15th mrt

Vanuit het raam – De oorbel

Hanna woont in Haarlem aan het Spaarne in een drukbezette straat. Ze ziet een stoplicht, een brug, een fietspad, een autoweg, water met bootjes en mensen die voorbij wandelen. Ze zit uren voor het raam naar buiten te turen en ziet de leukste, vreemdste en herkenbaarste dingen gebeuren. Dit wilde ze niet langer alleen voor zichzelf houden.

Voor mijn raam is een stoplicht. Hier staan auto’s voor te wachten en ook voetgangers. Het stoplicht voor de voetgangers is traag. Vaak staan ze minuten te wachten. Wat mij de kans geeft ze beter te bekijken. De ene staat rustig voor zich uit te staren waar de andere ongeduldig het knopje in blijft drukken of gewoon door het rode licht loopt.

Als het stoplicht eenmaal groen is geworden steken de voetgangers eerst een eenbaansweg over, dan is er een stukje stoep, en vervolgens steken ze een tweebaansweg over.

Er staan twee vrouwen te wachten voor het stoplicht. Je kunt duidelijk zien dat het twee welvarende vrouwen zijn. De ene heeft een witte jas aan met een witte bondkraag waarvan ik zeker weet dat daar een erg mooi vosje voor is gestorven. De vrouw naast haar heeft een jas aan met een lichtgroene tint. De haren van de dames zijn netjes opgestoken maar door de wind waait er af en toe een plukje weg, daarom heeft de lichtgroene jas een chic hoofddekseltje opgezet.

Het stoplicht knipt op groen. De dames trippelen naar de overkant. Eenmaal aangekomen op het tussenstoepje van de oversteekplek, zie ik de vossenkraag schrikken. Ze grijpt naar haar oor en scant geschrokken de grond af. Ze houdt de lichtgroene jas tegen en wijst naar haar oor en dan naar de grond. Het stoplicht gaat op rood.

De lichtgroene jas kijkt nog eens naar het oor van de vossenkraag. Geen oorbel te bekennen. De vossenkraag loopt zenuwachtig heen en weer op het tussenstoepje. De twee dames scannen de grond. Ze beginnen bij het stoepje en als ze hem daar niet zien, gaan ze verder naar de weg. Ze zien de oorbel niet liggen. Ze kijken met hun hoofd schuin gekanteld, ze hurken en knijpen hun ogen samen. Maar wat ze ook doen, het helpt ze niet de oorbel te vinden.

Dan begint de vossenkraag met haar lichaam te schudden. De lichtgroene jas kijkt eerste even verbaasd maar begrijpt dan wat ze aan het doen is en kijkt naar de vossenkraag om te zien of de oorbel uit de kleding valt. Tevergeefs. Ze kijkt of de oorbel in het vossenvachtje is verdwenen, maar er is niets te bekennen. Opnieuw richten ze hun blik op de grond.

Ze willen deze oorbel wel erg graag vinden, denk ik. Het lijkt erop dat de dames rijkelui zijn, dus het feit dat ze blijven zoeken naar de oorbel, zegt iets over de waarde.

De vossenkraag loopt een stukje de weg op, ze legt haar handschoen op de grond en zet haar knie erop zodat ze lager bij de grond komt. Ze bukt naar voren zodat haar gezicht zo dicht mogelijk bij de grond is, waardoor de grond extra goed kan scannen. Plots wordt ze vastgepakt door de lichtgroene jas en wordt ze naar achteren getrokken. Op het nippertje rijdt er een grote bus over de handschoen van de vossenkraag heen.

Geschrokken staat de vossenkraag op, de lichtgroene jas helpt haar overeind. Ze veegt over haar witte jas om de kreukels eruit te halen. Dan pakt ze haar handschoenen van de weg en begint opnieuw de grond te scannen.

Ik blijf me verbazen over het feit dat ze door blijven zoeken. Hoe langer ze zoeken, des te meer de oorbel waard wordt. Ook ik begin de grond te scannen. Mochten ze hem niet vinden, dan ga ik naar buiten en hem zoeken. Ik gok dat de oorbel zeker honderd euro waard is. Dat zou een lekker extra zakcentje zijn. Ik roep mijn vriend erbij en samen scannen wij vanuit het raam naar de oorbel.

De dames zoeken volgens mij en mijn vriend helemaal niet op de juiste plekken. Ze moeten meer achter zich kijken. Ik knijp mijn ogen samen maar ik kan vanaf deze afstand de grond net niet goed genoeg zien. ‘Hebben we niet een verrekijker?’ vraag ik aan mijn vriend. ‘Die zouden we eigenlijk moeten kopen he?’ zegt hij.

We doen ons uiterste best om vanaf deze afstand de oorbel te vinden en zo ook de dames die nu een groter gedeelte van het asfalt afzoeken. Ineens steekt de vossenkraag haar hand omhoog en roept ‘Ja’ zo hard dat wij het door het raam heen horen. Helaas, ze heeft hem gevonden. Een wit pareltje, opgelucht lacht de vossenkraag. Ze steekt hem weer in haar oor en ze laat aan de lichtgroene jas zien hoe perfect hij kleurt bij de vos. ‘Och, enig’, denk ik haar te horen zeggen.

Een beetje teleurgesteld neem ik een slok van mijn koffie. Die honderd euro was mij echt goed van pas gekomen.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *