5mz_m06fc9g-roman-mager
2nd Jan

‘Sander, kom snel! Het onderwijs lekt een beetje!’

Het schoolplein. We staan verzameld voor de grote deurmat waarop staat: welkom. De grote blauwe deuren staan op een kiertje. We horen gekraak maar we zien nog niets. Ik zie dat het gras net gemaaid is, en dat de stenen net zijn gepoetst. De wijzers van de klok staan al op drie voor half negen. ‘We moeten naar binnen!’ roept iemand, maar hij verzet geen stap.

Een groepje vrouwen staat van een afstandje naar ons te kijken. Eén van de vrouwen vertelt dat ze straks een gesprekje heeft met de juf van haar dochter. Ze kijkt zorgelijk naar het gebouw en twijfelt of haar afspraak nog doorgaat. Een andere vrouw vraagt wat de reden is achter het gesprekje. De vrouw met de afspraak vertelt dat haar kind niet meer zelfstandig haar opdrachten mag nakijken van de juf, omdat ze een halfjaar lang de antwoorden uit het antwoordenboekje heeft overgeschreven. Nu moeten ze er over praten. De vrouwen kijken begripvol en zorgelijk. Er wordt een gezamenlijk advies gevormd om straks bij een Vrije School te gaan kijken als optie voor een middelbare school. ‘Daar zitten de meer creatievere kinderen, die ook niet van rekenen houden.’

Ik moet denken aan mezelf toen ik als klein meisje, met het haar alle kanten op en met chocoladepastaresten om mijn mond, de klas binnenstapte en de juf smeekte om vandaag met taal te beginnen. Want ook ik trok een lang gezicht als het groene rekenboek onder mijn neus geschoven werd. En ja, ook ik hield bij het nakijken altijd mijn blauwe pen in de aanslag, uit schaamte voor mijn hoeveelheid fouten, die ik dan maar snel verbeterde met het goede antwoord. Ik was twaalf en wilde alsmaar met potloden en Playmobil spelen. Ik wilde lampionnen maken voor Sint-Maarten, en ik hoefde er niet eens per se mee te lopen. Ik wilde surprises maken voor Sinterklaas. Een hele grote van papier-maché, en als hij af was kon ik er een hele avond trots naar kijken.

Op een gegeven moment was het uit met de pret en moest ik een middelbare school kiezen. Ik had geen idee. Alles was te groot, te eng of te ver. Toen ik een middelbare school binnenstapte die toevallig Montessorionderwijs gaf, was ik verkocht. Een grote zolderruimte om toneel te spelen en verkleedstukken in overvloed. Meisjes die naar mij lachten en beloofden dat ik hier nooit gepest zou worden. En een kantine waar ze warm eten verkochten (ik haatte het droge brood dat mijn ouders mij meegaven). Alles zei ja. Maar ik deed het niet. Ik ging mee met het verstand van mijn ouders die voor een school waren die regulier onderwijs gaf. Ik moest goed wiskunde leren, dat toneelspelen deed ik er maar naast. En dat plannen zou vanzelf wel komen.

Ik zet er even bij: Ik ben goed terecht gekomen. Begrijp me niet verkeerd, ik had leuke vrienden, leerde moeizaam maar braaf en at het droge brood dat mijn ouders mij meegaven, keurig op tot de laatste kruimel.

Dus ik wist eigenlijk al heel goed wat ik toen wilde, dingen maken, creëren en onderzoeken. Daarom past de kunstacademie denk ik nu ook zo goed bij me. Nu kun je denken: ‘Stomme ouders, die hadden dat moeten zien aan hun kind’. Maar het kind wist het toch eigenlijk ook al? Alleen was zij niet zelfverzekerd genoeg van haar kwaliteiten.

Terug naar het schoolplein. Er beginnen barstjes in de dikke stenen muren te ontstaan. We blijven geïnteresseerd kijken hoe die zich verspreiden. De schoolbel die helemaal hoog in het torentje hangt, galmt luid. Meer kinderen verzamelen zich rondom de deur. Ik zie ze twijfelen. Een tweetal durft naar binnen, een enkeling springt weer op zijn fiets terug naar huis. We kijken hoe de barstjes zich ontwikkelen tot scheuren. De bel klinkt luider. Het is één voor half negen. Iedereen moet nu naar binnen.

De prestatiecultuur overheerst. En op dat punt verliezen we allemaal. Als ik kijk naar voetbalhooligans die elkaar te lijf gaan, of naar ouders die na een dag werken op kantoor, thuis komen en uit hun dak gaan als de post niet bezorgd is/de televisie niet aangaat/het kassameisje een foutje maakt in teruggeven van het wisselgeld: mensen gaan los om vrijwel niets. Daar zit wat achter. Persoonlijke aandacht is er nooit geweest, of niet genoeg. Mensen weten niet wat ze voelen, waarom ze zich zo voelen, en die zoektocht daarnaar is nooit gezien als een kwaliteit of is überhaupt nog nooit opgekomen als gedachte. Het is ook vaak een taboe, mensen verklaren je voor gek. Het is ‘zweverig gelul’ of ‘gezeik’. Reflecteren en analyseren zijn vaardigheden die helemaal niet voorop staan in het basis- of middelbaar onderwijs. Als klein kind werd ik nauwelijks getraind om naar mezelf te kijken, mijn leer- of groeiproces te bekijken. Er werd weinig gevraagd om een mening te vormen en die te onderbouwen of te analyseren. Om nog maar te zwijgen over wat ik erbij voelde.

Ik dacht na over al die vakken die ik had gehad, en kwam op één verplicht vak dat deze vaardigheden traint. Maatschappijleer. Maatschappijleer wordt door de Nationale Onderwijsgids omschreven als een vak waarbij maatschappelijke en politieke vraagstukken worden geanalyseerd. Er wordt geflecteerd over het zoeken van oplossingen. Het vak heeft ook als doel de leerling zichzelf een plek te geven in de maatschappij en zijn waarden over zijn of haar standpunten over de politiek en maatschappij te laten ontwikkelen. Ook leren leerlingen kritische denken en ontwikkelen zij een positieve houdingen tegenover onze democratisch rechtstaat.

Ik lees ook dat maatschappijleer al eerder wordt gezien als oplossing voor een probleem: dit najaar pleitte het CDA en de PvdA om verplichting van het vak maatschappijleer voor mbo-leerlingen. In de krant Metro zeggen Mohammed Mohandis van de PvdA en Michel Rog van het CDA: ‘We moeten voorkomen dat huidige mbo’ers opgroeien in een samenleving waar ze zich niet gehoord voelen, ze het idee hebben niet mee te doen en uiteindelijk afstand nemen van de Nederlandse samenleving.’ Een oplossing voor een probleem dat denk ik al veel eerder speelt in het leven van jongeren, al lang voordat zij naar het mbo gaan.

Intussen op het schoolplein staan we nu met z’n allen tegen de muur te duwen. Ondertussen smeert er iemand cement tussen de scheuren.

Ik hoor iemand gillen: ‘Waar blijft Sander nou? Hij moet nu komen! Ik houd het niet meer!’ Ik zie iemand driftig een nummer intoetsen.

In de derde klas kon ik dan eindelijk afscheid nemen van alles waar je een rekenmachine voor nodig had. Er was alleen één probleempje: stel dat ik na mijn eindexamen nog twee jaar door zou willen leren voor mijn vwo-diploma, dan heb je het vak wiskunde nodig. Maar waarom? Het was al jaren duidelijk dat ik niks had met getallen of alles wat begon met ‘Jantje ging naar de markt en kocht drie appels…’

Al heel vroeg hadden ze mijn ouders al kunnen vertellen: ‘Erg leuk kind die Roos, maar weet alvast dat zij nooit naar Delft (TU) gaat.’

Ik wilde evenmin iets met wiskunde als ooit met rekenen. Dat kon je zien aan mijn vakkenpakket, houding, cijfers en gezichten van docenten. Wat wilde ik eigenlijk met een vwo-diploma? Nederlands of (kunst)geschiedenis studeren. Een goede match leek me, want ik stond voor Nederlands een 7,5 en ook geschiedenis bracht ik er goed vanaf. Maar kon ik dat studeren zonder dat ik wiskunde op vwo-niveau kon beheersen?

‘Nee dat kan niet, dat heb je echt nodig.’

Het schoolplein. Een meisje naast mij huilt nu. Ik voel mijn armen verzuren. Ik zie een jongen die met zijn handen omhoog, het dak tegen houdt. Hij glimlacht flauwtjes. Dan horen we een schreeuw van verlossing.

‘Ik zie hem! Hij komt eraan!’

En daar komt Sander, in pak en op zijn paard, in een sprint naar ons toesnellen. ‘Sander, Sander! Het onderwijs lekt een beetje.’

Ik hoor mezelf vermoeid klinken. De jongen die nog steeds zo dapper het dak omhoog houdt kijkt me verbaasd aan.

‘Nee Roos, het lekt niet, het stort in elkaar!’

Ik snuif.

‘Geen nood, ik heb een plan’, roept Sander.

Staatssecretaris van onderwijs Sander Dekker kwam vorig jaar met iets nieuws. Studenten zouden de mogelijkheid krijgen om hun beste vakken nog beter te kunnen doen. Deze zouden ze namelijk op een hoger niveau kunnen volgen. Als je havo doet, en goede cijfers haalt voor Nederlands, zou je dat vak bijvoorbeeld kunnen volgen in een vwo-klas. Nu zijn het alleen de scholen die bepalen wat studenten krijgen aan stof, maar dat kan anders. Maatwerk voor studenten. Het zou een hel kunnen zijn voor roostermakers en docenten, maar de leerling wordt uitgedaagd. Het voorkomt achterover leunen. ‘Niet ieder kind past precies in het vakje vmbo, havo of vwo’, zegt Dekker. ‘Nu bepaalt je slechtste vak vaak hoe goed je kunt zijn in je beste vak. Dat is demotiverend en een verkwisting van talent.’ Zegt Dekker in de Volkskrant.

‘De schotten tussen vmbo, havo en vwo moeten verdwijnen’, zegt ook de voorzitter van de VO-raad Paul Rosenmöller in de Volkskrant. ‘Leerlingen zouden de mogelijkheid moeten hebben sommige vakken op een lager niveau en sommige op een hoger niveau te volgen.’

Sander Dekker, wat ben je leuk. Want zo kijken we naar waar we goed in zijn en waar niet. Wat we leuk vinden en wat niet. Wordt er interesse gewekt in vakken, worden we uitgedaagd. Wordt het motto ‘jezelf ontwikkelen is belangrijk’ toegejuicht. Komt het doel van de middelbare school terug onder de leerlingen. Want dat is wat ik uiteindelijk ook erg nodig had. Waarom zit ik hier voor dit schoolbord? Toch eigenlijk alleen omdat het moest. Ik zou anders zo’n geel briefje thuis opgestuurd krijgen, waarin stond dat je drie uur lang afval zou gaan prikken aan de kant van de weg. Daarom ging ik. Eigenlijk uit angst voor wat er zou gebeuren als ik niet zou gaan. Pas in de vierde klas werd gezegd: ‘Dit zijn data’s van open dagen van universiteiten en hoge scholen en bij de decaan kun je vragen wat voor opleiding je kunt doen.’

Veel te laat, hier had ik al mee bezig moeten zijn toen ik in de tweede of begin derde zat. Waar moet ik anders voor leren, ik heb een doel nodig!

Aan het nieuwe idee zit natuurlijk ook een randje, het gevaar zou zijn dat leerlingen lui worden en te snel ‘bepalen’ waar ze goed in zijn en waar niet. De onderwijsraad vreest ook voor extra eisen voor een toelating en een hogere moeilijkheidsgraad voor een toelatingsexamen voor vervolgstudies. Daarnaast zou er logistieke verwarring zijn. Kun je met een vwo-diploma en twee vakken op havo-niveau wel, of niet naar de universiteit? Dat hangt af van de studie die je graag zou willen doen, zou ik zeggen, maar het zal wel niet zo simpel zijn.

Het schoolplein. Het groepje vrouwen op het schoolplein praat door over hun kinderen en het onderwijs. Een vrouw vertelt dat haar kind straks naar een middelbare school wil in de stad, maar dat zij dat als moeder liever niet heeft. Ik zie de andere vrouwen begrijpend knikken. Terwijl ik het bord ‘School’ opnieuw ophang aan het gebouw, zie dat ik mijn vinger al heb uitgestoken en wijs naar haar.

‘Dat moet jij helemaal niet bepalen!’, schreeuw ik vanaf de ladder.

Het is er al uit voordat ik er erg in heb. De vrouwen kijken me verbaasd en aangevallen aan. Na een paar seconde stilte gilt er één: ‘Jij moet je er niet mee bemoeien, kind!’

Ik gil terug dat ik geen kind ben en moet huilen. Ik klim van de ladder af en huil nog harder. Het is weer even stil. Eén van de vrouwen komt naar me toe en slaat een arm om me heen. Ik snik dat ik het moeilijk vind. Ze begrijpt het niet, maar knikt.

Uiteindelijk smeren we met z’n allen cement tussen de scheuren en het is gezellig. Sander vraagt of we nog koekjes en thee willen, maar dat slaan we af. Het werk moet eerst af. Sander zegt dat hij het begrijpt en stroopt zijn mouwen op. Zijn broekspijpen zitten onder het cement. ‘Maar dat is niet zo erg’, zegt hij.

 

Dit essay verscheen in de reeks Essays 2016-2017, eindteksten Beschouwend schrijven van de tweedejaars studenten van de Schrijfopleiding.

 

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *