whatsapp-image-2016-11-14-at-09-13-23
15th Nov

Dokter Van Der Steen en de Hartstochtelijke en Onherroepelijke Herovering van zijn Bloedmooie Hondsbrutale Vrouw Helena op een Jonge Blonde Schrijver: Een Feuilleton, Deel VI

(Wat vooraf ging: Een Feuilleton, Deel V.)

In een literaire flits bevond de lezer zich opeens in de slaapkamer van de jonge student. Gedesoriënteerd en een beetje misselijk als de lezer was door deze – weliswaar zojuist aangekondigde – ruimtelijke verspringing, werd er een moment van bezinking ingelast om het spreekwoordelijk evenwicht te hervinden: een beschrijving van de kamer.

De kamer van de jonge student was niet uitgesproken groot, maar ook niet overdreven klein, zeker niet naar stadse begrippen. Men wilde in de stad nog wel eens vijfhonderd neertellen voor een kamertje van zeven vierkante meter, zonder ramen. Nee, dan was dit welbeschouwd een kamer van een zeer degelijke oppervlakte en driedimensionaliteit.

Wat allereerst opviel ín de kamer was de grote hoeveelheid boeken. Zoveel boeken, enkele honderden, dat de lezer zich niet aan de gedachte kon onttrekken dat de jonge student met de aanwezigheid van die vele boeken iets probeerde te compenseren – hoewel de vraag dan natuurlijk bleef wat. Hij kon deze boeken immers onmogelijk allemaal gelezen hebben, wanneer zou hij dan nog studeren? Over studeren gesproken: tevens deden de boeken het vermoeden rijzen dat de jonge student wellicht voor zijn studie iets met boeken deed, misschien was hij bibliothecaris in opleiding, maar misschien, hoe marginaal de kans ook, was hij wel een schrijver – deze gedachte intrigeerde de lezer mateloos.

Verder stonden er in de kamer een kledingkast, tegen de muur naast de wasbak, een bureau, met bijbehorende bureaustoel, en een tweepersoonsbed, om over naar huis te schrijven. Mocht er inderdaad over naar huis geschreven worden, dan zou het vermoedelijk een brief betreffen die de geliefde van de brievenschrijver zou inlichten over een betreurenswaardige – doch noodzakelijke en onvermijdelijke – beëindiging van de relatie tussen de brievenschrijver en de nu ex-geliefde. Het bed van de jonge student was een bed om in te blijven.

En Helena lag daar, naakt en rondborstig, op haar rug, op het bed. Ze keek naar de jonge student, naar zijn – ietwat lange – blonde haren, zijn jongensachtige gezicht, naar de donkere ogen in dat gezicht, ogen die pas negentien lentes gekend hadden, maar toch… waarin pijn te lezen was die zij niet kon plaatsen, pijn en mysterie, mysterie en passie, ongeremde, ongetemde passie, in die ogen – zíjn ogen. Helena slaakte een kreun van en vol verlangen. Die was ongetwijfeld buiten nog te horen. Smachtend greep ze haar handen vast in het dekbed van de jonge student en spreidde ze haar benen.

“Lief klein schrijvertje”, fluisterde ze – de jonge student bleek dus toch een schrijver. “Lief klein schrijvertje”, omdat ze wist dat hij bij die koosnaam zeer gemengde gevoelens had en ze vond het leuk om het te plagen. Hij voelde zich dan opeens erg jong, en klein, wat hem zowel amuseerde als irriteerde. “Lief klein schrijvertje” fluisterde ze opnieuw. Maar de jonge, blonde schrijver reageerde niet. Hij draaide zich om keek tussen de gordijnen door van zijn souterraine studentenpaleis.

“Er is iets merkwaardigs aan de hand…” mijmerde hij, meer tegen haar dan tegen zichzelf. “Wat doen die twee mannen daar buiten… in die Fiat Panda…” Helena fluisterde zijn naam. “Ze gedragen zich verdacht… Wat heeft die ene man toch in zijn hand? Is dat een pistool? Het is altijd hetzelfde gezeik… mannen in Fiat Panda’s… deze hele buurt is aan het verpauperen…” Hij zuchtte. “Als ik een woord als verpauperen gebruik voel ik me zo’n student, weet je dat?” Helena wist dat, maar al te goed, maar ze was niet van plan zijn – ietwat retorische – vraag te beantwoorden. “Ik kan daar heel slecht tegen… wat in mijn jeugd dat precies veroorzaakt heeft weet ik niet… ik wil tegelijkertijd wél en níet aan het beeld dat anderen van me hebben – of dat ik denk dat anderen van me hebben – voldoen en als ik mezelf dan zo hoor praten, denk ik: hou toch je mond, jongen.” Helena dacht dat ook, maar ze liet hem nog even – heel even – begaan. “Het is echt een pistool, volgens mij… wat bezielt dat soort mensen… en waarom hebben ze van die gekke jassen aan?”

Helena zei niets, ze grijnsde, ze voelde hoe hij toenadering tot haar zocht. Het was slechts een kwestie van tijd. “Zal ik je vertellen wat voor jassen ze aan hebben Helena?” vroeg hij. En eindelijk keek hij naar haar om. Ze wenste dat er altijd zo naar haar werd omgekeken. “Helena?” Helena schudde langzaam haar hoofd, wat konden die twee mannen haar schelen, het was niet of één van de twee haar overspelige echtgenoot betrof. Die klootzak. De jonge blonde schrijver wierp nogmaals een blik uit het raam. “Het doet er ook niet toe…” Hij schoof het gordijn dicht.

Buiten kregen de twee mannen in de Fiat Panda een telefoontje van hun afdelingshoofd, Astrid, dat een pauze geen vier delen van een feuilleton kon duren, waar ze in godsnaam uithingen en dat er een stervende patiënt op de operatietafel lag. De twee mannen zagen zich genoodzaakt zich in razend tempo naar het ziekenhuis te begeven, nadat één van hen nog een laatste blik op de studentenwoning wierp. Een blik vol wanhoop, pijn en plichtsbesef.

“Zo” zei Helena zachtjes, met een opgetrokken wenkbrauw. De jonge blonde schrijver stond voor haar, met alleen zijn T-shirt aan – alléén zijn T-shirt… Het deed haar denken aan Christian Grey uit Fifty Shades of Grey die ook alleen maar seks had met zijn T-shirt aan. “Ben je daar eindelijk, Christian?” ze vroeg het met precies genoeg geveinsde ergernis in haar stem, geveinsde ergernis van het geilste soort – ze was namelijk erg opgewonden. “Dorian?” vroeg de jonge blonde schrijver, enigszins verbaasd, want hij heette geen Christian. Zijn voornaam bevatte niet één van die letters. Geen ‘c’ of ‘h’, geen ‘r’ of ‘i’, zelfs geen ‘s’ en ook de ‘t’, ‘a’ en ‘n’ ontbraken. “Uit Fifty Shades of Grey?” De referentie ontging hem niet. “O, door mijn T-shirt zeker.” En de jonge blonde schrijver trok zijn T-shirt uit, en gooide het naast het bed, op het stapeltje kleren van Helena. “Zo, zo” zei Helena. En lieve hemel, dacht ze, dat lichaam.

Het kon niet anders dan dat er hier een sterk staaltje erotische fictie zou gaan geschieden…

(Wat daarna gebeurde: Een Feuilleton, Deel VII.)

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *