img_6868
1st Jan

Met de groeten van Steve Jobs: een essay over het leven dat een speeltuin zou zijn

Een speeltuin. Een open paviljoen, zonder hekken of muren, waar ik zo naar binnen kan lopen en op de schommel zitten, mijn handen rond de door de zon warm geworden metalen kettingen leggen, of van de glijbaan glijden, die iets verderop glinstert in de zomerzon.

Of zonder zon, wanneer regendruppels tegen het metaal kletteren, mijn broek nat wordt van een doorweekte schommel. Irritant? Nee, die nattigheid maakt het spelen extra leuk, spannend, uitdagend.

Men lacht me uit, ongetwijfeld. Van achter een raam, benen tegen de verwarming, warme thee in de hand, toeziend hoe ik langzaamaan, al pret belevend, doorweek. Of mijn ouders aan de kant, paraplu boven hun hoofd, die schreeuwen, smeken, mij uiteindelijk misschien zelfs bij de kraag plukken en meesleuren; opdat ik alsjeblieft mee naar huis kom, want mijn kleren worden nat en mijn schoenen vies. Ik blijf koppig door schommelen, klimmen, klauteren, fietsen, springen, en hoogstens vat ik een loopneusje, of krijg ik klamme handen. Dat gaat wel over. Die kleren kunnen drogen, de schoenen geborsteld. Ik hoef mij niets aan te trekken, van moederlijke angst voor een keelontsteking, of vrienden die dat vrijwillig nat worden maar een achterlijk idee vinden.

Nee bedankt. Ik hoef niet passief, van een afstand, veilig en wel, van een kop thee nippend, het leven te aanschouwen. Ik wil er middenin staan. En omdat het er altijd is, dichtbij, toegankelijk, een ópen paviljoen, kán ik er ook middenin staan. In de speeltuin, in het leven, in de speeltuin dat het leven is.

Mijn huisgenoot zei laatst, op die sociale media site die nog net niet officieel dood is verklaard — Twitter: “Ben er over uit, het leven is wél een speeltuin. En als je ‘normaal met de stroom meegaat’ sta je eigenlijk stil.”

Het komt allerminst onbekend voor. Het hangt overal wel in de lucht. Misschien in andere woorden, of zonder woorden, in een actie, dan wel een argument voor een actie: om te reizen, om te stoppen met een studie, om te beginnen aan iets nieuw. Maar wat houdt dat in, het leven als een speeltuin? Waarnaar verwijst de schommel, de glijbaan, de zon, de regen, de openheid van het paviljoen, in deze metafoor?

Een speeltuin is een plek van pret, van niet te veel nadenken, van zoveel mogelijk proberen, experimenteren op en met de toestellen die er zijn. Het is een plek van ja zeggen, van doen, van op de schommel staan, in plaats van zitten; van op het kinderhuisje klauteren, er van af springen, met je armen omhoog, met je benen wijd; alle mogelijke manieren om van een glijbaan te glijden, of erop te klimmen, ontdekken. Van weigeren te zitten, te rusten, te aanschouwen op een bankje, van achter het raam als het regent. Het is een plek van door blijven spelen wanneer je ouders je naar binnen roepen.

De pret van de regen inzien. De status-quo — “hè, bah, het regent” — doorbreken. Omdat je het wil, omdat je het kan. “Stay hungry, stay foolish”, sloot Steve Jobs zijn beroemde speech op de universiteit van Stanford af. Hij, als oprichter van Apple Inc., als uitvinder van de Mac, de iPhone, de iPad, de Napoleon van de meest recente technologische revolutie; hij is het icoon geworden van het volgen van het hart, van de passie, van de dromen.

In plaats van ’s avonds op de bank naar de zoveelste scripted reality show te kijken, pizzakruimels in je trui en om tien uur naar bed; met je passies aan de slag: schrijven, ontwerpen, schilderen, maken, creëren. Actief zijn, niet passief. Doen, niet hangen. Alle tijd die je hebt benutten, alle kansen grijpen. Luidkeels ‘ja!’ roepen, wanneer een vage kennis op een donderdagavond vraagt: ga je mee naar Parijs, morgen? Niet aarzelen, maar opstaan en je schoenen aantrekken, wanneer om middernacht je huisgenoot op je deur klopt, en je misschien al bijna was gaan slapen, en hij vraagt: kom je mee, op wandel door Amsterdam, op zoek naar de lekkerste gin-tonic? Niet stilstaan, maar bewegen.

Van je hobby je werk maken. Waar je eerst alleen in de avonduren schrijft, apps ontwerpt, of schilderijen maakt, je baan opzeggen en als freelancer verder gaan. De zekerheid verwerpen, de passie omarmen; je huis volproppen met houten plakaatjes die wijsheden zoals “do what you love” verkondigen.

Kiezen voor de regen waarvan iedereen wegblijft, waarvan iedereen vindt dat je ervan weg moet blijven. Als entrepreneur door het leven gaan, in plaats van loonwerken en de portemonnees van grote bazen, van ijzige corporaties, vullen. Ook al is onzekerheid — over je inkomsten, over je toekomst — een inherent onderdeel daarvan.

Wat is zekerheid, in een leven waar je uiteindelijk doodgaat, en misschien wel morgen? Als ik over vijftig jaar op mijn sterfbed lig, of zometeen in de koplampen van een bus staar, blik ik dan tevreden terug op het leven dat ik nu leef, op waar ik nu sta, op wat ik nu doe? Vraag ik me dan af, of ik al die jaren alles heb gedaan, om het beste uit het leven te halen?

De tijd is beperkt, en beter probeer ik zoveel mogelijk speeltoestellen uit. Altijd bewegen, altijd spelen. De pret van de regen inzien. Onafhankelijk zijn: dromen, ambities, verlangens niet laten beïnvloeden door wat anderen ervan vinden.

Het hangt in de lucht, zei ik al, dit mantra, overal. De American Dream is nog lang niet uitgestorven, Steve Jobs’ speech — misschien door mijn generatie al vergeten — zindert, zucht desalniettemin nog na, in de gangen van kunstacademies, middelbare scholen; genadeloos dringt het, wurmt het, perst het zich in de oren van studiekiezers, tussenjaarders en alle andere millenials. Van mond tot mond, oor tot oor, tweet tot tweet. Het puilt in de beschrijvingen van start-ups, reisbureaus, Instragramprofielen en programmeercursussen. Streef altijd naar beter, volg je hart, doe wat je leuk vindt, waar je zin in hebt. Haal het beste uit het leven, want morgen zou je dood kunnen gaan.

En dat maakt juist, dat ik soms gewoon naar huis wil gaan, onder een dekentje kruipen, met thee in mijn hand, rug tegen de verwarming, de gordijnen toe. Rust, stilstaan, niets doen. Do What You Love, het leven als een speeltuin, het klinkt als een prachtig, onschuldig ideaal; maar het maakt mij vreselijk geënerveerd. Elke avond dat ik moe thuiskom van school, eigenlijk gewoon niets wil doen, mijn hersens uitzetten; dan staat het leven me op te wachten, het avontuur.

Ik moet niet op de bank hangen en naar een heerlijk hersendodende realityreeks kijken, maar een film schrijven, of zelfs maken, of anders op zijn minst een intellectueel bevredigende arthousefilm tot me laten komen. Elke minuut, elke seconde van mijn dag moet ik benutten. De tijd, die is beperkt, beperkt, beperkt, en het leven eindig, eindig, eindig. Eén grote to-do lijst, waarin je niet snel genoeg kunt beginnen afvinken.

Elke minuut dat ik niet alles uit het leven haal, elke keer dat ik een uitnodiging voor een gin-tonictrektocht afwijs, pas voor een reis naar Parijs, voel ik me na afloop nerveus en angstig, kom ik in een staat van onrust terecht, want ik haal niet álles uit het leven.

Ik heb er misschien niet altijd nood aan om natgeregend te worden, ook al is het uitdagend, spannend, verrijkend, de status-quo doorbrekend. Stilstaan, “met de stroom meegaan, is eigenlijk stilstaan”. Het is best opvallend, apart, volstrekt ironisch eigenlijk, dat met de stroom meegaan, stilstaan zou zijn.

Is er überhaupt een stroom, in een samenleving waar iedereen zijn eigen kant op gaat, waar iedereen naar onafhankelijkheid streeft, waar iedereen bewéégt? Is er überhaupt nog iemand die van achter een raam toekijkt naar zij die natgeregend worden in de speeltuin? Is het niet zo dat iedereen zich juist dat paviljoen op probeert te forceren? Bestaat ‘de stroom’ niet juist uit een hoop, een berg, een massa individuen, die allemaal doen wat ze zelf willen, of alleszins daar met hart en ziel naar streven? Wordt er niet juist massaal hardnekkig nee geschud, als ik in stilstand wordt gespot?

De speeltuin is misschien helemaal niet zo idyllisch als eerder beschreven, maar juist klein en overbevolkt. Zo vol dat het een helse klus is om binnen te raken, vervolgens duwen, stoten en trekken om überhaupt binnen te kunnen blijven. De schommel altijd bezet, rustig van de glijbaan glijden per definitie uitgesloten. Dit betekent dan ook, dat alleen zij die de kracht en assertiviteit hebben om zich koppig door een massa te wurmen, om anderen van de schommel te duwen, met zandbakzand in ogen te gooien opdat een meesterlijk zandkasteel niet omver getrapt wordt, de kans krijgen om überhaupt in de speeltuin te spelen.

Steve Jobs verwaarloosde zijn dochter om zijn eigen levensdroom te verwerkelijken, liet duizenden arbeiders aan een slavenloon ‘zijn’ technologische revolutie tot stand brengen, de portemonnee vullen van zijn ijzige corporatie. Ik hoef mij niets aan te trekken van de gevoelens, de wensen van mijn vrienden, mijn familie als die het verwezenlijken van mijn ambities in de weg staan. Do What You Love is een vrijkaart om iedereen om mij heen te laten vallen, op elk moment dat ik mij belemmerd voel in het doen wat ik leuk vind. Nooit hoef ik me af te vragen wat ik misschien voor een ander kan betekenen.

In de vragen “is dit goed voor mij?”, “heb ik hier zin?”, en “is dit wat ik wil?” wordt een ander, dé ander, per definitie buiten beschouwing gelaten. Ook Steve Jobs verbiedt het ons in zijn speech om in functie van anderen te leven.

Maar wanneer leef ik in functie van een ander, en wanneer hou ik rekening met een ander? Die grens is vaag, misschien wel weggevaagd door Steve Jobs. In zijn speech wordt er over ‘de ander’ uitsluitend gesproken als iemand die je van het vervullen van je dromen weerhoudt. Het is per definitie een duiveltje die jij ongevoelig van de schommel moet weerhouden, of als het te laat is, koelbloedig eraf te duwen, want zij zouden jou in functie van hun eigen dromen hetzelfde aandoen.

Maar het zijn ook mijn ouders die in de regen wachten, zich zorgen makend, uit liefde, terwijl ik wat in de regen dans. Een naaistreek eigenlijk, als je het zo bekijkt, dat dansen in de regen.

Het leven als speeltuin zien is niet rebels, niet tegen de stroom in. Als er iets is waar men hardnekkig nee op schudt, dan is het wel stilzitten. Dan is het wel kiezen voor een ons in plaats van een ik. Wat is er mooi en onschuldig aan om in de naam van Do What You Love, je ouders te laten verkleumen in de regen, een ander van de schommel te duwen, zodat jij erop kan spelen; om alleen jezelf, en nooit de ander, een geluk te gunnen.

Het risico van de speeltuin is groter dan een loopneusje en klamme handen, het gevaar is dit koelbloedig egocentrisme. En misschien is het juist te danken aan Do What You Love dat we allemaal duiveltjes zijn geworden, omdat het de oorlog aan ‘de ander’ heeft verklaard.

 

Dit essay verscheen in de reeks Essays 2016-2017, eindteksten Beschouwend schrijven van de tweedejaars studenten van de Schrijfopleiding.

Reacties (1)
  • Waarom kan ik dit bericht gvd niet ‘liken’?

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *