2w_u2-ah57e-charlz-gutierrez-de-pineres
31st Dec

Telefoontje, klokje, duimpje omlaag

Het is weer zo ver: ik word aangestaard door een wit Word document. De cursor tikt. Eerst afwachtend, daarna dwingend. Ik maak iedere dag een to-do-lijstje en voor vandaag is alleen ‘essay’ nog niet afgevinkt. Een stressgevoel bekruipt me als ik me bedenk dat dit alles binnenkort af en helder geformuleerd moet zijn. Ik vlucht weg van dit gevoel via de homebutton van mijn iPhone, die al die tijd al naast mijn laptop lag. Nieuwe WhatsApp-berichten lokken me naar binnen. Voor ik het weet ben ik mijn Facebook- en Instagramfeed door gescrold, gestrand op een slideshow van “the 10 exciting hairstyles of Victoria Beckham” (wat overigens tien keer een bob is, in verschillende lengtes). Voorzichtig kijk ik op. Daar is de leegte van mijn Word document weer. Dan nu een tweede poging, met mijn telefoon opgeborgen in een ladekastje op veilige afstand.

Ik functioneer niet meer. Ik kan dingen slecht onthouden en ik ben snel afgeleid. Dat is jammer. Zo herinner ik mij bijvoorbeeld op een doordeweekse dag dat ik mijn jurk moet ophalen bij de stomerij. Dat kan ik mooi op de terugweg naar huis doen. Aangezien ik bang ben dat ik het vergeet, zet ik het op mijn to-do-lijstje in mijn telefoon. Eenmaal ’s avonds thuis denk ik: ik moest toch iets doen vandaag? Ik kan mij niets meer herinneren van een to-do-lijstje dat ik ergens in mijn telefoon heb opgeslagen, dus begin ik aan mijn schrijfopdracht. Dan bedenk ik me dat ik in mijn notities op mijn telefoon een aantekening had gezet bij wat ik wilde herschrijven. En zie daar: het to-do-lijstje met daarop, in hoofdletters: STOMERIJ JURK. Alhoewel ik al dagen wist dat die jurk deze dag opgehaald diende te worden, was het me op het moment zelf toch volledig ontgaan.

De hele dag door word ik geconfronteerd met mijn matig functionerende brein. Al deze dingen hebben tot gevolg dat ik mijn eigen hersenen niet meer echt de functie ‘onthouden’ toevertrouw. Blijkbaar denk ik dat mijn telefoon dat onthouden beter kan, dus sla ik alles daarin op. Dat is een slechte zaak, want daarmee train ik mijn brein niet meer om te filteren op wat onthouden dient te worden. Zo verliezen mijn hersenen de focus en ‘besluiten’ helemaal niets te onthouden. Het functioneren van mijn brein is in een neerwaartse spiraal terechtgekomen. Het kan daarom een idee zijn mijn telefoon weg te leggen en de notitie STOMERIJ JURK in plaats van in mijn telefoon, in mijn hoofd op te slaan. Op die manier train ik mezelf om zelf te weten – als in: echt wéten – wat me op een dag te doen staat. Hopelijk geeft dit een overzicht, en, al bedoel ik het niet zo zweverig als het klinkt, meer rust in het hoofd.

Er klinkt er een vaag, onbestemd geluid uit de kast. Eerst kan ik het totaal niet plaatsen, dan herinner ik me dat ik mijn telefoon voor mezelf had verstopt, voordat ik aan het schrijven begon. Ik word gebeld, door mijn moeder, zo blijkt. Ik ben zo’n persoon die eerst tien seconden naar het scherm blijft kijken, mezelf afvragend of ik wel zin heb in een gesprek, maar uiteindelijk neem ik toch op.

We zijn een half uur verder (mijn moeder had veel te vertellen, over verjaardagen, de katten, de verhuizing van oma enzovoort), dus moet ik weer even moeite doen om me op mijn Word document te concentreren. Mijn telefoon leg ik weer op de oude vertrouwde plek naast mijn laptop.

Het zou best wel eens kunnen dat mijn telefoon niet alleen de functie ‘onthouden’ van mijn brein heeft overgenomen, maar als een ware parasiet ook de oorzaak is van het probleem. De constante informatiestroom die mijn telefoon genereert, zorgt namelijk voor het onvoldoende verwerken van die informatie. Deze blijft hierdoor in mijn hoofd hangen en gaat concurreren met de dingen die ik wel écht moet onthouden. Ik heb bijvoorbeeld niet onthouden dat ik mijn jurk bij de stomerij op moet halen, maar ik weet nog wel dat ik een mailtje van Theater Kikker kreeg met de vraag of ik mijn iban-nummer even wil e-mailen. Ik open dat mailtje, en ik denk: dat doe ik thuis wel. Als ik dat mailtje niet al op mijn telefoon had geopend, had die informatie dus niet al om plek in mijn hoofd hoeven vechten met de jurk die opgehaald moest worden.

Sidenote: Ik heb in mijn telefoon een lijstje staan met argumenten waarom ik zonder telefoon zou moeten kunnen…

Maar moet ik alles zelf kunnen onthouden? Is het in deze wereld eigenlijk nog wel mogelijk om net zo snel te kunnen lopen als je geen gebruik maakt van de gemakkelijkheden van de smartphone? Als ik mijn moeder en haar smartphone-gebruik observeer, valt me op dat ze haar telefoon alleen oppakt als ze hem echt nodig heeft. Ze hoeft zichzelf niet te weerhouden van eindeloos tijdverdrijf op Facebook en neemt haar telefoon ook niet altijd overal mee naartoe. Waarom kan ik dat niet?

In mijn dagelijks leven merk ik vaak dat er vanuit wordt gegaan dat er snel online gereageerd kan worden op berichten. Als mijn zus me een berichtje stuurt –

Om één of andere niet te verklaren reden pak ik mijn telefoon op en ontgrendel deze. Geen berichten, niets te zien. Ik moet verder schrijven, niet meteen bij elke zin waarvan ik niet weet hoe hij moet eindigen mijn telefoon oppakken in de hoop het antwoord daar te vinden.

Mijn zus gaat er dus vaak vanuit dat ik snel kan reageren. Ik zit met mijn ouders en mijn zus in een WhatsApp-groep vernoemd naar de dijk waaraan mijn ouders wonen. Als er niet op tijd gereageerd wordt, is dat vaak een probleem. Iemand staat in de kou op een station, te wachten om opgehaald te worden, of de één koopt ingrediënten voor een halve lasagne en de ander voor een halve champignonrisotto, en vervolgens is bij thuiskomst de oven óók nog niet voorverwarmd (terwijl het nog zo duidelijk in de app stond: Verwarmt iemand de oven alvast voor? Bestekset, wijnglas, duimpje omhoog).

Het zou voor mijn mentale staat veel rustiger zijn als we minder online zijn, en er minder vanuit gaan dat anderen dat voortdurend zijn. In het geval van mijn moeder weet ik dat ze niet vaak op haar telefoon kijkt, dus bellen we als er iets is of als we gewoon willen bellen. Daar zit dan ook een probleem. Ik ben vaak online, dus weten mensen dat ik met een simpel berichtje te bereiken ben. Als ik minder online zou zijn, zouden mensen me dan ook vaker bellen, omdat ze weten dat ik niet snel op berichten reageer? Of moet ik radicaal zijn en mijn smartphone gedag zeggen, zodat mensen niet anders kunnen dan me bellen of sms-en?

In de NRC lees ik – online – een item door Mirjam Remie over WhatsApp-drukte. Want als iets ons uit onze concentratie haalt, dan is het wel de constante stroom aan berichten in WhatsApp-groepen. Het is mogelijk de meldingen hiervoor uit te zetten, een fijne mogelijkheid, wetende dat het aantal berichten gemakkelijk tot in de honderd loopt binnen een uur. Maar met die stilte is het probleem niet opgelost. Ook met het aanmaken van verschillende groepen voor verschillende onderwerpen (ik ben onderdeel van een vriendengroep die ooit een serieuze en niet-serieuze groep wilde aanmaken), verhelp je het probleem niet. Je kunt op deze manier weliswaar de informatiebinnenkomst structureren, maar niet de hoeveelheid. Dat leidt vaak tot een te veel aan informatie, vooral aan informatie die onbelangrijk is. Het scheiden van belangrijke en onbelangrijke informatie kan mijn brein helemaal niet, dus raakt het vol.

 Het scherm van mijn telefoon licht op, vanwege een binnenkomende Snapchat van mijn zus. Ze ligt op de bank met virtuele hondenoortjes en een tong uit haar mond. Ze verveelt zich.

 Het is bovendien jammer dat internet niet ten gunste staat van onze contacten met anderen. Alhoewel het een mooie manier is om relaties te onderhouden, gaat het hier vaak om enkel oppervlakkig contact. Mensen die ik nooit zou bellen zitten wel in mijn online netwerk. Vind ik het echt leuk dat mijn basisschoolgenoot een zoontje heeft gekregen? Of klik ik dat duimpje aan uit automatisme? Omdat het toch zo weinig moeite kost, dus waarom niet? Als ik haar – met of zonder zoontje – op straat tegen zou komen, is de kans klein dat ik haar gedag zou zeggen, laat staan dat ik het uitgesproken leuk zou vinden dat ze een kind heeft gekregen. Van al mijn Facebookvrienden weet ik de kleine onbenullige details, terwijl ik van veel van hen niet weet hoe ze in het leven staan. En áls iemand daar dan een uitspraak over doet, vind ik dat al snel misplaatste aandachttrekkerij, niet geschikt voor oppervlakkige positivismewaan die op Facebook heerst.

Ik open mijn telefoon. Bij mijn mail zie ik het welbekende rode bolletje verschijnen: twee nieuwe e-mails. De essays van mijn klasgenoten stromen nu al langzaam mijn mailbox binnen. En ik ben nog nergens… Ik kom in tijdnood (help). In paniek leg ik mijn telefoon weer weg, het scherm naar beneden. De rust keert weder.

Het tegenovergestelde overkwam me vorige zomer op een festival. Ik kwam een middelbare schoolvriendin tegen die ik, zoals dat gaat nu we allebei ergens anders studeren, uit het oog verloren ben. Zij is niet actief op sociale media, en nooit geweest. We hebben daar, met onze ruggen tegen een met gras bekleed dranghek leunend, minstens een uur staan praten. Een leuk gesprek over wat we nu studeren, wat ons bezighoudt, en wat we later willen. Als ik haar leven op sociale media had kunnen volgen, dan was dit gesprek er waarschijnlijk niet geweest. Het was dan vast niet veel verder gekomen dan een ‘hoi’ en misschien daarna zoiets als ‘was het leuk in Marokko vorige zomer?’ waarop dan waarschijnlijk een oppervlakkige ‘ja, echt super’ had gevolgd.

Opnieuw licht het scherm van mijn telefoon op, en weer is het vanwege een Snapchat. Nadat ik de Snapchat van mijn in Zweden wonende vriendin Stina heb geopend, waarin ik haar familie zelf gevangen kreeft zie eten aan het water, blijf ik even op mijn telefoon rondhangen. Daar vind ik een Snapchat story (een filmcompilatie rondom een bepaald thema of evenement) over de Victoria Secret Show. Zonder dat ik het echt wil bekijk ik een filmpje van een aantal blondines van mijn leeftijd die, hun afgetrainde, gebruinde lichamen in glitterbikini’s gestoken, luchtkusjes naar de camera geven.

Terwijl ik er helemaal niet om gevraagd heb, ben ik opeens, geheel onvoorbereid, met het huidige schoonheidsideaal geconfronteerd. Nu heb ik een aardig relativerend vermogen (ik ben blij dat ik hersenen heb), toch schrik ik van de dunne benen en lange wimpers. Misschien komt daar het onzekere pubermeisje weer in mij naar boven, misschien komt deze klap in mijn gezicht vooral door de manier waarop. Als ik een modeblad opensla weet ik: dit is make-up, photoshop en de juiste belichting. Op Snapchat werkt dat anders. Daar bekijk ik eerst een filmpje van een vriendin, dat is persoonlijk en daarmee verbind ik me. Direct daarna kom ik in aanraking met iets dat veel verder van mij afstaat. Ik moet snel schakelen tussen een persoonlijk bericht en de ver-van-mijn-bed-show die de Victoria Secret Show is. Dat is lastig. Ik denk niet dat ik dat goed genoeg kan. Zoals mijn brein de informatiestroom van WhatsApp niet kan filteren, zo kan ik ook niet goed onderscheid maken tussen persoonlijke berichten en mediaberichten. Van de Victoria Secret Show is dit natuurlijk heel slim: ze komen direct mijn persoonlijke leven binnen via sociale media, in dit geval Snapchat.

Victoria Secret is natuurlijk niet het enige merk dat hiervan gebruik maakt. Op Facebook kom ik talloze gesponsorde berichten tegen. Deze berichten zijn ook nog eens gebaseerd op mijn Google-zoektermen en bezochte websites. Als ik online naar nieuwe hardloopschoenen heb gezocht, vind ik precies de twee paar waartussen ik heb getwijfeld vervolgens in mijn Facebookfeed. Facebook biedt bedrijven daarmee het meest op maat gemaakte reclamemedium ooit, en daaruit kun je opmaken: wij als gebruikers zijn Facebook’s product. Enerzijds denk ik dat het belangrijk is dat we ons daarvan bewust zijn, anderzijds denk ik dat een bewustzijn totaal niet uitmaakt. Reclame werkt nu eenmaal, dus wat doet een bewustzijn daartegen? De reclame die via sociale media mijn strot in wordt geduwd, heeft invloed op mijn koopgedrag. Dat is indirect de prijs die ik betaal voor al die likes en shares.

Sidenote: minder online betekent minder Donald Trump en minder zwarte pietendiscussie in je leven.

Als test scrol ik door mijn Facebookfeed, op zoek naar de gesponsorde berichten en wat zij mij aanprijzen. Het resultaat: een artikel van de Correspondent, een vintagekledingmarkt in de IJ-hallen, een evenement van het Belgisch biercafé in Utrecht, promotie voor een muzikale theatervoorstelling. Kortom: Facebook weet, gezien al deze vrij specifiek gerichte promotieberichten, aardig goed wie ik ben. Is het eigenlijk erg dat Facebook dat van mij weet? In principe kan dat ook alleen maar handig zijn: ik krijg berichten over onderwerpen waar ik ook daadwerkelijk in geïnteresseerd ben. Ik ontvang mijn nieuwspakketje op maat: linkse opiniestukken en artikelen. Zelf vind ik dat niet zo erg, maar als ik naar het grotere plaatje kijk vraag ik me af of het verstandig is dat ieders mening en wereldbeeld voortdurend bevestigd wordt door de berichten die op Facebook voorbij komen. Het zal op deze manier niet lukken ons wereldbeeld te verbreden. Volgens mij is het heel belangrijk dat we de andere kant van het verhaal ook horen, en niet enkel de berichten kunnen liken die deze andere kant belachelijk maken.

Mijn telefoon ligt nog altijd naast mijn laptop met het scherm naar beneden. Ik was hem bijna vergeten. Nu heb ik hem toch weer nodig, al is het maar om mijn essay af te ronden. Is er nog iets gebeurd? Iets waar ik boos om kan worden? Iets wat me niet interesseert? Of juist iets wat mijn wereldbeeld zo lekker bevestigt? Niets? Ook geen nutteloos bericht in een groeps-app? Met een onbevredigd gevoel leg ik mijn telefoon weg.

 Wat wil ik nu eigenlijk? Ik ben teleurgesteld als mijn telefoon te lang stil is, want op internet, daar gebeurt het tegenwoordig. Toch zou ik liever hebben dat het om me heen gebeurt, in de echte wereld. Wil ik over op de oude Nokia van mijn vader? Dan heb ik geen Buienradar meer, geen 9292, geen ING bankieren-app. En om eerlijk te zijn vind ik e-mail, WhatsApp en Facebook op mijn telefoon ook best handig. Mijn smartphone gedag zeggen zou betekenen dat ik ‘een stap terug’ moet zetten, dat mijn leven weer wat langzamer moet gaan. Met meer rust, waarschijnlijk, dat wel. Misschien dat het daar in de toekomst wel van gaat komen, maar liever nog leer ik mijn telefoon zo te gebruiken dat mijn mentale staat er niet onder lijdt. En dat betekent: de boodschappenlijstjes voortaan in mijn hoofd opslaan, in plaats van in mijn telefoon. Dan heb ik die Brain-training app ook niet meer nodig.

Ik ontgrendel mijn telefoon en open het WhatsApp-gesprek met mijn ouders en zus. Ik stuur: ‘Mijn essay is af! Tangodansende mevrouw, feesthoed, duimpje omhoog.’ Mijn moeder antwoordt, vooral voor haar doen, verrassend snel: ‘Fijn! Cactus, kippetje, trompet.’

 

Dit essay verscheen in de reeks Essays 2016-2017, eindteksten Beschouwend schrijven van de tweedejaars studenten van de Schrijfopleiding.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *