Fregatten Jylland

We tuimelen onder maanlicht door 
glijden over modder langs bomen die als soldaten op wacht 
de nacht bewaken
Je verdwijnt in donker nat, draait om
alleen een glimlach die in de lucht blijft hangen

We laten dansende lampen achter, gulzige kieren die
Tuborg bier van vloeren slurpen, de heuvel af
voetbalveld met dekbed van mist
We schuifelen over witte lijnen, langs molshopen, bakstenen muren gekleed in graffiti gemaakt van talen die niet op onze tongen liggen

‘Kijk, de grote beer’
‘Dipper, the big dipper’

Beide vingers wijzen naar de steelpan die iedereen op aarde kent
onder nacht bedolven kunnen we steeds opnieuw een ander zijn
Gras snuffelt onze sokken nat
Handen ineen geslagen banen we onze weg over
kinderkopjes die de weg vertalen naar de haven

Gewichtloos klim je naar boven

Bovenin ontwaakt het kraaiennest uit haar slaap
wanneer je slingerend aan de mast in haar buik probeert te klimmen
Roept dat je de morgen zoekt
Fluistert dat je liever niet opnieuw geboren wordt

De nacht laat zich vullen
met zeemansliederen van hout
die al eeuwenlang door golven deinen
We springen over het uitgestorven dek
dansen driekwartsmaten met de splinters onder onze voeten tot we
hijgend in de armen van het donker zakken
Druppels zeewater gevangen kralen
onder onze benen twintig meter lucht, dan kade
Vreemde talen tot een gevlochten op gedeelde lippen

Als astronaut dwaal ik door de ruimte die tussen ons verdwijnt
vraag of je mijn armen wil zijn

Kou neemt bezit van ons verlangen
Je rijkt me een reddingsboei
Warme huid maakt plaats voor gerimpeld plastic met 
zoutkristallen jas

De weg naar huis verdwijnt
in herinneren draai ik je grijs
Je stem enkel nog de woorden die ik hem gaf
Hees, zacht, wankelend
Word je door deze klanken
toch steeds weer in een wieg gelegd, opnieuw verloren

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *