Ode aan Utrecht.

Nina van Tongeren

Nina is geboren en getogen in Dordrecht, tussen de romantische kleine huisjes en de tokkies. Die combinatie zorgt er later voor dat ze zich in haar schrijven graag op de grens tussen het schone en het lelijke begeeft. In Dordrecht is ze ook werkzaam bij Het Weeshuistheater, waarvoor ze optreedt als schrijver en allround regelnicht. Naast toneelteksten schrijft ze vooral poëzie maar ze is ook zoekende in beschouwende teksten en scenario's. In haar teksten zoekt ze naar kwetsbaarheid en probeert ze altijd eerlijk te zijn, ook als dat niet makkelijk is

Latest posts by Nina van Tongeren (see all)



Ode aan Utrecht
 
Hoog Catharijne zoemt en bromt.
Weldra staan haar winkels vol met volk dat niet begrijpt
Dat geluk hier niet te koop is, maar te vinden.
 
Er loopt een meisje door de straten dat het weet; ze is hier pas,
Maar ze weet alles: ze is versmolten
Met in steen gelegen eeuwen in de stoep
Van het Domplein.
 
Ze vindt het in de grachten waar een roeiboot spaak loopt
En een eend om zijn as duikt als een speelgoedtol.
Soms is er een kat: een rode kater, koddig dik,
Die langs de ingegraven restaurants spint;
Hij bedelt bij toeristen en wordt geaaid
Door studenten commutatiewetenschappen.
 
Alles is zoals het hoort, de stad ligt diep en zwaar
In de voegen van het water;
Ademt koffie, uitlaatgassen,
Of hijgend van de treinspits in de ochtend,
Maar altijd is er muziek en altijd
Is er de wil om een geheel te zijn.
 
Als het meisje de kat ziet staat ze stil, dan weet ze
 
Dat vandaag een goede dag gaat worden en
Een goede nacht, waarin ze slaapt:
Ingebakerd in de armen van het Oorsprongpark,
Dat oud en jong is tegelijk; dat ruikt naar wiet
En haar tot rust zingt: ‘morgen is er weer een dag
 
En weer een nacht, om te verdwalen.’
 

Klaagzang aan haar gebrek aan eiland:
Waarin ik Utrecht er (oneerlijk maar terecht)
van beticht niet Dordrecht te zijn
 
Leer nou eens te houden
Van de markt die in zijn kinderschoenen staat,
Als je verloren door het licht loopt
En de kinderkopjes mist
Onder je voeten.
 
De Stad is groot en grauw, met uitschieters
Van kleur en dag: het Neude doet haar best, ze wil
Door mij gezien en dat we samen zijn:
Ik loop terloops achter haar langs
En raak haar niet:
Waar is de eindeloosheid van het water;
Waar is het slijk waarop de wereld staat; het Eiland
Dat aan haar ontbreekt?
 
Lombok stuurt me liefdesbrieven:
Als er whisky is, dan ga ik met haar mee.
Ik laat mijn vingers langs haar straten lopen;
Ik dans met haar over de Muntkade en vrij met haar
Als het niet anders kan.
 
Lieve Stad:
Lieve, mooie stad, jij
Met je wimpers van rolgordijnen
En je ondergoed van laminaat;
Mijn lief, mijn eeuwenoude, nieuwe lief,
Die ik verlang maar nooit begrijp:
Het spijt me, lief.
Ik kan niet bij je blijven.
 
Het is niet dat ik niet wil,
Maar dat ik al verliefd ben en vergeten
Hoe de naam van elke andere Mijne-Lieve-Vrouwe
Titel wordt van een sonnet.
 
Ik hou van je, maar alles in de wereld
Heeft een plek.
En Zij is mijn bed; mijn ledikant en kist;
Zij is mijn zon-schijnt-op-het-water-en-geeft-terug, mijn
Ochtendgeur-tot-elven-gloed,
Zij is mijn eerste
 
En mijn laatste wens:
Ja.
Ik ben een eilandmens.

One Comment

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *