Ergens naartoe

Julia ter Veld

-
Julia ter Veld (1994) schrijft scenario's, poëzie en theater. In 2018 speelde ze mee in 'Wijksafari Overvecht' en liep dramaturgiestage bij de voorstelling FASSBINDER van het Noord Nederlands Toneel (met internationale cast). Daar vertaalde ze voor het eerst een hele Nederlandse tekst naar een vreemde taal. Datzelfde jaar (2018) mede-vertegenwoordigde ze Nederlands toneelschrijfland tijdens 'Interplay Europe' waarvoor ze haar eigen tekst naar het Engels vertaalde.

Sindsdien zijn we Julia even kwijt want ze studeert nu aan een Franse toneelschrijfschool in Lyon (Ensatt). Op de schrijfopleiding.nl blogt ze over het ontwikkelen van een drietalige tong, hoe het is om van een vreemd land een thuisland te maken en hoe de verschillende culturen terug te lezen zijn in de taal die mensen blaffen, zingen of spreken, en last but not least: hoe haar schrijfproces verandert.

Latest posts by Julia ter Veld (see all)

eind augustus 2019 

amsterdam

Vandaag verhuizen we mij naar Lyon. Ik ga daarheen om een tijdlang in het Frans te schrijven. Ik wil weten hoe ik schrijf als mijn woordenschat ongeveer een vijfde is van wat het in het Nederlands is. Ik ken ze niet, de woorden, de weg, en daarom is het maar het beste om glimlachend voort te bewegen. Het is – bij gebrek aan kennis – m’n best doen niet te verongelukken. Het leek me een goeie oefening, remedie tegen de hang naar perfectie. 
‘Ik rij wel’, had ik gezegd. Alsof ik m’n vader daarmee tegemoet kom. 

We naderen de A2, tijd om te ritsen. Papa en ik kijken synchroon eerst in de achteruitkijkspiegel, de linkerbuitenspiegel, en over mijn schouder. Hij kan nu nog even het goede voorbeeld geven opdat ik ons, en straks mezelf niet in de prak rij. 
Hij trekt z’n ogen los van mijn werk en ademt in. 
‘Goed,’ begint ie. 
‘We gaan over Maastricht, maar TomTommie leidt je over Rotterdam, dus je moet hem voorlopig even negeren.’ 
‘Geen probleem’, zeg ik. 
‘Dus eerst Utrecht volgen en da..’ 
‘Ne t’inquiète.’ 
Deze levenshouding heb ik alvast aan de telefoon geleerd. Iedereen die ik in Frankrijk opbel om te checken of alles in orde is werpt terug: ‘geen zorgen, geen stress, maak geen zorgen er zijn nul problemen.’ 
‘Na Maastricht moet ik wel even plassen.’ zeg ik. 
Het is een haalbare wedstrijd, ik probeer gevoelens van overwinning voor mezelf klaar te leggen. Alsof het gouden muntjes zijn in een Mariocartspelletje. 
‘En dat weet je nu al?’
‘Ik bedoel: ik rij sowieso tot en met Maastricht, oké?’
‘Prima schat.’ Papa trekt zijn ogen los van mijn rijden. Hij opent het dashboardkastje op zoek naar muziek. Iets hards achter mijn longen is zwaar, lauw en bonkend. Ik duw m’n schouders naar beneden en forceer een glimlach. 

nederland

Op mijn verzoek klinkt Rowwen Hèze. Dat geeft de vlakke snelwegen de nodige schommelingen mee. Ik stel me voor dat de lijnen voor mij uitgetekend worden, in plaats van dat ik het ben die binnen de lijnen kleurt. Rechts haalt een auto ons in en ik ontmoet een dromerige vrouwenblik. Ze haalt geschrokken de grijns van haar gezicht en forceert hem opnieuw. Ik zou willen vragen waar ze haar gedachten moedwillig heen stuurt. Achter m’n longen klopt het lauwe harde ding opnieuw, ik probeer het weg te slikken het past niet bij de wenselijke stemming. De inhalende auto toetert. Papa’s rug licht op van de rugleuning. Ik schrik, maar rol nonchalant met mijn ogen. We kijken tegelijk naar de snelheidsmeter, richting 130, ik minder gas. Papa zakt terug tegen de rugleuning, blaast uit. Ik doe een raampje open, leg m’n arm op het venster. Het zit niet lekker maar het staat wel goed. 

belgië

We zoeven Maastricht voorbij. Mijn vader zet het volume zachter. 
“Ik heb hem niet gemist!” roep ik. En daarmee is mijn nonchalante houding weer door het putje gespoeld. Mijn vader staart me ontroerd aan. Nog altijd zijn kleine. Als ik snap waarom hij deze blik geeft is het omdat ik totale controle wil hebben over alles waar ik mee in aanmerking kom. De tijd, de route, de mensen en alle omstandigheden. Een overschatting van mijn macht die telkens teleurstelt. Maar in dat geval snap ik het liever niet. 

We zijn in België. Trots als een kind, maar het ding in mijn borst bonkt, het zegt: “wacht maar even met die trots, straks knal je dwars door een rotonde en dat staat dan zo lelijk als je al trots aangetrokken hebt.”

frankrijk

Tomtommie leidt ons dwars door Luik of Liège. Het is zaterdag en schijnbaar regionale verhuisdag. Meubelstukken in de categorie rookstoel en radiomeubel zijn ruim in de meerderheid. We rijden stapvoets voorbij diverse plaatjes voor in een maatschappijleerboek. Een vader die paffend een kinderwagen voortduwt. Met daaronder een opschrift als: ‘Gedrag wordt aangeleerd door de omgeving.’ of misschien wat Amerikaanser: ‘It takes a village to raise a child.’ Het is niet de triestheid van de ander waar ik zo gelukkig van word. Ik vind het gewoon mooi hoe een stad haar mensen kleurt en andersom. Dat het lijkt alsof de mensen ook hun best doen om deze reputatie van Luik in stand te houden. Tegen beter weten in blijven hun gulpen open en hun shirts ongewassen. Dat ontroert me.

We stoppen in Noord Frankrijk voor de grote lunch. Dezelfde die zegt dat trots lelijk staat als je fouten maakt, zegt ook dat de auto altijd op slot moet. Het is een soort gestolde versie van mezelf vol leefregels die ik ooit verzonnen heb om me raad en richting te geven. Ze lijkt erg op mij, en dus ook op alles wat ik ben of ooit zal zijn. Hoe meer ik naar haar luister, hoe meer zij bestaat ten opzichte van de rest van mijn lichaam. Ze kan het helemaal overnemen. Ze zegt ook: mij kun je vertrouwen, terwijl buiten haar handbereik de lol lonkt. 

We zijn het kleedje vergeten te pakken. Ik loop terug naar de auto en check of mijn laptop in de onzichtbaarheid ligt. Leg hem nogmaals op dezelfde plek, klap de deur dicht en loop terug. Als ik papa zie realiseer ik me dat ik het kleedje weer ben vergeten. Er gaat een licht zweepje door mijn hoofd, je voelt het bijna niet maar over de jaren heen laten al die correcties toch hun indruk achter. Het doet pijn. Ik loop een rondje waarin ik het zweepje overdenk met een zalfje. Deur open, kleedje pakken, deur dicht, slot erop. Omdraaien naar de picknick. Ik twijfel of ik de auto op slot heb geklikt. Ik klik hem nog een keer op slot en onderdruk de neiging handmatig te checken of het in orde is. Ik zie papa kijken met de krentenbollen in zijn hand. Als ik zijn blik vang doet hij alsof hij iets ziet liggen in het gras. Ik hou de sleutel vast aan de sleutelhanger zodat ik niet per ongeluk op het verkeerde knopje kan drukken en fluister mezelf in: goed zo, ne t’inquiète.Iemand anders dan de stalen raadgever voelt zich aangesproken. Ons eindpunt vandaag vereist een aantal hellingproeven, weet ik. Iemand anders dan de stalen raadgever besluit papa niet in te lichten. Mijn vader en ik hebben allebei een klimaat waarin goede raad normaal gezien goed gedijt, maar we warmen op. We hebben allebei geproefd van een meer zoet en wollig joie de vivre, we willen allebei het risico een beetje oefenen. Al zullen we dat niet zo aan elkaar toegeven. Het staal voelt zich genegeerd, begint langzaam te smelten.

tolweg

Voorsorteren voor de poortjes. De auto voor ons komt tot stilstand, de slagboom blijft gesloten. Soepel manoeuvreer ik naar de rijbaan links. Op een centimeter verschil schiet een Volvo langs onze neus. De bestuurster gooit onbegrijpend haar handen in de lucht terwijl ze ons blikveld uitrijdt. Ze gaf me een blik maar ik ben hem kwijt. Ik kan hem nergens meer vinden om het me aan te trekken. Ik volg haar auto, de slagboom gaat open, we rijden de route du soleil op. Verder niks. Een rare leegte na een bijna-ongeluk. Papa duwt Bob Dylan in de radio, alsof we plotseling makkelijke mensen geworden zijn. 

lyon – lichte schemering – franse spits

Natuurlijk was het – de feiten tegen elkaar afwegend – veiliger geweest een wissel te maken. Papa de klim te laten doen. Maar dan is het geen nieuwe werkdag. En ik wil dat dit een eerste werkdag is, geen verlengde thuishaven. Ik laat de motor opkomen. Ik ben hier voor de lol. Bij groen race ik onder station ‘Lyon Perrache’ door. We passeren een bord dat een helling van 14 procent aanduidt. Ik check mijn vaders rug, die duwt hij in zijn rugleuning. Ontspanning moet je afdwingen. Ik glij door de eerste bocht, als een lepeltje door een toetje dat bijna op is. En nu moet je m’n vader horen. Het klinkt nog het meest als Ernie die met een vliegtuigje speelt. Wieeuhw! zingt mijn vader door de toetjesbocht. De zware klomp achter mijn longen breekt en smelt weg, schiet door m’n aderen alsof het zich vrij zingt. Warm, ik krijg het warm. En nog steeds rinkelen er stalen alarmbellen die zeggen dat trots lelijk staat als je straks de prak inrijdt. Maar onze lichamen, die welbeschouwd zacht en bewegelijk zijn, nemen de regie. En zo klimmen we giechelend, doch zwetend de berg op, bijna thuis.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *