevecht!”

Het was toen dat er vanuit het raampje van de souterraine studentenwoning een vrouwelijk, aan het luisterend oor lustopwekkend, gekreun te ontwaren was, dat verdacht, nee, sprekend zelfs, leek op dat van Helena.

(Wat daarna gebeurde: Een Feuilleton, Deel VI.)

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *