beach-84560_960_720
29th Nov

Dokter Van Der Steen en de Hartstochtelijke en Onherroepelijke Herovering van zijn Bloedmooie Hondsbrutale Vrouw Helena op een Jonge Blonde Schrijver: Een Feuilleton, Deel VIII

Duisternis. Zeegeluiden. Weer zo’n wekelijkse huiveringwekkende poging, ditmaal tot fonetische beeldvorming. Woehsj. Een golf. Krie-krie, een meeuw in de verte, van elk PVV-paradigma ontdaan. Woehsj. Nog een golf. Duisternis. Wellicht het geritsel – het geritsel van begroeiing in de wind, palmbomen: rrpfs, rrpfs. Woehsj. Het warme zand onder zijn lichaam. De brandende zon op zijn gesloten ogen. Woehsj, rrpfs, krie-krie. Dokter Van Der Steen hief zijn hand, hield hem voor de zon en opende zijn ogen. Helderblauwe lucht. Hij keek naar links. Daar lag zijn beste vriend Jan-Erik, in zijn gele Speedo, te bakken in de zon. Volledig vredig.

“Lekker zwembroekje, Jan-Erik”, riep Van Der Steen. Jan-Erik stak zijn duim in de lucht.

“Als je er het lichaam voor hebt, waarom zou je het dan niet laten zien?”, riep Jan-Erik terug.

Van Der Steen beaamde dat en keek omlaag. Naar zijn eigen Speedo. Een rode. Hij nam een verkoelende slok uit zijn kokosnoot. Goddomme, dacht hij, wat een paradijs.

Hij kwam, steunend op zijn ellebogen, een beetje omhoog en keek ditmaal naar rechts. En daar lag ze. Helena. Hij wilde haar naam nog eens noemen. Helena, daar lag ze, koket in bikini. De bandjes van haar bovenstukje – haar bovenstukje naast haar op het zand. Helena. Vanachter haar designzonnebril merkte ze op dat, en hoe (hopeloos verliefd), Van Der Steen naar haar keek. En ze glimlachte. Een glimlach die Van Der Steen al in tijden niet meer had gezien, waarvan hij het bestaan welhaast vergeten was. Een gelukkige – een gelukzalige glimlach. Op het strand werd het nog een paar graden warmer. Waarna Helena haar lippen tuitte en het kwik tot ongekende hoogte joeg.

Dit alles- het was net een schilderij van… van, van Rodin, meende Van Der Steen. Een prachtig portret van Rodin. Met olieverf en trefzekere hand had hij Helena’s lippen geschilderd. ”Geef me eens een kus”, zeiden die lippen tegen Van Der Steen. Dat liet Van Der Steen zich geen tweede maal zeggen en hij krabbelde overeind.

Zijn handen stuitte daarbij op iets hards onder het zand. Hij gleed met zijn handen over het zand en daaronder verscheen donkerbruin, gelakt hout aan de oppervlakte. Van Der Steen schoof nog wat van het zand aan de kant, vlak eronder, nog meer van datzelfde gelakte hout. Hij keek om zich heen, Jan-Erik lag nog steeds te bakken, in zijn Speedo, zich van niets bewust. Helena tuitte nog steeds haar lippen. Hij keek geschrokken, van haar naar het hout, van het hout, naar haar. Ze zette haar zonnebril op haar hoofd en keek hem fronsend aan.

Haar lippen bewogen, alsof ze iets wilde zeggen, iets anders dan de kus, maar uit haar mond kwam geen geluid. De golven kwamen met steeds meer geweld het strand opgerold. Hij keek opnieuw naar het hout, liet zijn handen eroverheen gaan. Het kwam hem bekend voor. Nog meer zand opzij. Daar, in de lak, zat een kras. Hij kende die kras. Helena greep naar haar keel, ze leek geluidloos te stikken, Jan-Erik verdronk een eindje verderop in zee. Dit hout, dacht Van Der Steen, is het hout van mijn bureau. En het meesterwerk van Rodin scheurde aan flarden.

Duisternis. Stilte.

Rodin was een impressionistische beeldhouwer en geen schilder, maar dat wist Van Der Steen niet. Hij probeerde simpelweg woorden te geven aan zijn gevoel, of, beter gezegd, hij probeerde eraan te ontsnappen. De Jonge Blonde Schrijver daarentegen wist dat wel, dat van Rodin, hoewel hij het voor de zekerheid toch nog eens had opgezocht. Hij had alleen enkele aquarellen gevonden. Niets over olieverf.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *