compilatie afwijzingen
23rd Dec

Essay 5: Kamers kamers kamers

Al tijden ben ik opzoek naar een kamer. Hoewel ik na iedere afwijzing vriendelijk blijf glimlachen, wil een deel van mij alle afwijzers de hersens inslaan. Ondertussen snap ik ook wel dat ze zo’n wanhopig mens afwijzen. Ik stel mezelf daarom weleens de vraag hoe ik het zou doen als ik op kamers wonend een huisgenoot moest kiezen.

Afgelopen weekend hadden wij een teambuildingsdag. Een van de teams daar vertelde dat zij alleen mensen in hun bestuur kiezen die hun beste vrienden zouden kunnen zijn. Dat team heeft het ontzettend leuk samen, alleen lopen ze vast. Daarover zei de teambuildingsbegeleidster dat mensen met wie we het goed kunnen vinden, vaak in gedrag op ons lijken. Als alleen beste vrienden een bestuur vullen, mist het bestuur bepaalde vaardigheden. Daardoor zal het minder goed functioneren. We moeten dus niet alleen onze beste vriend uitkiezen. Daarmee doen we onze organisatie tekort. En een studentenhuis is in zekere zin een organisatie.

Als wij niet mogen kiezen wie we in ons studentenhuis willen, kunnen we ook niet bewust een gezond evenwicht in stand houden. Het mag dan niet uitmaken of iemand al op kamers heeft gewoond of niet. Wij willen iemand kiezen om diens persoonlijkheid. Wij willen gekozen worden omdat men ons als prettige mensen ervaart. Wij zouden niet gekozen willen worden omdat we de meelijstem krijgen, omdat het zielig is dat we nog niet op kamers wonen, ook al zoeken we al zolang.

Die meelijstem wordt echter niet snel gegeven. Moeilijk woonruimte vinden staat niet goed op je curriculum vitae. Het is eerder een minpunt dan dat ze met je te doen hebben. Als je iemand kiest die al eerder gekozen is, dan heb je een topper aan de haak. Anderen hebben je juiste keuze alvast voor je bevestigd. Iemand die al dertig hospiteeravonden achter de rug heeft, daar kleeft een stigma aan.

Toen ik al voorbij de twintig hospiteeravonden was en op zo’n avond de vraag kreeg of ik al eerder had gehospiteerd, durfde ik die vraag amper te beantwoorden. Het meisje dat tegen de deurpost leunde, zei dat ze er al veel had gehad. ‘Al drie.’ Ik vertelde dat ik er al meer dan twintig had gehad en ik hoorde een ‘oh’ ontsnappen uit de mond van het meisje dat de avond georganiseerd had. Terwijl ik er nog iets optimistisch aan probeerde toe te voegen, zag ik dat ik alle aandacht al verloren had aan het ‘al drie’-meisje.

Er zal namelijk wel iets mis met je zijn als je al zo vaak niet bent uitgekozen. Werkgevers zien ook liever een vol CV dan een CV met slechts een voormalige werkgever. Veel ervaring is beter. Nu is de vraag wat een betere investering is: iemand die jou gemakkelijk in de steek laat, iemand die de behoefte heeft zijn thuishaven snel te verlaten of iemand die niet opgeeft om zich juist bij jou thuis te gaan voelen?

Waarom zou je namelijk zoeken naar een kamer als je er al een hebt? Ik heb al meerdere malen gehoord dat mensen niet overweg konden met hun huidige huisgenoten en daarom wegwilden. Ze bleken toch anders te zijn dan verwacht. De ‘klik’ was er toch niet en als nieuweling in het huis ben jij daar verantwoordelijk voor. Mensen willen weg omdat ze bij een eerder keuzemoment niet de juiste keuze bleken te zijn. Hoe hebben deze mensen bijgedragen aan deze keuze? Ontbrak er een oprechtheid in het verkooppraatje? Bleken ze niet te zijn wat ze verkochten?
Of willen ze simpelweg een grotere kamer? Wat is de band die je met je huisgenoten hebt opgebouwd je dan waard?

Dat is echter eenzijdig gedacht. Mensen zoeken nog een keer naar een kamer omdat het kan. Er is altijd een betere optie. Hetzelfde geldt voor mensen die solliciteren als ze al een baan hebben. Als wij toch al de zekerheid hebben, kunnen we gerust op zoek naar iets beters. Wij kunnen ons zelfs veroorloven kieskeurig te zijn, want wat staat er op het spel? Aangezien wij ons veroorloven kieskeurig te zijn, kunnen we beter bereiken.

 

Hospiteren kun je leren, praten moet je kunnen

Iemand die al op kamers heeft gewoond, weet beter te vertellen hoe hij of zij is. Ze kunnen beter antwoord geven op vragen over hoe ze als huisgenoot zijn. Voor een kamerloze is dit slechts giswerk. Of ze vertellen dat ze zichzelf geen goed product vinden. Alsof wij zo’n sociaal gehandicapt iemand in huis willen.

Het is fijn om te weten dat we een nieuwe huisgenoot niet acht keer moeten uitleggen hoe de wasmachine werkt, om er vervolgens achter te komen dat ze alsnog niet kan omgaan met de machine. Iemand die wc-papier koopt als het bijna op is of überhaupt de wc doortrekt. Er zijn serieus mensen die dat niet doen.

Op kamers hebben gewoond, is een bewijs van zelfstandigheid. Dat is wat wij nodig hebben in een huisgenoot. Die kamerlozen nemen vaak hun moeder mee naar een hospiteeravond. Daarmee bewijzen ze zich niet echt. De meeste studenten zijn zelf nog maar amper zelfstandig, maar zo erg is het nu ook weer niet met ons gesteld. Anderen opvoeden hoort bij een latere levensfase. Dat gaan wij niet voor hen doen en hun moeder moet niet ieder weekend hun kamer komen opruimen.

Iemand die al op kamers heeft gewoond, kan dus beter antwoord geven op vragen over hoe ze als huisgenoot zijn. Maar krijgen kamerlozen überhaupt de kans antwoord te geven op vragen? De meeste hospiteeravonden zijn zo ingericht dat ze enkel extraverte mensen een kans geven zichzelf te presenteren.

Ik zat een keer met een hospiteeravond in een kamer vol meisjes met bloesjes aan. Ik vroeg me al af of ze waren vergeten de dresscode aan me door te geven, toen de vraag werd gesteld of we al eerder op kamers hadden gewoond. Het meisje links van me vertelt dat ze al op kamers woont. En ze vertelt over haar huisgenoten. En ze vertelt over haar hobby’s. En ze vertelt over haar vroegere kleuterjuf. Ik voel me weg zakken in de bank. Ik heb moeite zichtbaar te blijven, laat staan dat ik de mogelijkheid zie haar te onderbreken, zelf iets te zeggen.

De eerste die op dergelijke avonden begint met praten, is vaak de rest van de avond aan het woord. De kans is daardoor groot dat een huis een extravert persoon uitkiest voor de beschikbare kamer. De kans is daardoor groot dat een kamerhebbende ook extravert is en daardoor beter antwoord kan geven op vragen. Maar wie in dat huis luistert nog naar de verhalen van de anderen als iedereen graag praat?

Gelukkig zijn er genoeg sites die advies geven over hoe je over jezelf kan praten op zo’n avond. Onder de noemer ‘hospiteren kun je leren’ zijn er verschillende tips te vinden. De belangrijkste twee: ‘wees lekker jezelf’ en ‘pas je aan’. En ik maar denken dan hospiteren ingewikkeld was.

 

Kiezen, afwijzen en verder kunnen kijken

Hoe zou ik hierover denken als ik een kamer heb gevonden? Dan ben ik onderdeel van het ‘wij’ en moet ik ook hospiteeravonden organiseren. Vanuit mijn eigen horrorervaring met kamers zoeken, zou ik het liefst iedereen in huis nemen. Ik weet dat dat niet kan. Dat is ook iets wat hospiteerders in hun hoofd moeten houden. Het is vaak een even naar gevoel om mensen af te wijzen als om afgewezen te worden.

Wij vinden het ook moeilijk mensen af te wijzen, maar je moet toch iemand kiezen. Wij kiezen liever mensen die we via via kennen. Dan hebben we door anderen al een beeld van hoe iemand is, waardoor we zeker weten dat iemand is zoals hij zich voordoet. Niet dat anderen niet zijn zoals ze zich voordoen, het geeft alleen meer zekerheid. Voor mensen die al op kamers wonen, staat er minder op het spel op een hospiteeravond. Ze zijn niet zo wanhopig. Niet alles hangt af van die ene kamer, dus er is geen reden om zich anders voor te doen dan ze zijn. Het biedt zekerheid te weten dat we ook werkelijk kiezen voor degene die we kiezen en die zekerheid kan een kamerhebbende eerder verschaffen.

Het is prettig als jouw keuze al een keer eerder door een ander is bevestigd. Daarom wordt er gekozen voor mensen met een thuishaven boven kamerlozen. Deze mensen zijn immers al leuk. Wie dat heeft bepaald? Leuke mensen. De meeste kamers worden bewoond door de leukste twintigers gekozen door de leukste twintigers gekozen door de leukste twintigers.

Vroeger werden, in het dorp waar ik woon, uitwisselingen georganiseerd tussen de kerkkoren van het eigen dorp en dorpen uit de omgeving. Er was namelijk te veel inteelt. En inteelt leidt tot kinderen met een beperking. In de regio is dan ook een speciale middelbare school gebouwd voor dergelijke kinderen.

Juist die uitwisseling ontbreekt als mensen niet durven het onbevestigde te kiezen. Al woont dat onbevestigde slechts een dorp bij je vandaan.

Het fijne van op kamers wonen is juist dat wij invloed kunnen uitoefenen op met wie we wonen en niet het onbevestigde hoeven te kiezen. Het is iets volledig nieuws om te kunnen kiezen met wie we samenwonen, want onze familie konden wij niet kiezen. Het gezin waarin we opgroeien, overkomt ons. Dat is iets onbevestigds waar we niet voor kunnen kiezen. Als het dan niet goed botert, kunnen wij daar weinig aan doen.

In studentenhuizen is dat anders. Het is makkelijker om problemen met elkaar op te lossen, als wij weten dat we voor elkaar hebben gekozen. Als wij weten dat we ook wel met elkaar over weg kunnen, omdat een positieve ontmoeting eraan ten grondslag ligt. Gooien met servies is meer iets voor familiedrama’s waarbij vaders hun hele gezin uitmoorden om vervolgens zichzelf kapot te schieten. Daar hebben wij geen behoefte aan in ons studentenhuis.

Wat voor iemand zou ik in huis willen als ik een kamer heb gevonden? Iemand met wie ik goed overweg kan. Dat hoeft niet mijn beste vriendin te zijn. Het is bevrijdend om stevig met iemand te discussiëren, iets wat vaker gebeurt met iemand die niet volledig hetzelfde denkt als ik. Zo is het ook goed om een frisse wind door een bedrijf te laten waaien. Het doorbreekt de sleur en legt patronen bloot.

Kamers, kamers, kamers

Bij de zoektocht naar een nieuwe huisgenoot wordt vaak gezocht naar iemand met ervaring. Iemand die al eerder op kamers heeft gewoond. Dit heeft als gevolg dat kamerlozen vaak geen kamer krijgen, omdat ze nog geen kamer hebben. Wie nog niet op kamers heeft gewoond, mag ook niet op kamers wonen. Hierbij wordt voor het gemak even weggewuifd dat iedereen die op kamers woont ooit niet op kamers woonde, dat iedereen die op kamers woont het ooit is gegund op kamers te wonen. Vanuit het niets. Maar de American dream van de studentenhuisvesting, de maakbaarheid van de woonruimte, gaat niet op voor nieuwe kamerzoekenden.

Ik hoor ouders nog wel eens zeggen: ‘Vroeger was het veel makkelijker om aan een kamer te komen’. Dat is ook het probleem. Nieuwe kamerzoekenden maken geen kans, terwijl de oude bekenden van de kamermarkt geen moeite lijken te hebben. Zij domineren de kamermarkt omdat ze de kamermarkt konden vormen. Hoeveel makkelijker is het om succesvol te worden in een nog te ontwerpen milieu, dan om de top te proberen te bereiken in een volledig ingevuld systeem.

Als ik op kamers zou wonen, wil ik iedere hospiteerder mijn onverdeelde aandacht geven. Ook als iemand al tientallen hospiteeravonden achter zich heeft. Wel zou ik nagaan waarom deze persoon nog geen kamer heeft gevonden. Is het ongeluk? Of is de persoon eigenlijk psychotisch? Als ik zou kunnen kiezen tussen twee heel leuke mensen en de een heeft al een kamer en de ander nog niet, dan geef ik waarschijnlijk de kamerloze wel voorrang.

Ik geloof in een eerlijke kans en dat is dan misschien juist niet een eerlijke kans, omdat ik ze niet hetzelfde behandel. Omdat ik ze niet hetzelfde bied. Het creëert wel eerder gelijkheid. Daar zit namelijk het verschil. Gelijkheid is niet verschillende mensen hetzelfde geven. Gelijkheid is mensen dat geven wat ze in de toekomst dezelfde mogelijkheden biedt. En gelijke mogelijkheden bieden aan mensen met verschillende startniveaus betekent niet dat je beschikbare middelen precies door de helft deelt. Het is eerlijk delen opdat ieder mens toekomt wat hem toekomt.

Daarom moet aan kamerlozen bij het hospiteren juist voorrang verleend worden boven mensen met al een kamer. Kamerlozen lopen achter, ze hebben niet hetzelfde startniveau als kamerhebbenden. Je hebt een kamer of je hebt hem niet en als je jezelf kamerloos noemt, ben je duidelijk in nood voor een kamer.

Op kamers wonen draagt immers bij aan de persoonlijke groei van een mens. Volgens de psychoanalyticus Erik Erikson zijn er zelfs twee van de acht levensfasen van toepassing op studenten: de identiteit versus identiteitsverwarringsfase en de intimiteit versus isolementsfase.

Die eerste fase is een soort afsluiting van je opvoeding. Dan zoek je naar je eigen plek in de samenleving. Die eigen plek betreft religie, beroep en relaties. Het helpt in het onafhankelijk raken van je ouders. Hoe kan dit beter dan door op kamers te wonen?

Die tweede fase gaat om machtsevenwicht binnen relaties. Dan kan je geen ouders gebruiken die je proberen te domineren. Je belangrijkste relaties zijn dan juist die met partners en vrienden. Je moet loskomen van je gezinssituatie en een eigen plek in de wereld vinden. Volgens Erikson zijn het kritische periodes waarin je dit leert. Die fases moeten in die periodes, tot het eind van je twintigste, worden doorlopen, omdat ze op latere momenten moeilijk over zijn te doen. Studenten zouden eigenlijk ook in die periodes op kamers moeten.

Op kamers wonen draagt dus bij aan de persoonlijke groei van een mens. Kamerlozen missen die groei of lopen daarin achter. Dat is een van de redenen waarom ze niet een gelijk startniveau hebben als kamerhebbenden. Door dat gemis is het makkelijker te kiezen voor iemand die deze groei al heeft doorgemaakt. Maar op die manier ontneem je nieuwe mensen de kans om zich verder te ontwikkelen. Het gat tussen de kamerhebbende hospiteerders en kamerloze hospiteerders wordt er alleen maar groter door. Terwijl de een de ladder tot succes al een tijdje beklimt, moet de ander eerst nog het hout kopen om de ladder te bouwen.

Student zijn, op onszelf wonen, betekent dat wij veel nog willen uitzoeken en delen van onszelf nog moeten ontdekken. Dan willen we ons veilig en zeker voelen in ons huis. Er is al zoveel waar wij niet zeker van kunnen zijn. Als wij invloed kunnen hebben op onze omgeving, op de mensen die onze omgeving betreden, dan scheelt dat. Het biedt zekerheid te weten dat onze buurman geen alcoholverslaafde is die de hele dag dreunmuziek aan ons opdringt of bedreigingen naar ons schreeuwt. Als we die zekerheid niet meer kunnen opdoen met hospiteeravonden, voelt onze omgeving ook minder als onze omgeving, ons thuis. Dat is uiteindelijk wat iedereen juist wil hebben, al helemaal die kamerzoekenden. Dan moeten we hun de mogelijkheid op een thuis niet ontnemen.

Reacties (1)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *