rijksdaalder-1930-pr
20th Dec

Dokter Van Der Steen en de Hartstochtelijke en Onherroepelijke Herovering van zijn Bloedmooie Hondsbrutale Vrouw Helena op een Jonge Blonde Schrijver: Een Feuilleton, Deel XI

Dokter Van De Steen kwam de kantine binnen als een kleuter met een rijksdaalder in het vuistje. Een vuistje uit vervlogen tijden, toen er nog touwtjes uit de brievenbussen hingen. Glunderend keek hij om zich heen op zoek naar Jan-Erik. Hij zat nog precies waar Van Der Steen hem had achtergelaten, achteraan in de hoek, helemaal alleen. Jan-Erik had een petje opgezet opdat ontevreden nabestaanden hem niet zouden herkennen. Soms ging een operatie nu eenmaal mis, dat hoorde erbij, maar leg hen dat eens uit.

“Jan-Erik, Jan-Erik,” riep Van Der Steen als een kleuter met zijn mond vol ijs. “Kijk eens wat ik hier heb. Een rijksdaalder – ik bedoel een gedicht, over mij!” Maar papa Jan-Erik reageerde niet. Hij trok enkel zijn pet wat verder naar beneden en zette zijn kraag omhoog. Van Der Steen liep op hem af en tikte hem op zijn schouder.

“Jan-Eri –”

Jan-Erik greep Van Der Steens arm vast en draaide die op zijn rug. “Wie heeft je gestuurd?” gromde Jan-Erik. “Geen geintjes. Antwoord me.”

“Help, ik ben het je collega en vriend. Denk aan alle mooie dingen die we samen mee- en doorgemaakt hebben, dood me niet”, wist Van Der Steen uit te brengen. Jan-Erik duwde zijn pet omhoog, draaide Van Der Steen om en keek hem even indringend aan. Zijn gezicht ontspande.

“Wil je dat niet meer doen?”, zei Jan-Erik. “Ik had je bijna gedood”, zei Jan-Erik.

Van Der Steen wist dondersgoed dat Jan-Erik in de publieke ruimte graag anoniem en ongenoemd wilde blijven, maar in alle opwinding was hij dat vergeten. “Ik weet het Jan-Erik, ik zeg toch dat het me spijt”, zei Van Der Steen.

“Dat zeg je helemaal niet”, zei Jan-Erik.

“Dat zeg ik net.”

“Je zegt dat je zegt dat het je spijt, in plaats van te zeggen dat het je spijt.”

Het bleef even stil. In de keuken van de kantine lagen de kroketten vrolijk in het frituurvet te pruttelen.

“Het spijt me”, zei Van Der Steen, terwijl hij naar zijn Crocs keek en achter zijn rug zijn vingers kruiste.

“Het is oké, ga zitten”, antwoordde Jan-Erik. Ze namen plaats aan het tafeltje.

“Je zou me niet hebben gedood,” Van Der Steen, “ik zou eeuwig doorgeleefd hebben, en wel hierom.” En hij legde de sonnet op tafel. Van Der Steen zat op het puntje van zijn stoel, vastberaden elk detail van Jan-Erik’s reactie in zich op te nemen. Jan-Erik nam het papier van tafel en liet zijn ogen over de regels glijden. Hij verzat een beetje op zijn stoel. Hij schraapte zijn keel, zijn onderlip begon te beven en Van Der Steen zag in zijn ooghoek een traan opwellen. Van Der Steen kreeg het zelf ook even moeilijk, hij kon heel slecht tegen huilende mannen.

“Dit is prachtig”, fluisterde Jan-Erik. Hij had niet bijster veel verstand van poëzie, maar daar had je ook geen verstand voor nodig. Alleen een hart. En Jan-Erik had er twee – maar dat was weer een ander verhaal.

“Hoe kom je hieraan?”, zei Jan-Erik. En vervolgens vloekte hij. In alle consternatie was hij iets belangrijks vergeten.

“Van Der Steen, ik moet je iets vertellen…”

“Niet nu Jan-Erik, geniet even van het gedicht.” Jan-Erik genoot nog heel eventjes van het gedicht, het was zijns inziens inderdaad een waar meesterwerk, maar dit moest hij zijn vriend toch vertellen.

“Weet je wie ik hier net zag?” vroeg Jan-Erik. Van Der Steen had geen idee, hoewel hij zijn buik opeens voelde samentrekken.

“Helena. Ze is hier.”

Dokter Van Der Steen gleed van zijn stoeltje. Dat kon maar één ding betekenen. “Ze komt voor mij”, klonk het ongelovig, vanonder de tafel. “Ze wil me terug.”

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *