adam-bendjaima-263955
25th Aug

Hij

De kroeg is bijna leeg. Enkele vaste gasten zitten op dezelfde plekken als de avond ervoor. Ik schuif het viltje dat onder mijn drankje lag heen en weer tussen mijn rechter en mijn linker hand en kijk om me heen.
Alles is gemaakt van hout, van de muren tot de meubels, tot de bar die in splinters uit elkaar valt door de liters bier die er met de jaren over heen zijn gekomen.
Aan de bar zit een oude man. Leunend met zijn hoofd op zijn hand trekt hij de rimpelende huid van zijn gezicht strak. Een paar jaar van zijn leeftijd zijn tijdelijk niet zichtbaar. Met zijn andere hand speelt hij met zijn biertje. Af en toe neemt hij zuinig een slokje, het moment van weg gaan zo lang mogelijk uitstellend.

De deur gaat open. Alsof er een belletje is afgegaan kijkt iedereen op. Zelfs de oude man tilt zijn hoofd op, de rimpels vallen terug over zijn ogen heen. Hij lacht.
Een jonge jongen komt met grote stappen binnen gesprongen. Hij lacht de ruimte in en laat de deur achter zich dichtvallen.
Zijn zwarte haar zit warrig achter zijn oren geschoven. Enkele korte plukken zijn ontsnapt en hangen langs zijn gezicht. Ze bewegen mee met elke stap die hij zet. Hij heeft een donkergroene regenjas aan, rits open, de capuchon hangt binnenstebuiten op zijn rug.

Vanuit alle hoeken galmt het geluid van zijn naam. Als de rattenvanger van Hamelen heeft hij een heel entourage om zich heen verzamelt. De net bijna uitgestorven kroeg vult zich nu met mensen.
Soepel beweegt hij zich er tussen door. Als een hond die net van de riem is gelaten rent hij zigzaggend van mens naar mens. De vrouwen worden gekust, de mannen op hun schouders geklopt.
Nog voordat hij bij de bar is aangekomen heeft hij zijn eerste twee biertjes al achterover geslagen, zijn jas nog steeds aan.
Vol vertrouwen loopt hij rond, terwijl aan alle kanten handen hem vast grijpen. Gewillig laat hij ze toe, voor een minuut of twee, waarna hij weer opspringt en verder gaat. De dansvloer op. Het volgende gesprek ontwijkend. De bar. Buiten. Roken.

Vanuit de hoek vang ik flarden van de gesprekken op die hij aangaat. Ze beginnen allemaal op dezelfde manier.
‘Sorry.’
Nog voordat hij iemand gesproken heeft.
‘Sorry.’

Sorry, ik had je niet herkend-
Sorry, ik heb al wat drankjes op-
Sorry, ik dacht even dat je iemand anders was-
Sorry, ik heb het nogal laat gemaakt gister-
Sorry, ik ben echt al heel erg dronken-

‘Sorry.’

Ineens staat hij achter me. Hij is kleiner van dichtbij, precies even groot als ik. Zijn ogen lijken te licht voor de kleur van zijn haar, alsof hij ze uit een tijdschrift heeft geknipt en opgeplakt. Hij grijnst. Zijn witte tanden steken af tegen de kleur van zijn huid. Ik ruik de bekende geur van zijn cologne. Zonder iets te zeggen pakt hij mijn hand vast. Zijn vingers voelen zacht in de mijne, vertrouwd. Mij achter zich aanslepend beweegt hij zich een weg naar buiten, soepel tussen de mensenlichamen door. Plots staat hij stil en draait zich om. Ik bots tegen hem aan. Hij brengt zijn lippen in de buurt van mijn oor. Zijn adem rolt mijn nek in en neemt woorden met zich mee.
Enkele versta ik:

‘Sorry. Ik. Egoïst. Niet goed. Op vrouwen aankomt.’

Voordat ik antwoord heb gegeven of iets zeggen kan, neemt hij mij al weer mee. De woorden blijven achter in het café.
Het was geen excuus, geen verontschuldiging, een constatering van iets waarvan hij al wist wat er ging gebeuren en ik naïef genoeg om het nog niet te begrijpen.

In het donker kijk ik naar de zwarte letters die tussen zijn schouderbladen getekend staan. Ik hoor het vallen van de plukjes haar als hij zijn hoofd naar mij omdraait.

‘Sorry.’

Automatisch komen de woorden uit zijn mond. Zijn stem is schor. De nacht begint zijn sporen achter te laten. Duizenden zinnen spoken door mijn hoofd, verwoed probeer ik er een vast te grijpen. Als ik er een heb vast gepakt lijken mijn lippen vastgeschroefd. Onbeweeglijk.

‘Mezelf.
Wat ik in staat ben om te doen.’

Hij praat binnensmonds, eerder tegen zichzelf dan tegen mij.

‘Dat is het enige waar ik echt bang voor ben. Doodsbang.’

Opnieuw zoek ik naar woorden, iets om terug te zeggen, maar nog steeds krijg ik niks te pakken. Alsof hij schrikt van zijn eigen eerlijkheid springt hij zonder iets te zeggen op. Staand verandert hij weer in de jongen die de kroeg in stapte, ongekreukt, ongeremd, Geruisloos loopt hij de kamer uit.
Zijn woorden blijven door mijn hoofd galmen. Ik voel me schuldig, dat ook ik zijn slechte eigenschappen heb gevoed, omdat ik hem zo bewonderde.

Daarna duikt hij nooit meer naast me op. Zittend op de kruk in de hoek van het café kijk ik op naar hem. Af en toe grijnst hij terug, vaker loopt hij door. Springend. Ik vraag me af of ik iets had moeten zeggen, maar daarvoor zal ik langer nodig hebben dan de twee minuten die hij mij zal geven.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *