Klaprozen in Mexico

Nina van Tongeren

Nina is geboren en getogen in Dordrecht, tussen de romantische kleine huisjes en de tokkies. Die combinatie zorgt er later voor dat ze zich in haar schrijven graag op de grens tussen het schone en het lelijke begeeft. In Dordrecht is ze ook werkzaam bij Het Weeshuistheater, waarvoor ze optreedt als schrijver en allround regelnicht. Naast toneelteksten schrijft ze vooral poëzie maar ze is ook zoekende in beschouwende teksten en scenario's. In haar teksten zoekt ze naar kwetsbaarheid en probeert ze altijd eerlijk te zijn, ook als dat niet makkelijk is

Latest posts by Nina van Tongeren (see all)

Een onderzoek naar trauma in de kunst aan de hand van Frida Kahlo en Sylvia Plath.

Toen ik veertien jaar oud was werd ik voor het eerst verliefd. Ik kende haar niet zo goed, maar alles aan haar fascineerde me: haar volle lippen, donkere ogen en weelderige zwarte haar, waarvan er plukken langs haar oren vielen als ze het opstak. Zoals wel vaker bij een eerste liefde zette ik haar op een voetstuk. Ik vergaf haar haar talloze affaires, met mannen en met vrouwen, had geen oog voor haar immer naar alcohol ruikende adem en was zelfs bereid over het hoofd te zien dat we niet dezelfde taal spraken en ik haar nooit echt zou kunnen begrijpen. Nee, de afstand tussen ons in was voor mij eerder een afrodisiacum dan een deal-breaker: ik was betoverd door haar zwoele Spaanse keelklanken, de immer aanwezige sigaret in haar linkerhand en de manier waarop ze de donkere haartjes tussen haar wenkbrauwen en op haar bovenlip niet verstopte maar juist aanzette. In alles vond ik haar perfect, maar ik was kansloos, dat wist ik: mijn korte kalverliefde was al tot een blauwtje geworden voor hij überhaupt begonnen was. Het object van mijn begeerte heette Frida Kahlo, namelijk. En ze was al 45 jaar voor mijn geboorte hartstikke dood.

Los van haar Mexicaanse flair en haar werkelijk geniale wenkbrauwen was er nog een belangrijke reden dat ik destijds viel voor Frida: haar kunst. De eerste keer dat ik een schilderij van haar zag (op een korrelige foto) heb ik er misschien wel een uur naar gestaard. Het portret toonde, zoals het merendeel van haar werk, Frida zelf, gehuld in traditioneel Mexicaanse Tehuana-kleding en omringt door kleine aapjes, felle kleuren en prachtige bloemen. ‘Mooi,’ dacht ik, maar de eerste tien minuten bleef het daar ook bij. Daarna gebeurde er iets bijzonders, dat onmiskenbaar hoort bij Kahlo’s werk: toen ik beter keek merkte ik op dat de aapjes de doornenkrans, die onder de fleurige bloemen schuilde, diep in Frida’s nek trokken en dat ze bloedde bij haar hals, als een Jezusfiguur bij zijn voorhoofd. Het schilderij toonde plots niet meer een prachtige vrouw maar een martelaarster en al het ‘mooi’ op het doek werd ineens aangevuld met een heleboel ‘pijn’ en ‘lelijk’. Ik zou deze beweging van schoonheid naar verschrikking nog waarnemen op vele Kahlo’s en nooit zou die transformatie voor mij zijn aantrekkingskracht verliezen. 

De schoonheid opzoeken in pijn en lelijkheid is voor mij inherent aan kunstenaarschap. Al hoewel ik me niet aan zou willen sluiten bij ‘de mythe van het lijden’ (het idee dat kunst alleen uit een diepe, persoonlijke pijn voort kan komen), ben ik wel van mening dat het als kunstenaar je taak is om datgene vorm te geven wat je bezighoudt, wat dat dan ook is. Als een bepaald soort trauma of gebeurtenis je veel pijn doet, of heeft gedaan, dan houdt dat je waarschijnlijk ook bezig. Mocht dat het geval zijn, denk ik dat je als kunstenaar wel degelijk iets zou moeten met het lijden, dat geen voorwaarde voor -, maar wel een mogelijkheid tot kunstenaarschap is. Hoe je dat doet op een gezonde en constructieve manier, blijft voor mij als schrijver dan alsnog een grote vraag. Ik voel bij mezelf dat ik er tegelijkertijd wel en helemaal niet klaar voor ben om mijn trauma in te zetten in mijn werk; dat ik het hier op wil tekenen precies hoe ik het voel en dat ik aan de andere kant nú wil stoppen met schrijven, voor ik het risico loop om te ver uit te wijden, voordat ik niet meer terug kan. Het maakt me nog bang, dat is duidelijk. Maar mijn pijn houdt mij bezig en Frida houdt mij bezig, dus wellicht valt er iets uit te halen als ik eens aanzie hoe dat er bij haar aan toe ging: kunst maken vanuit pijn. 

De pijn vinden is Frida’s leven is gemakkelijk: het was in veel opzichten gelijk aan dat eerste schilderij dat ik van haar zag: een mooi plaatje dat onderhuids aan alle kanten schuurt en scheurt. Op haar achttiende was ze slachtoffer van een zeer ernstig busongeluk, waarbij er een stalen buis dwars door haar buik en vagina heendrong. Het beeld van het jonge meisje, van top tot teen bedekt met bloed en goudstof (er was toevallig een schilder in de bus aanwezig geweest) was volgens toeschouwers zo prachtig dat het goed als haar eerste kunstwerk had kunnen dienen, maar het lichaam van Frida zou voor altijd kapot zijn: op den duur zou ze haar been verliezen, ze had altijd pijn en, ondanks meerdere tragisch mislukte pogingen, is het haar nooit gelukt om een kind te dragen, terwijl dat haar diepste wens was. Alle zeer en alle dubbelheid die haar leven kende, gaf Frida een plek in haar schilderijen en komt vandaag de dag nog steeds hard binnen, in ieder geval bij mij. Haar kunst was voor haar een vorm van communicatie die haar, volgens mij, gered heeft. 

‘Als ik kunst maak ben ik niet meer eenzaam,’ heeft Kahlo meermaals benadrukt in verscheidene interviews. Schijnbaar gaf het haar rust om zo onvergeeflijk eerlijk met haar publiek te delen als ze deed. Ze schilderde onder andere zeer grafische weergaven van haar doodgeboren foetussen en een man die zijn vrouw met duizend gruwelijke messteken aan haar einde had geholpen, toen ze zichzelf verraden voelde door haar echtgenoot. Haar gaf dat vrijheid en ik moet toegeven dat ik me daarin herken, al vind ik haar aanpak enigszins drastisch: al zijn mijn autobiografische onthullingen in mijn werk maar een fractie zo waarachtig en rauw als die van Frida, toch voel ik iets van me afglijden iedere keer als ik het aandurf om radicaal mezelf te zijn als schrijver. Als ik denk aan Frida, mijn mooie, dappere jeugdliefde, denk ik dat ik dat misschien meer zou moeten doen, mijn eigen pijn bespreken in mijn kunst, zonder afstand te houden of me te verstoppen. Aan de andere kant houdt iets me tegen; is er een reden dat ik er hier nog even voor kies om dat stukje van mij verborgen te houden: een ander groot idool van mij. 

Ik heb grote bewondering voor de manier waarop Frida haar hart op tafel gooit in haar schilderijen, en vind deze tegelijkertijd ook doodeng. Het moet ook een risico met zich meebrengen, dunkt me, om zo eerlijk te zijn tegen je omgeving en jezelf. Daarbij vraag ik me af of je jezelf niet iedere mogelijkheid tot verder leven ontzegt door je trauma’s zoveel aandacht te verschaffen; of je dan niet blijft leven in je verleden en op den duur zelfs in je eigen pijn verdrinkt. De tweede grote liefde waar ik het hier over wil hebben is een goed voorbeeld van zo’n ramzalig einde: de Amerikaanse schrijfster en dichteres Sylvia Plath. 

Al hoewel ik Plath hier tegenover Kahlo plaats, om te bekijken wat het inzetten van trauma in hun kunst met ze gedaan heeft, was het leven van de uit jonge dichteres niet minder tragisch dan dat van de Mexicaanse kunstschilderes: Sylvia verloor op negenjarige leeftijd haar vader en deed vlak daarna haar eerste zelfmoordpoging door zich onder haar moeders huis te begraven, naar eigen zeggen omdat ze ‘bij haar vader onder de grond wilde zijn.’ In de jaren daarna zou het Sylvia nooit lukken om echt gelukkig te zijn: ze bleef maar terugverlangen naar het kapotte kindergeluk dat haar vaders overlijden zo bruut van haar had weggenomen. Plath trouwde met zeer gerenommeerd Engels dichter Ted Hughes die er tijdens hun huwelijk, net als Frida’s echtgenoot, affaires op nahield en naast wie ze zich klein en onzeker voelde: hoe geniaal Plath’s werk ook was, in haar leven lukte het haar niet om gezien te worden als meer dan ‘de vrouw van de dichter.’ De diepgewortelde ongelukkigheid van Plath werd daarbij nog verder gevoed door het plaatje wat ze in haar hoofd moest belichamen om de echtgenote van Ted te kunnen zijn. Op het oog had ze alles mee, maar Sylvia voelde zich nooit echt begrepen en pleegde uiteindelijk zelfmoord, haar twee jonge kinderen en haar dan nog onuitgegeven meesterwerk Ariel achterlatend. 

Waar Frida zichzelf heeft vrij-geschilderd, ben ik ervan overtuigd dat Sylvia zichzelf kapot-geschreven heeft. Haar makerschap was geen vrije vorm van rebellie, waarin ze alles kwijt kon wat ze kwijt moest, maar een gevangenis, waarin ze gedwongen werd om steeds maar weer te kijken naar het leed dat haar van binnenuit opat; waarin de zwaarte van de zwarte letters haar maar bleef vertellen dat het haar eenvoudigweg niet lukte om te bestaan. Plath schreef dat ze zich gestoord voelde en moest in het schrijven telkens weer putten uit haar eigen bronnen tot ze echt gestoord wérd: ze bleef hangen in haar diepste gevoelens tot ze er geen controle meer over kon krijgen en schreef totdat ze als schrijver niet meer van een afstand kon kijken naar het monster dat bij haar vanbinnen woedde, maar dat monster zelf was. Deze twee vrouwen waar ik zo van hou en die ik zo bewonder, zijn dus wel degelijk uitersten van elkaar, in zeker opzicht. Als Frida kunst maakte, was ze eigenaar van haar eigen leven. Als Sylvia dat deed, werd haar leven eigenaar van haar.  

Dit is het soort immersie waar ik bang voor ben als ik nadenk over het inzetten van de eigen pijn als materiaal: in hoeverre kan ik ervoor zorgen dat ik mijn trauma hanteer, in plaats van dat het mij om de keel vliegt, zoals het bij Sylvia heeft gedaan? Beide vrouwen waren in hun werk even echt en even eerlijk; geen van beiden creëerde afstand, dus daar kan het niet aan gelegen hebben. Misschien is het wel volkomen onvoorspelbaar wat er gebeurt als ik mijn binnenwereld en mijn angsten in mijn tekst de vrije loop laat, juist omdat het zo persoonlijk is. Misschien zal ik floreren, als Frida, of misschien zal ik creperen, als de schrijfster wiens stem ik in mijn werk zo graag wil naderen. Ik denk dat Plath zelf zou zeggen dat dat het waard was: dat haar werk de reden voor haar dood was, maar ook die voor haar leven, maar zo voel ik het niet: ik wil geen dood genie zijn, maar een springlevend mens, dat schrijft als ze wil schrijven en gelukkig is. Ik wil schrijven als ik bang ben, of ongelukkig, of alleen, maar ik wil nooit bang, ongelukkig of alleen zijn omdat ik schrijf; omdat ik mezelf moet confronteren met iets waar ik nog niet klaar voor ben; omdat de noodzaak van het verhaal zo groot wordt dat deze de noodzaak om te zijn overstijgt. Kan ik het risico nemen, met Sylvia als voorbeeld én als doemscenario, om me open te stellen en te doen waarvan ik denk dat een kunstenaar het moet doen: onvergeeflijk eerlijk zijn? 

Boven mijn bed aan de muur hangen twee foto’s: een van Frida en één van Sylvia. Elke ochtend als ik wakker word, kijken mijn beide muzen me aan. Soms, als ik bij het eerste licht een blik op ze werp, neem ik me voor vandaag als Frida te leven; nooit neem ik me voor om te zijn zoals Sylvia. Misschien omdat ik haar geweest ben, ooit, dat ik weet dat ik dat geen dag meer vol zou houden.

Dat betekent niet dat ik niet van haar kan leren en dat ook niet doe, iedere dag. Hetzelfde geldt voor Frida, eigenlijk: ik kan haar niet zijn maar haar wel zien, zoals ze zo graag gezien wou worden, en ik kan de beide vrouwen in mijn hoofd als kostuum even aantrekken en uitproberen, om vervolgens toch altijd weer tot het besef te komen dat ik het liever op mijn eigen manier wil doen. Wat dat is, mijn manier, en ik hoe ik me ga verhouden tot mijn pijn, mijn kunst en de relatie van beiden, is onzeker en zo heb ik het graag: dat geeft me ruimte om te onderzoeken, te falen en te winnen; om dagen te beleven waarop ik groots, exorbitant en geestdriftig ben zoals Frida, en dagen waarop ik me opsluit in mijn kamer, niets zeker wetend, zo bang en klein als Sylvia. Dat is ook nodig, als je mens en kunstenaar wil zijn.

Als ik zou moeten kiezen tussen schrijven en leven, dan zou ik leven kiezen, al moet ik zeggen dat ik niet weet hoe die twee ooit los van elkaar kunnen komen. Dat dat eigenlijk ook niet hoeft, dat ze elkaar sterker en completer kunnen maken, dat heb ik van Frida geleerd. En op de achtergrond klinkt Sylvia, huilend om haar eigen pijn en tegelijk mij troostend: zelfs in mislukking huist nog schoonheid. Dat besef is voor mij de vrijheid waar kunst in kan ontstaan.    

Bronnen:

  • Herrera, H. (1983). Frida. New York: Harper & Row.
  • Kahlo, F. (2005). Diary of Frida Kahlo. New York: Abrams.
  • Plath, S. (2000). The unabridged journal of Sylvia Plath. New York: Bantam Doubleday Dell Publishing Group Inc.
  • Plath, S. (1963). The Bell Jar. New Hampshire: W. Heinemann.
  • Documentaire: Inside the Bell Jar. (2018), Teresa Griffiths. 

2 Comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *