rainbow_day_by_rainbow_art
28th Dec

Hoe gaat het Bob? Een Essay

bobDit is Bob
Bob komt ergens vandaan, hij woont ergens, werkt ergens, of misschien studeert hij nog. Hij heeft een sociaal leven. Hij heeft familie, een kennissenkring, een
paar goede vrienden, een lief.
Bob doet ook graag dingen, hij sport soms, heeft hobby’s en een Netflix abonnement.
Zijn leven gaat zijn gangetje, houdt hem wel bezig. Het kabbelt, het bruist, het sjokt. Bob is gewoon Bob.

 

 

Bob Staat op, kleedt zich aan, eet een banaan, poetst zijn tanden en reist naar de plek waar hij zijn dag doorbrengt. Hij hangt zijn jas op en begroet de mensen om hem heen.
De mensen om hem heen vragen Bob hoe het met hem gaat, zoals ze dat elke dag opnieuw doen. ‘Hey Bob, hoe gaat het?’
Bob doet zijn mond open om, zoals altijd, te zeggen dat het goed gaat en het daar dan bij te laten. Om dan snel door te gaan met de orde van de dag. Zonder na te denken, een lege vraag met daarop een leeg antwoord.
‘Hoe gaat het?’ ‘Goed.’ Verwachting en inlossing in dezelfde collectieve ongeschreven regel: Het gaat goed.
Zoals de verwachting dat wanneer je op het power-knopje van je laptop drukt, hij daarna aan zal springen, doet hij dat niet dan zal de batterij wel leeg zijn. Is dat niet het geval? Nou, dan is er een probleem. ‘Bob, hoe gaat het? Bob?’ Bob springt niet aan. Zeer plotseling en ongebruikelijk moet hij erover nadenken.
Hij staat met zijn mond open en kijkt met een verdwaasde blik naar iets wat de mensen om hem heen niet kunnen zien. ‘Bob, gaat het wel goed?’

Ja, gaat het goed? Bob stapt uit zichzelf, bekijkt zichzelf en zijn zaakjes van boven en constateert dat hij kaal wordt. Gaat het eigenlijk wel goed? Wanneer gaat het goed? Het gaat goed als je gelukkig bent. Is Bob gelukkig?

Gisteren zat hij tot laat aan die opdracht. Hij heeft vannacht maar vier uur geslapen en werd wakker naast zijn lief, zij gaf hem kusjes op zijn rug tot hij eruit moest. Hij droomde dat hij seks had met zijn dikke tante, zijn familie is afgelopen weekend zonder hem op familieweekend geweest, maar geeft dat? Hij heeft het toch druk en wat heeft hij eigenlijk met die mensen? Behalve een verwachtingspatroon?
Zijn bovenste linkerverstandskies is aan het doorbreken en drukt langzaam maar zeker de rest van zijn tanden uit het gareel. Het doet pijn maar hij wil niet naar de tandarts want hij heeft geen aanvullend tandpakket en bovendien is die vent een beetje eng. Zijn moeder is dood. Vanavond lekker uit eten met vriend 1 en 2 maar die opdracht. Lief wil met hem naar de sauna maar hij wordt dik, hij moet weer gaan sporten maar die opdracht die opdracht. Hij voelt een scherpe steek in zijn onderrug waarvan hij weet dat hij dagen zal blijven en hij heeft een halve erectie en zijn moeder is dood.
Hij wil zijn laptop uit het raam gooien en zich klem zuipen met vriend 1 en 2 en lachen en huilen en neuken en schreeuwen en zich verstoppen onder de oksel van zijn lief.

Gaat het goed? De mensen om hem heen gapen hem aan.
‘Ik weet het niet’ zegt Bob.
Een suizende stilte, mensen weten niet waar ze hun handen moeten laten en ze kunnen niet door met de orde van de dag. De stilte duurt voort, vult de ruimte en schuurt tegen de muren. ‘Wat is er dan?’ vraagt iemand, ook dat weet Bob niet.
Hij staat daar maar, het niet te weten. ‘Kop op, Bob. Het komt wel goed.’
Wat komt wel goed? Is het niet goed? Als het niet goed is, zal het wel slecht zijn. In de schurende stilte is voor hem besloten: Bob is ongelukkig.

‘Het gaat allemaal om acceptatie, Bob. Om het moment. Je moet het loslaten.’ Bob knikt. ‘Het is een state of mind, snap je? Je kunt boos worden omdat het regent en je trein vertraging heeft, en met je hoofd vol boze gedachten op een bevroren bankje gaan zitten. Maar je kan het ook accepteren, en gebruik maken van de gratis koffiebon. Snap je?’
Bob weet niet wat hij met zijn handen moet doen.
‘Het is een kwestie van kiezen, er moet even een knop om, je komt er wel, het komt goed.’
En met die zo veel zeggende dat ze niets meer zeggende woorden keren de mensen zich van Bob en zijn stilte af. Ze drukken op de aanknop van hun laptop en gaan door met de orde van de dag. Bob knikt wat en besluit de dag vrij te nemen.

Ongelukkige Bob
Ongelukkige Bob gaat niet naar huis maar ploft in het park neer op een bevroren bankje. Hij keert de bemoedigende woorden die nog klinken in zijn oren een keer om, dan weer terug, vervolgens binnenstebuiten. Hij moet uiteindelijk concluderen dat hij er niets mee kan. Hij heeft geen knop of hij kan hem niet vinden, en als hij hem dan vindt, moet hij dan aan of uit of in neutraal? Hij kijkt naar de mensen om zich heen, waar zouden hun knopjes zitten? Is hij de enige die hem niet vinden kan?
Is zijn batterij leeg? Of heeft hij echt een probleem? Het is een kwestie van kiezen, gewoon kiezen. Je eigen geluk maken. Doe het zelf, zet dat knopje om! Gewoon gelukkig zijn.

Maar wanneer ben je dan gelukkig? Toen Bob vanochtend wakker werd met de lippen van zijn lief op zijn rug voelde hij zich warm, slaperig en blij. Was hij toen gelukkig? Of moet hij zich eerst langer goed voelen? Wanneer kan je spreken van geluk? Na een week? Een maand? Een half jaar? En als Bob dan weer opeens een dag zijn knop niet kan vinden,
begint hij dan weer van voren af aan, opnieuw met tellen?
“0 days without unhappiness”?

Moet Bob aan het eind van zijn leven een aftreksom maken? Geluk min ongeluk en als er dan wat overblijft, dan is het goed. Maar wat als hij dan in de min terecht komt? Heeft hij dan gefaald? Zijn de gelukkige momenten dan minder gelukkig? Gaat het alleen maar om het totaalplaatje? Alsof Bob zijn hele leven momenten verzamelt als postzegels,
niet om ze te bekijken en te bewonderen, maar alleen maar om ze in een overvol plakboek te stouwen, die hij als een trofee onder zijn arm mee draagt. Het gaat toch om de zegels? En waar moeten de ongelukkige zegels? Door de papierversnipperaar?

Bob heeft een glutenintolerantie. Als hij veel brood eet, dan krijgt hij soms midden in de nacht maagkrampen. Dan denkt hij dat hij dood gaat.
Het voelt dan alsof zijn maag in zijn binnenste is ontploft, en alsof zijn maagzuur langzaam door de rest van zijn organen en zijn huid heen brandt. Na een uur of zes is het over, dan heeft Bob geen pijn meer, zijn maag voelt weer normaal.
Alleen voelt normaal niet meer normaal, normaal voelt als een overwinning. Als een warm bad met zoete honing, alsof alles in zijn lijf zichzelf omhelst. Normaal is opeens extase, en allemaal dankzij de pijn. Zou dat nog steeds zo voelen als Bob de mogelijkheid had om die pijn te vergeten, als hij hem door de versnipperaar zou gooien als zijnde niet relevant? Hoe zou Bob zijn geluk kunnen onderscheiden,
zonder zijn ongeluk?

Bob besluit dat hij net zo goed wat aan zijn dikke lijf kan gaan doen, zolang hij zijn knop toch niet kan vinden. Dikke Ongelukkige Bob gaat hardlopen en in plaats van de rust die dan normaal gesproken over hem heen spoelt draait zijn hoofd op volle toeren.
Hij denkt na over de constatering van de mensen om hem heen: Bob is ongelukkig. Bob kan inderdaad niet vol overtuiging zeggen dat hij gelukkig is, hij is geen ‘glas half vol’ persoon, hij ziet eerder de ernst van de zaken dan het licht ervan.
Betekent dat inderdaad dat hij ongelukkig is? Is het leven dan een cirkel met twee helften, licht/donker, geluk/ongeluk?
Maar Bob voelt zich dikwijls verrukt, Bob voelt zich blij, vanochtend nog.
Is hij dan gelukkig?

Bob spreekt de woorden uit: ‘Ik ben gelukkig.’ Ze rollen niet goed van de tong, ze impliceren permanentie. ‘Ik ben Bob en ik ben volwassen en ik ben gelukkig.’ Ze klinken als iets wat bereikt is, een staat van zijn die is veroverd en die nu onlosmakelijk verbonden is met wie Bob is. Bob is gelukkig, hij voelt zich vervuld en warm en is altijd vrolijk. Nee, dat klinkt helemaal fout.
Misschien voelt Bob zich soms gelukkig, maar ook daar voelt het woord eigenlijk te eenkleurig voor.

Stel Gelukkig is Geel, voelt Bob zich ooit compleet Geel? Misschien voelt hij zich Onder andere Geel. Misschien voelt hij zich Geel rood paars grijs en oranje. Misschien voelt hij zich soms wel helemaal niet Geel, soms voelt hij zich alleen donkere kleuren, maar ook dan zijn ze niet allemaal zwart. Geluk is een eenkleurig woord om een veelkleurig spectrum aan menselijke gevoelens te omschrijven.
Het is zo groot en allesomvattend dat het breekbaar wordt.
Zo broos dat we aan het bestaan ervan gaan twijfelen wanneer ernaar gevraagd wordt. Maar in die zin bestaat het eigenlijk ook niet. Niemand voelt zich ooit maar één kleur, hoe zou je die kleur ook kunnen ervaren, als je geen andere kleuren hebt om hem aan te spiegelen? Iedereen wil gelukkig zijn, iedereen wil geel zijn, voor altijd. Ook Bob.
Het ligt in de menselijke aard om op zoek te gaan naar een vorm van permanentie, iets wat we vast kunnen houden, we willen veiligheid.
Diep van binnen weten we allemaal wel dat niets ooit permanent is en toch streven we ernaar.
We hebben een begrip bedacht voor een staat van zijn die niet bestaat.

Misschien heeft Bob geen knop. Misschien heeft iedereen een knop behalve Bob. Maar misschien is het idee van zo’n knop, van een staat van comfortabel geluk die bereikt kan worden, gewoon heel veilig, en weten zij het allemaal ook niet.
Misschien zal dat gevoel van bereikt geluk nooit ergens anders bestaan dan op je Facebookpagina, en toch willen we zo hard geloven,
willen we dat iedereen gelooft dat het er is.

Niet-gelukkige Bob
Bob is nog steeds aan het hardlopen, zijn voeten branden, hij heeft geen
hardloopschoenen aan. Het zweet gutst van zijn lijf en zijn hart is in zijn borst aan het trampolinespringen. Als je gaat hardlopen moet je ook echt hard lopen, vindt Bob.
Het is moeilijk, het doet pijn en dat hoort zo. Bob loopt door.
Bob werkt hard, wanneer hij werkt, werkt hij twaalf uur achter elkaar. Hij werkt totdat hij niet meer denken kan, hij vergeet te eten, hij gaat door totdat zijn vingers lam zijn en totdat zijn rug krom staat en kraakt.
Bob heeft een huis dat nooit af is, van de zomer heeft hij de woonkamer gewit en de tuin gereconstrueerd, nu is hij bezig met de keuken en daarna is zijn badkamer aan de beurt.
Bob heeft een fascinatie voor het heelal, in zijn vrije tijd kijkt Bob naar sterren, uren achtereen kijkt hij door zijn telescoop. Totdat hij zijn neus en zijn vingers niet meer voelt en er een blauwe kring rond zijn oog staat.
Wanneer Bob deze dingen doet voelt hij zich niet blij, hij lacht niet,
hij voelt zich niet gelukkig.
Ze zijn juist moeilijk, ze doen hem pijn en vermoeien hem.
Dat is niet erg want Bob vindt ze belangrijk, hij vindt er voldoening in.

Bob is niet gelukkig, hij is bezig, hij is geïnteresseerd en gefascineerd. Hij doet dingen die hij belangrijk vindt, omdat ze hem prikkelen en uitdagen, maar ze maken hem niet perse gelukkig. Hij heeft het moeilijk, hij lijdt pijn en hij heelt. Bob streeft niet naar geluk, Bob streeft naar een heleboel dingen, en soms komt daar een fijn gevoel uit voort.
Toen hij vanochtend in bed lag, voelde hij zich niet alleen fijn en geborgen, hij voelde zich ook moe, gestrest, lamlendig en zijn moeder is dood dus er is ook altijd dat staartje van verdriet. Hij is of voelt nooit maar één ding, maar altijd een tal van kleuren tegelijk.

De mensen om hem heen willen zichzelf en hem kunnen categoriseren, ‘Hoe gaat het?’ ‘Goed.’ ze willen iets zijn, ze willen gelukkig zijn. En ze willen dat Bob iets is.
Dat voelt misschien veilig, maar het begrip geluk is te eenduidig om waar te kunnen zijn. We verlangen naar die eenduidigheid, naar de zekerheid van het hele. Maar ernaar streven is als hopen dat op een dag de zon voor altijd schijnen zal. Iedere keer dat hij weer ondergaat een teleurstelling, in plaats van gewoon een ander kleurtje.

Niet-gelukkige Bob is helemaal naar huis gelopen. Zijn kleren plakken aan zijn lijf en zijn handen trillen zo erg dat hij zijn sleutel niet in de deur krijgt. Zijn lief doet de deur open en kijkt verbaasd naar zijn tomatenhoofd. ‘Gaat het wel goed Bob?’
Bob lacht, hij hapt naar adem, zijn longen branden in zijn lijf maar hij spreekt. ‘Ik denk dat ik zo flauw ga vallen en ik moet ontzettend nodig plassen.’ Bob stapt-valt naar binnen, zijn lief vangt hem op en kijkt hem vragend aan. ‘Mijn moeder is dood, ik heb zin om iets kapot te maken en ik wil op vakantie en ik wil denk ik even heel erg hard huilen en ik ben blij om je te zien.’

Bob’ s lief doet haar mond open en weer dicht, ze weet niet wat ze met haar handen moet doen. Bob ademt diep in en verstopt zich onder haar oksel.
Hij is niet gelukkig, hij is gewoon Bob.

 

Ik las tijdens het schrijven van dit essay een comic van Oatmeal, lees hem hier:
http://theoatmeal.com/comics/unhappy

Dit essay verscheen in de reeks Essays 2016-2017, eindteksten Beschouwend schrijven van de tweedejaars studenten van de Schrijfopleiding.

 

 

Reacties (1)
  • Met een glimlach op mijn gezicht gelezen :)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *