Essay 2: Alle letters van de regenboog

 

Laatst kwam ik, scrollend over mijn tijdlijn op Facebook een foto tegen. Ik zag een vrouw die lachend voor de spiegel een selfie maakte, boven de foto was een tekst te lezen:

” Hi Lizzy! My name is Lucy and I am a transfeminine pansexual…”

 

Ik scrolde, moe van een dag school, verder tot er op mijn tijdlijn wederom een bericht van dezelfde pagina verscheen. Ditmaal een link met de titel: “40 things you should never say to a gay guy.” Ik klikte uit nieuwsgierigheid op de naam van de Facebook pagina en kwam terecht op een pagina vol homo propaganda. Ik zou dit toch als praktiserend homoseksuele jongen geweldig moeten vinden? Maar dit was niet het geval, de regenbogen en tientallen berichten over wat je wel en niet tegen mij moet zeggen gaven mij een naar en soms zelfs beledigd gevoel. Deze positieve discriminatie stond mij niet aan.

Sinds kort is de naam van de LGBT community (lesbian, gay, bisexual, transgender) veranderd in LGBTQIAPK (queer of questioning, intersex, asexual, pansexual of polygamous, kinkyness). Na mijn coming-out ben ik gedwongen deel uit te maken van deze community. Of ik dat wil of niet, maakte niets uit. De naam van mijn seksuele identificatie stond in het rijtje, dus ik moest eraan geloven. Vanaf dat moment werd van mij verwacht dat ik achter de beslissingen van de, toen nog, LGBT community zou staan. Het is een soort eed die je onbewust aflegt (zou dit dé gay agenda kunnen zijn?). Wanneer je afwijkt van deze eed word je door het hele gezelschap plus hun heteroseksuele vrienden keihard afgewezen. Toch ga ik het doen, ik breek de eed. Hierbij besluit ik geen deel meer uit te maken van de LGBT(QRSTUVWXYZ…) community.

Ik heb altijd al gevonden dat je seksualiteit deel van je persoonlijkheid is, maar niet je persoonlijkheid mag zijn. Nadat ik op mijn zestiende van school veranderde, ben ik noodgedwongen weer in de kast gegaan. Ik verhuisde uit Amsterdam (waar ik al uit de kast was) naar Dordrecht. Op de eerste dag op mijn nieuwe school kwam een groep meisjes naar me toe. “Heb je een vriendinnetje?” “Nee,” antwoordde ik eerlijk, verbaasd dat ze zo kennismaakten op deze school. “Hij heeft een vriendje,” werd er, voor mij hoorbaar, gefluisterd door een meisje achterin het groepje. Ik schrok. Ik had mij die ochtend zo ‘hetero’ mogelijk aangekleed, ik had een zwarte broek met opgerolde pijpen, een blauw vest en grijze Vans aan. Ook was ik net naar de kapper geweest, ik had mijzelf een kapsel aangemeten met geschoren zijkanten en een grote bos haar bovenop. Aan mijn kleding kon het dus niet liggen. Toch zagen ze het aan me. Ik heb mij de twee jaar op die school zo ‘hetero’ mogelijk gedragen. Alhoewel ik geen deel uitmaakte van het groepje jongens dat zowat hun testosteron in je gezicht duwde, trapten mensen er vrij goed in. “Als hij dat zegt zal het wel zo zijn.”

Als ‘hetero’ zijnde heb ik daar vrienden gekregen. Vrienden die mij met mijn voornaam voorstelden aan andere vrienden in plaats van, zoals wel vaker is voorgekomen bij mij, gay best friend. Ik haat de term ‘gay best friend‘. Wanneer ik bevriend met iemand ben, is dit niet omdat ik homoseksueel ben of diegene heteroseksueel is. Ik vind het soms zelfs beledigend wanneer ik ‘gay best friend‘ word genoemd. Door deze term krijg ik meteen een label opgeplakt. Het maakt mij een item dat je zou kunnen verzamelen.

Laatst stond ik op een feestje. Ik dronk een biertje en kletste wat. Ik kende het merendeel van de mensen niet en zij, zoals vanzelfsprekend, mij ook niet. Na een paar slokken te veel veranderde het onderwerp in ‘op wat voor types wij vallen’. Na er wat omheen te draaien was dit het moment, ik moest het ze duidelijk maken om niet te hoeven liegen. Tussen neus en lippen door vertelde ik dat ik verliefd word op jongens. De reactie die ik kreeg van de jongen naast me: “Nou, mij niet gezien hoor”. Hij nam een slok bier en liep weg. Bam! daar was het label weer. Vanaf dat moment was mijn homoseksualiteit het enige wat mensen aan mij konden zien. Vanaf dat moment konden meisjes mij hun borsten laten zien (want hij is toch homo) en konden jongens geen normaal gesprek meer met mij voeren zonder dat ze bang zijn dat ik met ze sta te flirten (want hij is toch homo?).

Onze huidige maatschappij houdt van labels. Alles moet in een hokje worden geplaatst. Zo ook binnen de LGBT community waar nu naast seksualiteit ook genderidentiteit en – wat mij nog het meest verwondert – seksuele voorkeuren zoals kinkyness onderscheiden worden.

Wij hebben behoefte ons te onderscheiden van ‘de rest’. Wij zijn tegenwoordig transfemine of pansexual, wij zijn gender fluid of identificeren onszelf als gender queer. Hoe meer de wereld een global village wordt, hoe meer wij de behoefte hebben ons te onderscheiden van de rest. De wereld zou saai zijn als wij allemaal op elkaar leken. We hebben bepaalde termen nodig om ons te kunnen onderscheiden. Het is fijn dat ik kan zeggen dat ik homoseksueel ben en dat het merendeel van de bevolking mij daarin accepteert. Het is fijn dat ik – als het andere deel van de bevolking mij niet accepteert – veiligheid kan zoeken binnen de LGBT community. Het is een warm bad waarin je terecht komt, maar je zou er snel in kunnen verdrinken.

Thuis hebben ze mij altijd volledig geaccepteerd en ik heb nooit de behoefte gehad actief deel te nemen aan de LGBT community. Ik ga even vaak als mijn hetero vrienden naar gay clubs en heb geen account op de homo meetings app Grindr. Het is niet dat ik geen homo wil zijn, ik ben tevreden met wie ik ben en kan heel erg goed mezelf zijn. Wanneer ik wel in een gay club ben en zie hoe sommige homo’s met elkaar om gaan, word ik bang. Het lijkt alsof we allemaal een product zijn geworden voor elkaar. Tuurlijk, anders dan in andere clubs is iedereen in een gay club elkaars love interest. Iedereen zou in principe (ligt eraan wat je smaak is) op elkaar verliefd kunnen worden. Je ziet bijvoorbeeld heel veel verschillende types met andere types zoenen. Een beeld dat ook vaak wordt gezien op de gay pride, deze wordt nationaal op televisie uitgezonden.

Ik ben vóór de gay pride in heel veel landen. Ik zie beelden op tv en het internet van mensen met roze en regenboogvlaggen die door politie (politie!) uit elkaar worden geslagen. Ze blijven volhouden, schreeuwen voor gelijke rechten. Mensen die net als ik verliefd worden op hetzelfde geslacht zonder dat ze weten hoe dat komt en hoe het voelt niet verliefd te zijn op hetzelfde geslacht, worden in deze landen gediscrimineerd en mishandeld. Wanneer mensen niets weten over homo’s, begrijpen ze ook niets van homoseksualiteit. Als dan ook nog de media in deze landen een negatief beeld geven van homoseksualiteit, ontstaat afkeer tegen homo’s. Het is goed dat deze mensen zichzelf onderscheiden van de rest als homo- of biseksueel en/of transgender. Het is goed dat deze mensen een stem krijgen. Deze stem is nodig om mensen te vertellen dat zij niet heel anders zijn dan de mensen die hen nu in elkaar slaan.

Daar gaat het mis op de Nederlandse gay pride, waar de focus voor mijn gevoel vooral ligt op het ‘anders zijn’. Wij zien op tv mannen die in roze strings op boten dansen of drag queens die door de straten wandelen. Op tv krijg je niet de jongens te zien die toevallig ook op jongens vallen, maar niet te onderscheiden zijn van de jongens die toevallig op meisjes vallen. Wanneer je als iemand die niets weet over homoseksualiteit de beelden van de Nederlandse gay pride op tv ziet ontstaat al snel een stereotype beeld van homo’s in zo iemands hoofd. Wanneer je vraagt hoe een homo eruit ziet gaat al snel het handje hangen en komen er wiebelige pasjes tevoorschijn waarbij de ene voet keurig voor de andere voet wordt gezet. Het is een beeld dat snel belachelijk kan worden gemaakt en daardoor ook het beeld van homoseksualiteit dat bij onwetende mensen blijft hangen.

Dit merkte ik ook toen ik op de middelbare school zat in Dordrecht. Ik was oké en hetero tot er een liedje of een danspasje verscheen. Al snel kwamen er roddels op over dat ik homo zou zijn of zelfs dé gaylord. Het uitzenden van de beelden van de gay pride is voor mijn gevoel totaal geen stap naar acceptatie van homoseksuele mensen. Biseksualiteit was voor mij oké, dan kon ik tenminste kiezen om alleen maar met meisjes verkering te nemen. Na mijn diploma was ik dus ook biseksueel. Ik werd nooit verliefd op meisjes maar zou me kunnen voorstellen om met een meisje het bed te delen. Ik heb nooit een vriendinnetje gehad maar het is makkelijker om te vertellen tegen mensen. “Ik val op meisjes,…. maar ook op jongens”.

We hadden op onze school jaarlijks een paarse vrijdag. Iedereen die niet tegen homoseksualiteit was moest iets paars dragen. Ik kwam volledig zwart gekleed op school aan, het zou de roddels alleen maar bevestigen wanneer ik paars zou dragen. Bij de deur kreeg iedereen een paars lintje dat hij om kon doen als hij zijn paarse kleding was vergeten. Ik wees het lintje, zoals het merendeel van de school, af. Leuk was wel dat ik meteen de mensen eruit kon vissen die niet tegen homoseksualiteit waren. De paarse kleur (wat eveneens als de kleur roze als dé ‘homokleur’ werd bestempeld ) vond ik onzin, maar het was fijn om te zien dat er mensen waren die er over nadachten en dat er een gesprek over seksualiteit op gang kwam. Het ging vaak over ‘homo’s’, maar het gesprek was er en dat was goed. Wanneer de vraag kwam: “hoe zien homo’s eruit” schrok ik van de antwoorden. Er werd met een lacherige ondertoon een beeld geschetst van een stereotype homo. Het was het beeld van de ‘gezellige nicht’ die je van 3 meter afstand kan herkennen aan zijn roze, diep uitgesneden, T-shirt. Het was het beeld dat wordt bevestigd door tv-programma’s als Geer en Goor en tv-uitzendingen van onder andere de gay pride.

Ik was laatst bij een vriendin waar ik een seksueel voorlichtingsboek in de kast vond. Zo eentje met cartoons van lachende piemels en hartjes op de cover. Zo eentje dat je ouders onder je kussen legden met de gedachte ‘dan kan hij/zij het zelf maar uitvinden’. Zo eentje dat vol staat met verhalen over seksualiteit tussen man en vrouw. Zo eentje waar je lang moet zoeken naar het kopje ‘homoseksualiteit’. Er stond beschreven hoe een jongen ook verliefd kon worden op zijn vrienden eveneens als op meisjes en dat dan homo was. Ook werd er gewaarschuwd dat je niet bang hoeft te zijn voor (je eigen) homoseksualiteit gevolgd met statistieken over hoeveel mensen homo zijn in Nederland. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit bang ben geweest om homoseksueel te zijn en heb nog steeds heel veel vrouwelijke vrienden waar ik niet verliefd op kan worden. Het boek was duidelijk de stem van een oudere generatie.

Mijn ouders hebben mij na mijn coming-out verteld dat ze wisten dat ik homoseksueel was vanaf mijn tweede levensjaar en hebben me opgevoed zonder één slecht woord over homoseksualiteit te zeggen. Ik wist tot groep acht het verschil niet tussen hetero- en homoseksualiteit en weet nog goed dat ik het heel raar vond dat twee mannen of twee vrouwen niet mochten trouwen in Amerika.

Wanneer ik het met mensen over homoseksualiteit heb, praat ik meestal over seksualiteit. Ik zie mede door wat mijn ouders mij vroeger hebben meegegeven geen verschil tussen hetero-, bi- en homoseksualiteit. Bij al deze seksualiteiten gaat het over verliefd zijn en worden. Het heeft niets te maken met wie je in bed ligt. Twee hetero jongens kunnen seks met elkaar hebben en zo ook twee hetero vrouwen, ook ik zou seks kunnen hebben met een vrouw. Alhoewel ik niet weet hoe andere mensen verliefd zijn kan ik mij inbeelden dat ik hetzelfde voel als ik verliefd ben op een jongen als wat een hetero jongen voelt wanneer hij verliefd is op een meisje. Dat maakt dus geen verschil. Waarom zouden wij onderscheid moeten maken tussen seksualiteit als we geen onderscheid maken tussen liefde?

Ik merk dat er binnen mijn omgeving steeds meer behoefte is aan het vervagen van dit onderscheid. En het is aan het veranderen. Wij gebruiken bijvoorbeeld andere benamingen dan vroeger. Een homoseksueel meisje wordt nu gay of homo genoemd en een homoseksuele jongen is niet langer een homofiel. We zouden moeten denken in liefde, niet in hokjes.

Ik ben bij veel van mijn vrienden onopvallend uit de kast gekomen. Nadat ik tegen twee vriendinnen de zin: “ik ben homo” had gezegd begon ik het af en toe met de rest van mijn vrienden over jongens te hebben tot ik uiteindelijk vragen kreeg als ‘op wat voor jongens val jij?’ en ‘heb je ooit met een jongen gezoend?’. Ik haatte de zin “ik ben homo“. Ik was wel homoseksueel maar ‘een‘ homo was ik niet. Inmiddels heb ik er vrede mee gesloten, soms moet ik die zin gewoon zeggen om niet te hoeven liegen tegen mensen. Ik heb geluk gehad met mijn vrienden die het niet raar vonden dat ik met ze praatte over jongens. Zij vinden mijn seksualiteit even normaal als die van henzelf. Dat wens ik iedereen toe. De kast waarin ik zat is stukje voor stukje kapot gehakt, alsof we het koud hadden en het hout nodig was het vuur te stoken om ons allen warm te houden. Tegenwoordig hebben we geen hout meer nodig, we hebben de elektrische verwarming en is het tijd om de kast te gebruiken om kleding in op te bergen en niet jezelf.

Reacties (1)
  • Mooi geschreven!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *