Schermafbeelding 2014-04-04 om 13.53.23
4th Apr

Tocht

Door Marjolijn Hordijk (wri 1)

SCENE 1:

Helena alleen. Donker

HELENA:
Ik plukte bloemen, gele asters, in de weide naast ons huis. Asters groeiden toen nog. Het was lente, denk ik.                                                    
Ik hoorde de karrenwielen op het keienpad niet. Zo geruisloos reed hij zijn enorme zwarte hellehondenkar.                                                                       
Zo geruisloos deed hij alles.
Zo geruisloos lachte hij. Zo geruisloos kuchte hij.                                       
Zo geruisloos had hij mij lief.

Beat gaat aan.

Hij komt me halen.                                                                                         
Nog even. Prinses.

SCENE 2:

Helena, Franciscus

Het licht gaat aan. Helena wordt tijdelijk verblind. Franciscus op met een lang smal pakje in zijn hand. Zit een bloem in, blijkt later, maar is nog niet zichtbaar.

HELENA:                    
Wat is er?                

FRANCISCUS:              
Ik hoorde je huilen.

HELENA:                     
Ik huilde niet.          

FRANCISCUS:              
Ik dacht dat ik je hoorde.

HELENA:                     
Het was de tocht.

FRANCISCUS:              
Ik zal de scharnieren nakijken.

HELENA:                     
Goed.

FRANCISCUS:              
Nu?

Helena haalt haar schouders op

FRANCISCUS:
Later.

HELENA:                     
Later.

FRANCISCUS:              
Later. Beloofd.

HELENA:                     
Je belooft wel meer.

FRANCISCUS:              
Dat is anders.

HELENA:                     
Hoe dan.

FRANCISCUS:              
Dit gaat over dingen.

HELENA:                     
En mama was geen ding.

FRANCISCUS:              
Verdomme Helena.

HELENA:                     
Wat heb je? (doelt op het pakje)

FRANCISCUS:              
Het was voor jou.

Houdt het pakje vast maar geeft het niet.

HELENA:                     
Ik hoef het niet.

FRANCISCUS:              
Ik heb het nog niet gegeven.  

HELENA:                     
..

Franciscus geeft het pakje. Helena pakt het aan, maakt het niet open.

HELENA:                     
Sneeuwt het nog buiten?

FRANCISCUS:              
Maak je het niet open.

HELENA:                     
Ik wil het niet.

FRANCISCUS:              
Wat is het dan?
Ik probeer normaal te doen. Zo normaal als ik kan. Je was zo mooi Helena.Mijn kleine meisje. Je sliep al zo moeilijk.

HELENA:                     
Je kunt beter gaan. Hij komt me halen en hij zal niet coulant met je zijn. Hij kent geen coulance.

FRANCISCUS:              
Helena

HELENA:                     
In het begin moest ik wennen. Wat je zei of deed kon ineens fout zijn. Alsof er een vliesje knapte. PATS. Ik hield er rekening mee.

FRANCISCUS:              
Hij komt niet.

HELENA:                     
Soms duurde het wachten zo lang dat ik dacht dat ik stierf.

FRANCISCUS:              
Hij komt niet. Hij komt nergens meer.

HELENA:                     
Ik heb gegild, gekrijst. Om jou, om mama, om iedereen. Ik heb mijn vuisten beurs geslagen op de muren, ik heb gehuild tot mijn tranen op waren en mijn wangen kapot. Waar was je toen papa?

FRANCISCUS:              
Maak je dat nog open anders ga ik.

HELENA:                     
Waar was je.

FRANCISCUS:              
Hij komt uit de weide. Een gele.

HELENA:                     
Geef verdomme antwoord.

FRANCISCUS:               
Ik probeer te helpen liefje.

HELENA:                     
Was je bij mama?

FRANCISCUS:              
Helena alsjeblieft.
Je hebt de hel in je hoofd gelaten.

HELENA:                     
Neem hem eruit.

FRANCISCUS:              
Dat kan ik niet.

HELENA:                     
Probeer het.

FRANCISCUS:              
Ik heb het geprobeerd.

HELENA:                     
Alsjeblieft.

FRANCISCUS:              
Ik doe mijn best Helena.

HELENA:                     
Je wilt het niet.

FRANCISCUS:              
Dat is het niet.

HELENA:                     
Lieg niet.
Je bent een lafaard papa. Ga maar. En neem dit mee.

FRANCISCUS:              
Ik denk dat ik liever even blijf.

HELENA:                     
..

FRANCISCUS:              
Op de dag dat mama stikte in haar verdriet begon het te sneeuwen. Asgrauw, zoals haar haren ooit moesten worden. En toen kwam je terug. Had ze niet even kunnen wachten, dacht ik nog. Nu denk ik dat ze beter af is dan jij. Opengereten. Kapot gestampt. Een karkas. Ik heb de aarde tussen je nagels vandaan geschraapt, de maden uit je vlees gebrand, maar het hielp niet. Ik kreeg hem niet uit je hoofd.

HELENA:                     
Ga maar weg papa.

FRANCISCUS:              
Het spijt me liefje.

HELENA:                     
Hij komt zo.

FRANCISCUS:              
Ik wilde het niet doen.

HELENA:                     
Wat niet?

Franciscus wil aflopen, aarzelt.

HELENA:                     
Wat niet.

FRANCISCUS:
Het sneeuwt nog steeds Helena.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *