Van hand vasthouden tot een gesproken dialoog

Een interview met beeldend kunstenaar Kars Persoon
door Rinske van den Heuvel

Kars Persoon, pseudoniem van Jan Peter Persoon, werd in 1954 geboren in Eindhoven. Na de middelbare school volgde hij zijn opleiding aan de Koninklijke Academie voor Kunst en Vormgeving in ’s-Hertogenbosch. Vanaf 1981 heeft hij vele groeps- en solotentoonstellingen gehad. Zijn werken zijn o.a. in het bezit van het Stedelijk Museum Amsterdam, Centraal Museum Utrecht, Groninger Museum, Gemeente Amsterdam, Gemeente Enschede en Gemeente Eindhoven. Jan Peter is docent aan ArtEZ Art&Design in Enschede. Hij is getrouwd en heeft twee zoons.

Op wat voor manier was je als kind met kunst bezig?

Ik begon op mijn vijfde, zesde jaar al veel te tekenen en ik kreeg op mijn zevende mijn eerste olieverfdoos. Ik ben eigenlijk nooit met iets anders bezig geweest. Op mijn zevende wist ik al dat ik kunstenaar wilde worden. Mijn ouders vonden het exotisch, iemand die altijd bezig is met kijken en met tekenen. Ze vonden het bijzonder, maar zoals bijna altijd met beeldende kunstenaars, is er onzekerheid over de toekomst van het beroep. Mijn ouders stelden toch voor dat ik door zou studeren op theoretisch gebied, maar dat heb ik niet gedaan. Ik ging zo snel als ik kon naar de koninklijke academie voor kunst en vormgeving in Den Bosch.

Wat was je fascinatie voor tekenen?

Waarom ging ik niet kleien of muziek maken? Ik denk dat het de betovering is van alles wat visueel is, de waarneming, het kijken.  Ik zeg vaak tegen de studenten die ik les geef dat wij oogmensen zijn. Er zijn ook oormensen die zich bezighouden met muziek maken, of taalmensen die zich bezighouden met poëzie. Hoe die fascinatie precies ontstaat, dat die betovering van het oog zo groot is, groter dan van het oor, hoewel ik ook erg van muziek houd, dat kan je niet echt achterhalen. Ik heb het er wel eens met een andere kunstenaar over gehad en die meende dat psychologisch te kunnen uitleggen.

Dat het een soort compensatie is voor een gemis uit je kindertijd. Dan ga je dat elders in de wereld zoeken, waar het te vinden is met je oog. Maar dat is echt de psychologische duiding.

Wat zou dat gemis kunnen zijn?

Een soort nabijheid. Het opgenomen zijn in de groep. Als ik mijzelf bekijk, was ik een eenling. Ik was een nakomeling en veel alleen. Dus dat het een compensatie zou kunnen zijn, zou bij mij kunnen meespelen. Dat je een compensatie zoekt voor de ervaring van het alleen zijn. Dus dan ga je kijken en tekenen.

Dus je tekent om minder alleen te zijn?

Of om uitdrukking te geven aan het alleen zijn als je ouder wordt. Met dit beroep breng je jezelf ook in eenzaamheid. Je versterkt waar het uit voortkomt, maar je kan er niet meer uit. De betovering van dingen op papier zichtbaar maken, wordt een gedrevenheid, een obsessie, een passie, een liefde.

Waarom werk je altijd in het platte vlak?

In het platte vlak creëer je zelf een ruimte. Dat is eigenlijk het grote verschil met driedimensionaal werk en de vrijheid lijkt groter daardoor. Ik heb de behoefte om in een imaginaire wereld die ruimte te vinden. Bovendien ben ik een type kunstenaar dat steeds nieuwe ideeën heeft en wil uitvoeren. Dat is bij beeldhouwkunst lastiger. Je moet ook een bepaald type kunstenaar zijn om in een driedimensionale ruimte dingen tot uitdrukking te brengen. Die kunstenaars zijn anders. Ze zijn op een andere manier bezig met het beeldende. Op een veel constructievere manier. Het heeft misschien ook wel met je constitutie te maken. Je bent een tenorzanger en je wordt nooit een bas.

 Wat is je werkwijze? Hoe begin je?

Er is geen begin. Ja, het begin was toen ik zeven jaar was. Alles komt uit elkaar voort. De werkwijze is heel erg gerelateerd aan het proces. Het ene werk komt uit het andere voort en verwijst ook naar andere werken. Het herinnert zich andere werken. Je werkwijze verandert door de jaren heen. Je wordt je er ook steeds bewuster van. Je ontwikkelt een eigen methode.

Wat is die methode bij jou?

Proberen om contrasten zo sterk mogelijk in beeld te krijgen. Om in de vele verschillende onderdelen van een beeld een zekere afstemming of eenheid te creëren. Een soort visuele taal die uit zichzelf uit wil breken. Die niet opgesloten in zijn stijl wil blijven. En dan heel kort samengevat heb je een begrip wat je daarbij helpt en dat is: doe alles maar één keer. Dat maakt je bewust van de delen die je in het werk toepast. Als je dat deel een eigen kleur en het licht in die kleur en de karakteristiek van de schriftuur geeft, wordt het een eenheid. Die eenheid maak je dan ook weer bij de andere delen in je werk. Zo ontstaat er een dialoog van verschillende delen. Dat proces is heel avontuurlijk, heel levendig. Deze techniek verbind je dan weer met de ideeën waar je het werk mee wilt verbinden. Het conceptuele deel.

Wat zijn die ideeën?

De figuur staat voor de gemeenschap, het sociale leven, de relaties tussen mensen. Het creatieve proces in je werk is een metafoor voor het creatieve proces van de mens in de samenleving.

Dus je bent gefascineerd door de relaties tussen mensen?

Door de mogelijkheid van nabijheid of juist de onmogelijkheid ervan, door dat spanningsveld, de psychologie, het theater van mensen met vele personages, de stad. Meer de stad dan de mens als individu.

Is dat een contrast? Dat je als kunstenaar die de eenzaamheid kent, juist werk maakt over de gemeenschap?

Ja. Ja, dat is misschien die psychologie van het verlangen naar die gemeenschap. Dat is een interessante gedachte. Het verhaal van Orpheus en Euridice vind ik erg belangrijk.
Het verlangen om relaties met mensen aan te kunnen gaan heeft een overeenkomst met het verhaal van Orpheus. Het verhaal is een metafoor voor de kunstenaar.
Euridice bevindt zich in de onderwereld en Orpheus mag naar de onderwereld gaan en haar mee terugnemen, op voorwaarde dat hij niet om zal kijken. Hij loopt voorop en hoort haar achter hem lopen en alles gaat goed. Dan hoort hij haar niet meer en kijkt om en dan ziet hij haar verdwijnen. Orpheus zoekt troost in zijn zang en in zijn zang kan hij haar ook weer oproepen. In kunst wordt een tragiek als deze verdraagbaar.
Maar dat zijn allemaal onderliggende gedachten. Daar ben je niet rationeel mee bezig in je maakproces. Ik ben absoluut niet een rationele kunstenaar.

Hoe ga je, heel concreet, te werk? Wat doe je?

Concreet houdt het in dat ik een verzameling aanleg van afbeeldingen, dat is het grondmateriaal. Ik ben wel iemand die werkt in het atelier. Ik ga niet naar buiten of in interactie met mensen, wat je kunstenaars ook wel ziet doen sinds de jaren ‘90, nee ik verzamel dat materiaal, reis er in en zie gebaren die ik voor mijn visuele theater kan gebruiken. Het feit dat ik theater zeg, is belangrijk. De figuren die ik maak haal ik naar voren, maak ik groter of kleiner en als een choreograaf componeer ik ze in een nieuwe wereld. Waarom je het ene gebaar of het andere kiest, dat gaat op intuïtie. Het ene gebaar drukt iets anders uit dan het andere, net zoals bij ballet. Dan komt er het gebaar van de handeling bij: een grove penseelstreek of juist een fijne, het gebaar van kleur komt erbij, en dan ontstaat er een nieuw beeld dat in de werkelijkheid nooit zo bestond. Het beeld wordt aan de wereld toegevoegd. De veelheid van verschillende bronnen en ideeën die samensmelten heeft een overeenkomst met de werkelijkheid. Daar is ook een veelheid van beelden die in interactie met elkaar zijn en dat interesseert mij. Alle gebeurtenissen brengen nieuwe gebeurtenissen voort en in mijn werk kan ik dat naspelen. Ik maak een extract van de grote wereld.
Concreet is het dus een verzameling van beelden om mij heen en samenvoegen. Soms ben ik uren aan het zoeken naar het juiste gebaar. Maar alle ervaringen van eerdere werken zitten in je hand. Concreet is het ook handelen en jezelf verrassen.

Hoelang ben je met een werk bezig?

Vooral het proces vooraf kost heel veel tijd. Als ik dan eenmaal bezig ben, dan begin ik om een uur of twee ’s middags en dan werk ik in één sessie door tot twaalf, twee uur ’s nachts. Dat doe ik dan drie, vier dagen achter elkaar en dan de week daarop weer. Dan zit je in een hele intensieve werkfase. Vaak ben ik drie, vier maanden bezig met tekeningen maken om iets uit te vinden. Een soort beeldend gedrag dat je op het spoor komt. Dat komt dan een beetje tot bloei en dan kun je dat weer gebruiken en ben je weer twee, drie maanden aan het schilderen.

Wat wil je tot uitdrukking brengen in je werk?

Mijn drijfveer om iedere keer weer een nieuw werk te maken is om in iedere werk steeds weer de verrassing te vinden. Het is het verder brengen van je werk, jezelf verrassen, betoveren en nieuwheid ontdekken. De sensatie dat je steeds een nieuw werk kan maken, is zo verslavend, dat dat is wat je doet. En wat wil je tot uitdrukking brengen? Ik wil eerder herkennen wat er verschijnt dan dat ik vooraf weet wat ik tot uitdrukking wil brengen.

Wat wil je dat de toeschouwer er uit haalt?

In ieder geval dat er een soort ernst in zit. De figuren die samen komen in hun eigenheid en ernst, maar ook met een zekere ironie, de onmogelijkheid om ernstig te zijn. Ze zien hun eigen ernst en de kracht van de ironie. Het belangrijkste is dat een beeldend werk een gebeurtenis is, waar je oog in kan reizen. Zo neem je als toeschouwer deel aan die wereld. Het is een plat vlak, een stil ding, maar de bedoeling is dat je bewogen wordt als toeschouwer en als maker. Hoe groter de verstilling lijkt, hoe meer intensiteit er in een werk zit, hoe meer de toeschouwer moet reizen in een werk en hoe groter de betrokkenheid van de toeschouwer wordt. De toeschouwer wordt gelokt. Het beeld zegt eigenlijk: kom binnen in mij, maak mij verder af of creëer mij opnieuw binnen in je.

Ben je tijdens het werken bezig met hoe anderen er naar zullen kijken?

Nee. Je probeert jezelf voortdurend te betoveren, te verrassen. Die figuur bijvoorbeeld (wijst naar een schilderij), is geïnspireerd op Hamlet van Shakespeare. Daar lees ik over, dat vind ik interessant. De houding van de figuur ben ik ergens tegen gekomen en dan denk ik: misschien is het wel Hamlet. Eigenlijk verschijnt deze Hamlet voor mij even verrassend als voor jou. Het enige waarin ik verschil van de toeschouwer is dat ik kan zeggen: ik laat het zo of ik ga er rigoureus iets anders mee doen.

Je ziet in mijn werk vaak het oor zorgvuldig uitgewerkt. Er was een fase in mijn werk waarin ik de dialoog tussen mensen heilig verklaarde. Ik dacht toen dat dat het meest wezenlijke was wat een mens dichterbij kan brengen. Mensen kunnen ook heel dichtbij zijn door elkaars hand vast te houden en niks te zeggen, maar dat wist ik toen nog niet. Alleen in een goed gesprek was er nabijheid en wat is essentieel bij een goed gesprek? Het luisterend oor. Daarom schilder ik het oor altijd heel precies. De Hamletfiguur heeft ook een zeer zorgvuldig geschilderd oor. Hij wil de toeschouwer horen en uit zijn platte vlak breken. Opvallend is dat hij geen mond heeft.

Hij kan geen dialoog aangaan.

Nee. Vreselijk. Hij is bevroren in zijn geschilderd daar zijn.

Je hebt ook veel tekst in je werk gebruikt. Heeft dat daarmee te maken?

Dat is om dezelfde reden. Maar dat is een tijd terug. Maar de titels van de werken zijn nog altijd uitvoerig, om die dialoog aan te wakkeren.

Heb je dan het gevoel dat je iets toe moet voegen aan het beeld? Met tekst?

De tekst heeft een zelfstandige kwaliteit. Het is niet een op een kloppend met wat je ziet. Het beeld en de tekst gaan een dialoog met elkaar aan. Daardoor wordt het oog van de toeschouwer actief en dat is wat ik wil bereiken. Ik wil dat het werk werkt. In tegenstelling tot werken die maar één ding naar voren brengen en daarmee een soort ervaringsobjecten worden zoals bijvoorbeeld een monochroom blauw vlak van Barnett Newman of de lege ruimtes met een kader er omheen van Donald Judd. Alsof hij een stukje ruimte uit de dampkring heeft gesneden en dat aan ons presenteert. Wat kan mij een lege ruimte schelen? Ik kan er niet eens in ademen. Daar wil ik niet zijn. Ik wil dingen laten samengroeien. Ik wil met een veelheid aan delen een zo groot mogelijke intensiteit bewerkstelligen. De werken van Newman en Judd komen voort uit reductie, verstilling en vereenvoudiging.

Is het niet een uitdaging om juist in dat soort werken ook de dialoog aan te gaan?

Die werken representeren niet de dialoog. Die werken wenden zich van de veelheid af en isoleren zich in zichzelf. Zo’n kunstwerk dwingt mij tot totale stilte. Daar stopt juist de levendigheid. Dan heb je mensen die zeggen: ja, dan voel je pas wat blauw is, dan krijg je een ervaring, dan voel je wat het is om te bestaan. Zo wordt erover gesproken.

Gaan die kunstenaars niet terug naar het hand vast houden in plaats van de gesproken dialoog, waar je naar verwees?

De verlokking van een veelheid die ik intensiteit noem, tegenover een eenheid van dingen. Hoe lang kan ik naar zo’n blauw vlak kijken? Ik vind dat werken iets representeren door hoe ze gemaakt zijn en hun geaardheid. En de geaardheid van een totaal stil vlak zal mij uiteindelijk stil maken. En mijn vraag is dan of er leven is in dat stille. Dan kun je zeggen: nou, dan heb je een heerlijke stille ervaring gehad met jezelf of zo.

Maar dan kun je ook op yoga gaan. Bedoel je dat?

Ja, daar zit een hele grote overeenkomst met yoga en meditatie in. Ik zie de waarde in het relationele en niet in het me daarvan afsluiten.

Wil je dat de toeschouwer een relatie aangaat met de figuren in jouw werk?

Nou, dat de toeschouwer zich bewust wordt van de rijkdom van de relationaliteit die er in de wereld is.

Is dat dan niet wat je tot uitdrukking wilt brengen in je werk?

Ja, dat is het. Zonder relationaliteit is er geen voortgang.

Schermafbeelding 2014-02-11 om 19.10.32

 

 

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *