Kotsen met precisie

Latest posts by Edna Azulay (see all)

I think writing / is desire / not a form / of it

(For Jordana, Eileen Myles)

Lieve jonge schrijvers,

Ik heb mijn scriptie nog steeds niet afgemaakt.
Ik ben al meer dan een jaar te laat.
Ik heb in bed wakker gelegen omdat ik dacht aan mijn scriptie en ben vervolgens alsnog niet gaan schrijven. 
Ik heb veel buikpijn gehad.
Ik heb gevoeld dat schrijven futiel is. 
Ik heb in vlagen obsessief gelezen. Over queer utopieën, bijvoorbeeld. Over verlangen. Over depressie als een maatschappelijk probleem. Ik hoopte dat door lang genoeg te lezen er vanzelf wel iets uit zou druppelen. Alsof ik hoopte in die teksten een antwoord te vinden, over hoe en wat en wanneer ik zou moeten schrijven, over wie en hoe ik zou moeten zijn. Meestal vond ik geen antwoord.

Een van de teksten waar ik een antwoord vond was op zoek naar een manier om het essay te ‘attacken’. ‘To shit on academic pretension.’ Dat was Barf Manifesto van Dodie Bellamy. Over zichzelf schrijft ze op haar website: “I am a novelist, poet, and essayist. I’ve published many books and a handful of chapbooks. I specialize in genre-bending work that focuses on feminism, sexuality, cultural artifacts both high and low, and all things queer. I champion the vulnerable, the fractured, the disenfranchized, the fucked-up. I believe the spiritual and the political can be found in the most unlikely places” 

Misschien is dat wat ik nodig heb: niet iemand die ongelukkig zijn intellectualiseert maar het fucked-up zijn omarmt. Barf Manifesto bestaat uit twee essays die reageren op Everyday Barf van Eileen Myles, de tekst waarmee Myles haar dichtbundel Sorry Tree afsluit. Die tekst beschrijft de soort collectieve zeeziekte die ontstaat op een schip waar ze met haar moeder is. 

“It was almost too stormy for people to ride boats. And the man next to me began puking. Urp, he went. Splatter, right into a paper bag. I think he was a fag. He was with his lover. Wha Wha Wha. He gagged. The woman next to me & I looked slightly at each other. This is gross. She was sitting with a man, but she chose me to share the feeling with. We were disgusted. Maybe a little bit scared. I didn’t want to puke. Not like this. No place. I never want to puke. Hate puking. Haven’t puked for years. Then behind me a woman began. Really gagging her ass off. Heaving. Again, and again. Little coughs of puke. Getting it together. Puking again. We were sick. The whole bunch of us were rocking with the gags, praying to fucking god we wouldn’t start puking our guts out too. You could also smell the stuff. And the rain splashing against the glass windows of the boat. The boat tipping, aiming up. Have you noticed how tipping is in the news. For a while things were spiking, they were ramping up and now they’re tipping. That’s the word we like, it’s what we see and I saw the boat rolling and tipping. Barf. It seemed my mother wouldn’t have enjoyed this trip. She’s 83. How would she receive a boat full of puking adults. I think she would have gotten up and moved. She wouldn’t have just sat there. I began to think I had done the right thing by not getting her on this boat with me. I wasn’t wrong. Opened my notebook and started celebrating the fact. What fact. My séance. My sitting there on my ass on the boat in the middle of all these people puking.”

Het manifest beweegt langs het inslaan op een pinata tot de buik openbarst, langs de keer dat Dodie haar poep niet doorgespoeld kreeg in de wc van Eileen Myles, die haar vervolgens zonder mededogen het toilet laat ontstoppen tot ze ervan moet overgeven. Kotsen verwordt tot manier van schrijven, het lekkende lichaam valt samen met de tekst. Ook ik voel me misselijk. 

Ik hou van het woord ‘barf’, het uitspreken klinkt als kotsen. Ik hou alleen niet van kotsen. Ik ben een vrij gecontroleerde overgever, als in, het overgeven overkomt me niet. Ik kies wanneer ik een vinger in mijn keel steek, maar zodra ik begin te kokhalzen en het eerste gal naar boven komt, is er geen sprake meer van controle. Bleh. Ik bepaal niet wanneer het stopt. Liever kies ik er voor om zo lang mogelijk met het ongemak van misselijkheid rond te lopen. Rustig blijven ademen. In door de neus, uit door de mond. Niet bewegen. Laat ik hier een metafoor van maken voor het schrijfproces van mijn scriptie: ik loop al een jaar misselijk rond, heb uren doorgebracht op de vloer voor de wc-pot, ik heb gehoopt dat het kokhalzen vanzelf zou beginnen, soms een vinger in mijn mond gestoken, maar nooit ver genoeg. 

De laatste keer dat ik kotste was op 6 maart 2019, het was de eerste keer sinds lange tijd dat ik het niet zelf in gang zette. De dag begon in het bed van een meisje in Tel Aviv waar ik bij in de buurt wilde zijn omdat ze weigerde het leger in te gaan en daarvoor in de gevangenis heeft gezeten. Eerder deze week kwam ik erachter dat mijn nicht bij de Mossad, de Israëlische geheime dienst werkt. Een vorige geliefde zei me dat ze het niet langer erg zou vinden om een antisemiet genoemd te worden. Ik weet niet wat ik met deze informatie moet, maar nu ben ik hier, in dit bed, met het roodfluwelen shirt van de vorige nacht nog aan, nu vol kattenharen en pluisjes van de deken. Ik herinner me whiskey chasers (vooral geen arak, want arak is onlosmakelijk verbonden met mijn veertienjarige zelf en ongecontroleerd kotsen en die persoon ben ik niet meer, wil ik niet meer zijn, is niet hoe ik zou moeten zijn), praten over neuken, de functie van queer scene gossip en de onvermijdelijke apocalyps, het glas campari dat ik omstootte toen ze me kuste. 

Ze maakt een boterham met tahini en komkommer. Ze geeft me ibuprofen, het helpt tegen de hoofdpijn, of eerder is het alsof de pijn in mijn lichaam zakt. We zoenen. Ze zegt dat het oneerlijk is en wil niet zeggen wat dan, maar ik weet ook wel wat ze bedoelt. 

Ik loop naar buiten en ben in Jaffa, het Arabische deel van Tel Aviv. Het is de eerste hete dag sinds ik hier ben, de hele week regende het, ik draag een lange jas (niemand hier draagt lange jassen) en een sjaal en het voelt alsof iedereen naar me kijkt, iedereen ruikt mijn alcoholzweet, ziet dat ik het nauwelijks bijeen kan houden. De lucht is zo fris en helder en scherp, de huizen zo wit, ik moet kokhalzen.

Ik kots bijna in de bus. 
Ik kots bijna op de hoek van de straat als ik de bus uitstap. 
Ik kots in de wc van het guesthouse waar mijn ouders, broertje en ik verbleven. 
Ik kots na het eten van een droge pita. 
Ik kots als mijn broertje vraagt of ik meega naar buiten en ik denk aan die fucking heldere hete lucht. Ik kots in het grasperk van een seniorenflat, naast me helpt een bejaarde man zijn vrouw de trap af. Ik kots uit het raam van de auto op weg naar het vliegveld. Bleh bleh bleh. 

In Barf Manifesto schrijft Dodie: 

“People don’t want to think about the body because it reminds them of their vulnerability. […] The vulnerable body subverts the forward propulsion of the narrative arc, that fantasy of progress, resolution. Bodily emissions nauseate because they aren’t alive, yet coming from us, bodily emissions point up our mortality, our thingness.”

Ik heb genoeg gelezen om te weten dat ik mijn lichaam niet moet behandelen als een onsterfelijk object, iets waar ik met mijn geest controle over kan uitoefenen, maar hey, old habits die hard, don’t they? Termen als ‘in het moment zijn’, ‘het nu’, leken nooit op mij van toepassing, maar nu houd ik al zes uur lang niets binnen en kan ik niet langer negeren dat mijn lichaam heel hard duidelijk maakt wat haar speelruimte is. Alles wat aan de hand is, is dit lichaam. 

“The Barf is feminist, unruly, cheerfully monstrous. The Barf comes naturally to women because women like to throw up fingers down throath, one, two, three, bleh…
The Barf is an upheaval born of our hangover to from imbibing too much Western Civ. The Barf is reflective, each delivery calls forth a framing, the Barf is expansive as the Blob, swallowing and recontextualizing, spreading out and engorging. Its logic is notes. Hierarchies jumble in the thrill, in the imperatives of purge. […] The Barf invariably wears bad shoes, it is gender confused, a state of trans, of flux.”

Dodie schrijft zoals het lichaam dat aan de hand is, vermengt uitwerpselen met theorie, met ideeën over vriendschap, problemen met moeders en lesbische liefde, met ziekte, dood, kunst, mode. Ze schrijft over een professor die de zielen van haar studenten vernietigt met instructies die teksten doodslaan, van de studenten zombies maakt zonder lichamelijke verbinding met hun werk. Ik heb mijn scriptie te lang met alleen mijn hoofd willen schrijven. Proberen alleen door stil te liggen of naar een punt op mijn scherm te kijken mezelf ergens in of uit te denken. Maar een schrijfproces is niet lineair, het is rommelig, messy, net als het lichaam en het leven dat gebeurt. In Barf Manifesto wordt kots een metafoor voor eerlijkheid, voor het toelaten van alle rommelige emoties, voor het toelaten van meerdere stemmen, en ook een metafoor voor het vinden van een andere vorm, een vorm die breekt met traditionele opvattingen over hoe een essay in elkaar zou moeten steken, welke informatie daarin thuishoort. 

“The Barf is not so much anti-logocentric, anti-dichotomy, as outside the whole fucking system.”

De nacht voordat ik voor het laatst overgaf, ben ik met het meisje in een donkere bar waar ze Joy Division draaien, ze vertelt me over de film die ze het liefst zou maken. Twee vrienden, of misschien eerder friendlovers, loverfriends, bewegen door de nacht van bar naar bar, ze praten. Ze zegt dat ze bang is dat het te mundaan is, of te niche, te ‘self-referential’. Ik vertel haar dat ik denk dat we onze verhalen best mogen vertellen zonder iets uit te hoeven leggen, hoeveel tijd hebben we al niet doorgebracht met pogingen doen tot zelfherkenning in verhalen die niet over ons gaan? Het verlangen om te vertellen is wat we hebben. 

“Passion is underrated. I think we should all produce work with the urgency of outsider artists, panting and jerking off to our kinky, private obsessions. Sophistication is conformist, deadening. Let’s get rid of it.”

Ja, ja ja Dodie. Je hebt gelijk. Er is iets in mijn lichaam dat naar buiten wil, iets dat wil bewegen, iets wat me ziek maakt als ik het nog langer binnen ga houden. Verlangen is belangrijk, niet vanwege het object waarnaar verlangd wordt, maar als daad van verlangen zelf. Verlangen brengt in beweging, breekt open, los, maakt andere werelden mogelijk. Schrijven vanuit verlangen, of schrijven zien als verlangen zoals Eileen Myles, gecontroleerd kotsen, kan een manier zijn om eerlijke, rommelige dingen te schrijven. Om tot een vorm te komen die niet alleen reageert op of zich afzet tegen, maar buiten ‘het systeem’ staat. Ik hoor je, Dodie: tune in to the beat, flounce around and sway your hips and don’t worry so much about what your feet are doing. Tijd om nog een vinger in mijn keel te steken. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *