27th dec

Vol Goede Moed: Een reflectie op mijn middelbareschooltijd en het middelbaar onderwijs.

DISCLAIMER.

Dit essay gaat over mijn ervaringen met (middelbaar) onderwijs en is daar zowel direct als indirect een gevolg van. Alles waar u, tijdens het lezen van dit essay, aanstoot aan neemt of waar u het hartgrondig mee oneens bent is dan ook te wijten aan het middelbaar onderwijssysteem. Wanneer u geraakt bent of ontroerd, geïnspireerd of onder de indruk is dit geheel mijn eigen verdienste. Daarnaast heb ik mijzelf leren lezen en schrijven en dat neemt niemand mij meer af.

EN DAN NU TERZAKE.

Het zal je allicht niet verbazen, maar ik heb mijn schooltijd al met al niet als uitgesproken prettig ervaren. En dat is dan een eufemisme om met de pijn, die ik daarvan nog steeds voel, om te gaan. In alle eerlijkheid – de pathetiek en het stijlfiguur daargelaten – ik kan er nog steeds makkelijk om huilen. Sinds ik aan dit essay begonnen ben, heb ik dat ook al meerdere keren gedaan. Ik was me er eigenlijk niet van bewust dat het zo diep zat.

Mijn eerste neiging is te zeggen: natuurlijk is mijn middelbare schooltijd een persoonlijke ervaring, eentje waarin dingen meegespeeld hebben die weinig tot geen betrekking hebben op het (middelbaar) onderwijssysteem. Dat is zo. En ik zal die dingen proberen weg te laten, of waar nodig te benoemen. Maar een feit is wel dat de dadelijk beschreven beelden de beelden zijn die me het sterkst zijn bijgebleven. Helaas, hoe erg ik dat zelf ook vind. Ik zou willen dat ik als eerste zou denken aan de ijshockeytoernooien op de middelbare school, en avonden buiten bij het kampvuur en lieve, betrokken docenten. Op een objectief niveau weet ik dat de beelden niet volledig zijn, allesbehalve, oneerlijk misschien zelfs wel, maar ze zijn een emotionele waarheid.

Tijdens mijn huidige studievordering begin ik steeds meer tegen patronen en problemen aan te lopen waarvan ik het vermoeden heb dat ze wel degelijk hun oorzaak vinden in of op zijn minst gevoed zijn door het onderwijssysteem. De (te) grote angst om fouten te maken is er daar bijvoorbeeld en de hoeveel stress die erbij komt kijken als je dat, fouten maken, toch moet – wil? – doen om vooruit te komen. Voordat ik verder op het onderwijs inga, is het denk ik van belang om, zo bondig mogelijk – en ja, daarmee ongenuanceerd – verslag te doen van mijn schoolloopbaan. Voor de context. En de sappige anekdotes.

WAT VOORAF GING (EN DAARNA KWAM).

Op de peuterspeelzaal ging de deur van het lokaal speciaal voor mij op slot. Ik ging met zoveel tegenzin naar school dat mijn moeder niet kon geloven dat er wel degelijk momenten waren dat ik naar mijn zin had. Vandaar dat de juf mij op videoband heeft vastgelegd. Te zien valt bijvoorbeeld hoe ik een stoel naar de wc versleep als boekensteun. Kon ik tegelijkertijd poepen en lezen.

Op de basisschool wilde ik nog steeds niet naar school. Vele ochtenden had ik ‘buikpijn’, die als sneeuw voor de zon verdween wanneer ik thuis mocht blijven. Een beeld dat me nog duidelijk voor ogen staat is dat ik me vastklamp aan de deurpost van het lokaal. Mijn vader heeft me zojuist de school binnen getild en dit is mijn laatste vruchteloze poging om aan de schooldag te ontkomen.

In groep zeven kregen we stijldansen. Dat vond ik verschrikkelijk. Moesten we meisjes vragen of ze met ons wilden dansen. Mijn juf zei me toen: ‘Later vind je dit leuk.’ Ik ontkende dat hevig. Later vond ik het leuk.

En dan nu de middelbare school. Goed. Het beeld is denk ik duidelijk en, alle joligheid terzijde, hoop ik dat er nog enige ruimte in mijn essay overgebleven is voor een kwetsbaar pleidooi of verhaal. Ik ben de middelbare school met goede moed begonnen. Hoewel, goede moed… als ik mijn moeder mag geloven zat ik aan het einde van de eerste week al wanhopig aan de eettafel. Al dan niet met betraande wangetjes, om het – in mijn ogen – vele huiswerk. Dat mag zo zijn geweest (of niet). Maar ik ben in groep zeven naar de open dag van mijn middelbare school geweest en in groep acht opnieuw, en ik wist het zeker, daar wilde ik heen. Ik had het gevoel of de hoop dat de middelbare school leuker zou worden, aansluiting zou vinden, dat soort dingen.

Dus ik begon, vol goede moed (zie foto), in de gymnasiumbrugklas. De onderbouw heb ik daar met (cijfermatig) succes doorlopen en, zeker, ik heb het ook vaak naar mijn zin gehad. Maar daar gaat het nu niet om, verdorie.

12184144_941990675895714_7313063432453470734_o
Ik op mijn eerste schooldag, maandag 7 september 2009 07:54, vol goede moed en swagger.

VOOR DE GOEDE ERNST.

Aan het einde van de derde klas werd ik steeds vermoeider. Ik ontdekte dat ik ook best een stukje terug naar huis kon fietsen met mijn ogen dicht. Regelmatig heb ik bij thuiskomst eerst een tijd languit op het vloerkleed gelegen, dan had ik genoeg energie verzameld om naar de keukenkast te krabbelen, waar ik me vervolgens ten goede deed aan allerlei spijzen u niet onbekend – boterhammen met pindakaas bijvoorbeeld. (Ook andere dingen.) Waarna ik weer genoeg energie opgedaan had om hersenloos achter mijn laptop te kruipen om daar de boel te ontvluchten ende vergeten.

Een zomervakantie ging voorbij, waarin de vermoeidheid sterk afnam. En, daar was hij weer: de goede moed. Ditmaal in de vorm van een Natuur en Gezondheid (N&G) profiel met Latijn, Frans en filosofie.

Het schooljaar begon. De vermoeidheid kwam terug en aan het einde van het eerste semester na de proefwerkweek, gooide ik de handdoek in de ring . Ik bedoel mijn tas in de gang. Ik trok het niet meer. Voor de vermoeidheid was geen aanwijsbare medische oorzaak gevonden en ik was, wat je noemt, op. Opeens was er de realisatie: ik kan ook niet meer naar school gaan… en dat knopje ging om. Ik moet niet naar school. Niets moet, zolang je bereid bent de consequenties te accepteren. De rest van het jaar ben ik voor het grootste deel niet meer naar school geweest. De bank was nieuwe mijn beste vriend.

Tot wanhoop en ongeluk van mijn ouders (en zusje). En tot spijt van mij. Het spijt me meer dan ik kan zeggen, omdat ik niet weet hoe ik met de spijt om moet gaan. En omdat ik te bang ben om het te voelen. Dat ligt misschien te gecompliceerd om hier toe te lichten – maar ik wil het wel, in elk geval deels, aanraken, omdat het wel iets is waar dit essay over gaat. Over menselijkheid, (zelf)inzicht, kwetsbaarheid. Herkenning, misschien. En u maar denken dat dit een ellenlange inleiding was – ha, het is zoveel meer. Afijn, wat ik wil zeggen is dat ik dingen gezegd heb en gedaan (en niet gedaan en gezegd), een heleboel dingen, en ik zou willen dat ik ze kon terugnemen, maar dat kan natuurlijk niet. Alleen, ik ben bang daarvoor voor eeuwig in de schuld en het krijt te staan bij jullie – pap, mam, Evi (m’n zusje). En dat schuldgevoel kan ik niet aan en ik wil het tegelijkertijd ook helemaal niet hebben. Het is nu eenmaal zo gegaan, daar kan ik eigenlijk niets (meer) aan doen. Maar ik heb het gevoel dat het niet meer aan mij is om die conclusie te trekken, omdat die voor jullie misschien voorbarig is. Afijn, misschien is dit ook wel helemaal niet de plek om het hierover te hebben, misschien is het te privé. Ik laat het maar staan. Het kan altijd nog weg. Hoe dan ook: tot wanhoop en ongeluk. Maar zeker ook tot een heleboel pogingen, al dan wel of niet geslaagd, tot begrip en geduld, compassie en steun.

(Ook) wat betreft de buitenhuiselijke consequenties van dit jaar heb ik zeker geluk gehad. Ik heb alle krediet, die ik tijdens de onderbouw bij docenten had opgebouwd, opgebruikt. Mijn teamleider heeft nooit de leerplichtambtenaar ingeschakeld. Ik ben erg blij dat hij dat niet gedaan heeft. Anders had ik dit nu waarschijnlijk niet getypt. Daarmee impliceer ik niet zozeer mijn dood – hoewel ik die tevens niet uitsluit – maar wel dat ik dan nu nooit op de fijne opleiding had gezeten waar ik nu zit, en waarvoor ik dit essay schrijf. Het zou zomaar kunnen zijn geweest dat ik in de jeugdgevangenis was beland. En dat was waarschijnlijke geen gemakkelijke negatieve spiraal geweest om weer uit te breken. Maar ik kon niet meer naar school. Alles liever dan dat.

Aan het einde van het jaar was er een plan: een ander profiel, Cultuur en Maatschappij (C&M), en naar vier atheneum. Geen onderdeel van mijn oorspronkelijke plan, mais bon, de wereld is een veranderlijke plek. Zomervakantie. En meteen ging het weer mis. Het eerste trimester ben ik grotendeels thuisgebleven. In die tijd kwam ik tot de conclusie dat ik het niet zou gaan volhouden om het VWO af te ronden, nog een dikke tweeënhalf jaar naar school ‘ging hem niet worden’. Mijn atheneum vier heb ik afgemaakt en vervolgens ben ik naar HAVO 5 gegaan. Dan had ik het maar gehad. Het was veruit mijn leukste, meest ontspannen (zie foto) jaar. En, eerder had ik het echt niet geloofd,  ik haalde mijn diploma. Ik kon weg.

10696393_705217959572988_8740669029512264490_n
Ten tijde van de schoolexamens.

EN DAN NU ECHT.

Dat alles maakt dat ik zowel de noodzaak voel om hierover te schijven als wel de aandrang om mijn laptop dicht te klappen en op zoek te gaan naar mogelijke misstanden in de aardappelteelt om die eens even, keihard, aan de kaak te stellen – wel zo veilig. Maar nu denk ik aan die foto van mezelf op de fiets, op mijn eerste middelbare schooldag, klaar om te vertrekken, naar school. En dan hoop ik dat het feit dat ik hierover schrijf misschien van enige positieve invloed kan zijn op al die nog komende elf- twaalfjarigen en dat zij daar dan een jaar of zes later niet over hoeven zitten snotteren in de trein. Dus fuck de aardappelteelt en dit alles is voor mezelf, jullie, wanhopige ouders en overspannen docenten.

MAAR ECHT.

In principe is het de bedoeling dat dit essay opgebouwd is in de vorm van een these, antithese en synthese, die ik al lang, lang geleden heb losgelaten. Ik merk dat ik het lastig vind om de goede toon en vorm – hier kom ik later nog op terug –  te vinden voor dit verhaal, omdat de rigiditeit van die opbouw het voor mij onmogelijk maakt te zoeken naar de nuance waar het me hier om gaat. Daardoor begin ik opeens zinnen te schrijven als: “Oorspronkelijk werd onderwijs ingesteld om arbeiders het besturen van machinerie aan te leren. Deze praktische, feitelijke functie heeft het onderwijs de vele decennia daarna bepaald.” Dat is geen onwaarheid, maar wel hartstikke droog en dood. Ik heb daarna zelfs het woord “onderwijsmolen” gebruikt en daar word ik nu nog steeds een beetje misselijk van. Dat zijn echt woorden voor in de Tweede Kamer voor gespeeld verontwaardigde politici tijdens de verkiezingen, of zo – weet ik veel, ik ben eerlijk gezegd niet echt op de hoogte.

ECHT…

Er is een systeem, misschien een molen, maar het heeft geen zin om het systeem de schuld te geven, wanneer het door mensen in stand gehouden wordt. Het is een systeem gemaakt door mensen, en door mensen en menselijkheid kan het ook veranderd worden.

VORMINGSFUNCTIE & ANDERE SERIEUZE KOPJES

Ik denk dat het onderwijs achterloopt op de tijd en dan heb ik het niet over die verdomde smartboards en iPads. Ik bedoel de prominente plaats die het onderwijs toegekend heeft gekregen in het leven van de scholier. Uiteindelijk ben je nu zestien tot misschien wel twintig jaar actief onderwijs aan het volgen tijdens het meest plastische en vormbare deel van je leven. Onderwijs heeft nu een vormingsfunctie die zich allang niet meer beperkt tot het consumeren en opslaan van informatie of aanleren van (werkgeoriënteerde) praktische vaardigheden. Toch is dat waarop – in elk geval tijdens de middelbare schooltijd – de nadruk wordt gelegd.

De scholier wordt er echter niet alleen intellectueel gevormd, maar ook sociaal, emotioneel, creatief, fysiek (‘spiritueel?’, vroeg hij voorzichtig, zonder zelf het antwoord te kennen), dat beperkt zich echt niet tot de huiselijke sferen. Vanuit het onderwijsbeleid dient daar verantwoordelijkheid voor genomen te worden. Er is ruimte voor nodig.

Ik heb nooit geleerd hoe ik moet ‘leren’, dat ik mag of kan leren. Op de basisschool ging alles van een leien dakje, gevoelsmatig (misschien daadwerkelijk) vanzelf, en daar is volgens mij het idee ontstaan dat ik dingen gewoon moet kunnen, in één keer. En anders ‘dan kan ik het niet’, en ‘ga ik het ook niet kunnen’. De gehele onderbouw van de middelbare school heb ik dat ook nog wel volgehouden, hoewel dat moeilijker werd, en daarna werd het simpelweg teveel. De druk, de lat. En als het niet lukt dan ben ik niet goed. Ik ben me meer en meer gaan identificeren met mijn (intellectuele) prestaties – voor indrukwekkende coopertesttijden hoef ik het niet te doen. En nu heb ik veel moeite om iets te zien als een proces of een ontwikkeling. Ik heb een product- en prestatiegericht denkpatroon opgebouwd en mis daarbij het vertrouwen dat iets goed gaat komen, als dat het nog niet is. En als het dan niet lukt is de enige oplossing om ervoor weg te rennen: series te kijken, chocoladepepernoten te eten – talloze vrouwen te verleiden, dat soort dingen, je kent het wel. Als ik nu een deadline niet haal dan heb ik het gevoel dat mijn hele wereld instort, dat ik gefaald heb en gefaald ben. Ik wéét dat ik zo niet moet denken, dat het wél te leren valt. Maar als ik even niet oplet dan zijn daar meteen de gevoelens en gedachten die het tegendeel beweren. Dat is echt heel vermoeiend.

De leerling, een elfjarige, is vormbaar en daarmee kwetsbaar en van die vorm- en kwetsbaarheid moet het onderwijs zich bewust zijn en voor het vormen dient verantwoordelijkheid genomen te worden. Niet opvoeden en vormen tot brave gewillige burgers en werknemers, maar tot volwaardige, menselijke wezens. En het opofferen van die volwaardigheid ten koste van alleen de linkerhersenhelft heeft tot gevolg dat er leerlingen zijn die niet verrijkt hun middelbare school verlaten, maar gebroken. Dat durf ik te stellen. Is het niet meerderen dan in elk geval één. En als dat te pathetisch is – dan kan ik daarop zeggen, dat ik wéét dat het er meerderen zijn, en zich dat niet beperkt heeft tot mij in het bijzonder.

BEWUSTZIJN.

Volgens mij is het belangrijk dat dit vormingsproces veel bewuster wordt ingezet. Dat leerlingen samen met hun docenten op hun leertraject kunnen reflecteren en op toekomstige ontwikkelingen vooruit kunnen kijken. Dat ze bewust leren hoe ze zich tot hun omgeving en diens eisen kunnen verhouden, dat ze zich bewust worden van de manier waarop ze aan het uitkristalliseren zijn; wat de patronen zijn die ze aan het opbouwen zijn, de mogelijke valkuilen.

Het is zo gemakkelijk om je – laat ik het bij mezelf houden. Ik vind het zo makkelijk om me te ‘verliezen’ in het leven. Alles wordt buitenproportioneel, de deadlines te letterlijk genomen. Het wordt allemaal leven of dood, pompen of verzuipen. Het is zo gemakkelijk om dan het overzicht te verliezen, de wetenschap en het geloof dat dingen voorbij gaan en dat er een mouw aan te passen valt, dat ik hulp mag vragen, dat soort dingen. Procesbewustzijn. Ik ben nu hier, dat is oké. En ik wil niet daar of daar zijn, ik wil er komen. Hoe ga ik dat doen? Wat kan ik proberen?

Ik weet niet in hoeverre dat realistisch is. Kan een kind, jongere, zijn of haar leven op die manier overzien? Geen idee… misschien is het antwoord ‘niet’. Maar er wordt wel een basis gelegd op school door aan dat soort vragen voorbij te gaan. Er wordt onwetendheid gecultiveerd. Het is nodig om dat bewustzijn op een bepaalde manier aangereikt te krijgen, anders dan kun je er ook niet op teruggrijpen in geval van nood.

MENSELIJKHEID.

Voor de duidelijkheid: ik heb nu een heleboel keren de termen ‘leerlingen’, ‘scholieren’, ‘docenten’ of ‘leerkrachten’ gebruikt. Het gaat mij hier niet om ‘leerlingen’ of ‘docenten’, dat zijn rollen, die duiding heeft een functie, maar die moet niet ten koste gaan van de menselijkheid en (gelijk)waardigheid van die leerlingen en docenten, die mensen.

In mijn eindexamenklas, HAVO 5, zat een meisje, voor het gemak heet ze Mare, Bianca of een andere naam die jij mooier vindt. Tijdens ons mentoruur moest ze huilen, ze stond er slecht voor wat betreft haar cijfers en ze was bang dat ze haar eindexamens niet zou gaan halen. De docente keek gepijnigd om zich heen en vroeg of ‘er iemand is die haar een knuffel wil geven’, omdat zij, als docente, het zich gevoelsmatig niet kon veroorloven dat te doen. Zij moest die impuls, een liefdevolle, menselijke, onderdrukken, want als ze daaraan zou toegeven… ja, dan is het hek natuurlijk van de dam en zijn al die meisjes zoals Mare voortaan te vinden in de armen van seks beluste docenten (m/v) en ga dat maar eens uitleggen aan de toezichtcommissie.

In het theater is er een (de) regel die stelt: ‘Waar is wat werkt.’ Het bovengenoemde is een voorbeeld van iets dat waar is noch werkt. Ik vind dat een school een liefdevolle en veilige omgeving moet kunnen en – ja, er is vuur – degenen die het daar niet mee eens zijn, hadden dat zelf waarschijnlijk erg goed kunnen gebruiken. Als na een lange schooldag thuisgekomen wordt met de woorden: ‘Mevrouw Klaassen is echt een kutwijf, ze mag echt dood.’ Dan is er ergens iets mis gegaan in de verhouding en verbinding tussen leerling en leerkracht – en met het humeur van de leerling.

Natuurlijk, dat kunnen de hormonen zijn van de geagiteerde jongvolwassene. Als dat het geval is dan ben ik van mening dat dat mijn bovengenoemde stelling niet ontkracht, maar dat de puberteit simpelweg in de vergelijking dient te worden opgenomen. Het doorlopen van de puberteit is een natuurlijk en onvermijdelijk proces, dat hoeven we niet te ontkennen, dat kunnen we alleen maar accepteren. Roeien met de riemen die we hebben. Kijken hoe je dan tóch contact kunt maken. Dat is toch ook mooi?

SPEELPLAATS.

Dat een school een speelplaats is – hé maar echt, een speelplaats – waar leerlingen zich tot elkaar en docenten leren verhouden. Dat het ook op een andere manier kan, anders dan misschien thuis gebeurt. Dat er in een veilige omgeving uitgeprobeerd kan worden, ervaringen kunnen worden opgedaan, die dan buiten de schoolomgeving goed van pas komen. In plaats van dat je aan het einde van de gang die jongen ziet die je altijd uitscheldt, en machteloos probeert gewoon geen oogcontact te maken, of iets dergelijks. Probeer uit. Ram ‘m op z’n bek. (Grapje, lieve mensen.) Maar het zou toch goed zijn als dat soort dingen aangegaan kunnen worden.

Man man, dat lijkt me mooi. De school als broedplaats, als bolwerk van de menselijke ontwikkeling. Wil ik gelijk terug naar de middelbare school.

Leraren en leerlingen kunnen hun menselijkheid meenemen naar hun leer- en werkomgeving in plaats van een deel ervan te moeten onderdrukken of verstoppen. Dat kan wanneer leerling en leraar een gemeenschappelijk doel voor ogen hebben. Verschillen en onenigheden kunnen dan aan de kant worden gezet en er kan grens overstijgend gewerkt worden, buiten rollen of kaders om. Die gemeenschappelijkheid is nu niet aanwezig doordat veel leerlingen geen persoonlijke noodzaak en verbondenheid hebben met de schoolomgeving en het curriculum.

Volgens mij is de correcte pedagogische hulpvraag daarvoor: ‘Wat heb je nodig?’ Wat is ervoor nodig om een systeem – ik denk dat het beter zou zijn om te spreken van een omgeving – te creëren dat mensen, leerlingen en leraren, stimuleert te leren en zich te ontwikkelen? De mogelijkheid is er. Het gebeurt al. In Finland bijvoorbeeld. Ai ja, sorry, ik zei Finland. Ondertussen een beetje cliché, maar toch. In de documentaire Where to Invade Next, waarin Michael Moore Europa rondreist op zoek naar goede ideeën voor Amerika, wordt daar mooi licht op geschenen. (Aanrader.) De belangrijkste vraag in het Finse onderwijs is: ‘Waar wordt de leerling gelukkig van?’ En dat geluk, dat is de drijfveer, de noodzaak en de persoonlijke verbinding van een leerling aan zijn of haar leer- en groeiproces. En hetzelfde geldt voor de leraar. Het is een gezamenlijke zoektocht of hoe je het wilt noemen, een avontuur – als je iets níet van school zou verwachten…

DOCENTEN.

Dat gaat uiteindelijk natuurlijk verder dan de middelbare school en vraagt daarom ook iets anders van een leraar. En dat mag ook best. Die verslagen op een docentenopleiding schrijven zichzelf niet, maar om een leerling te doen leren, te ondersteunen, zijn andere vaardigheden en kwaliteiten nodig. Dan gaat het over verbinding en contact, over overbrengen. Zoals Sir Ken Robinson, bekend van zijn TED-talks over onderwijsinnovatie, het bondig weet te verwoorden: als je als leraar les staat te geven voor een klas, in plaats van aan een klas – die niet luistert, dan ben je niet aan het overbrengen en onderwijzen, maar tegen jezelf aan het praten. Dat kan ook thuis of in de pauze op de wc.

Tegenover die vakkennis en klassieke didactiek staan onderbelichte, inspirerende kwaliteiten. Het vraagt van een docent bevlogenheid, toewijding en menselijk inzicht en dat zijn kwaliteiten die in een leraar-in-spe aangewakkerd en gekoesterd moeten worden. Het schrijven van een verslag zal daar onderdeel van zijn en een docent heeft nu eenmaal (vak)kennis nodig om over te brengen. Dat is noodzakelijk, goed ook en wenselijk, maar niet voldoende.

Misschien klinkt het romantisch, en ik ken ‘jullie problemen’ (vakmatig) niet zoals een docent die zelf zal kennen. Vergaderingen, nakijken, bureaucratisch geneuzel. Maar het beeld dat ik van een ideale docent heb is er eentje van de mens die nog niet uitgeleerd is, weet dat het dat niet gaat zijn, en daarom vrijwillig terug naar school gaat. Om te willen leren aan en tevens te leren van.

AFIJN.

Dit alles geschreven hebbende, blijf ik eigenlijk achter met de gedachte: ik weet het niet. Dit alles is natuurlijk geschreven ‘met de kennis van nu’. Het zijn dingen waar ik nu op terugkijk en waarvan ik denk – geloof wel – dat ik er iets aan zou hebben gehad. Ik ben daarin niet concreet geweest, daarvan ben ik me bewust. Ik heb niet (uitgebreid) nagedacht over beleidsplannen of de vakinhoudelijke consequenties die mijn ‘idealen’ hebben. Dat was ook niet mijn doel – en dat zegt hij dan achteraf, pfft. Ik wilde een verhaal vertellen en onderzoeken over mijn eigen middelbare schooltijd en daar een aantal thema’s en waarden aan koppelen. Ik hoop dat er mensen zijn die zich daarin herkennen. Net zozeer als ik hoop dat er mensen zijn die zich er niet in herkennen, als dat tot beweging leidt. Nee, dat is niet waar. Ik hoop allereerst dat mensen zich er wel in herkennen én dat het tot beweging leidt.

Ik zou er graag met mensen over in gesprek gaan, en ik ben er ook nog lang niet over uitgedacht en gepraat. Maar dit is het voor nu. Ik kan me goed voorstellen dat ik belangrijke dingen over het hoofd gezien heb.

Om het persoonlijke verhaal rond te schrijven. Ik heb mijn HAVO diploma gehaald in de hoop daarmee alsnog een opleiding te kunnen doen die me leuk leek. En ik had geluk. Na enig achteloos speurwerk op mijn laptop op die eerder genoemde bank vond ik de opleiding Writing for Performance. Een plek waar ik de waarden die ik in dit essay geschreven heb terugzie en waar ik me erg fijn bij voel. Ik krijg er niet eens voor betaald dat te zeggen. Het is dan wel een hobbelweg (geweest), maar hé: het is allemaal materiaal.

Kerstkiekje van broeder in de zonde, Ivo, en mij. Dat ik zonder zijn medeweten heb bijgevoegd ter vrolijke afsluiting.
Kerstkiekje van broeder in de zonde, Ivo, en mij. Dat ik zonder zijn medeweten heb bijgevoegd ter vrolijke afsluiting.

 

Dit essay verscheen in de reeks Essays 2016-2017, eindteksten Beschouwend schrijven van de tweedejaars studenten van de Schrijfopleiding.

 

Reacties (2)
  • Dag Luuk,
    In de eerste plaats complimenten voor de wijze waarop dit essay is geschreven. Ik ben sinds 3 jaar directeur op de Christoffelschool (en de Drijfveer) in Waalre. Hoorde van collega’s dat jij een oud leerling bent van de Christoffelschool. Jouw gedachtengoed kan ik goed volgen, wellicht omdat ik een zoon heb die een soort gelijk verhaal zou kunnen schrijven (maar schrijven is niet zijn ding…). Ik zou het waardevol vinden om eens met jou te sparren. En dit met de inzet om ook in het basisonderwijs meer bewust te zijn van hetgeen er ECHT toe doet. Ik hoor graag van jou.
    Groet Trees Kessels

  • Dag Luuk,
    Wat heb je een mooi en treffend stuk geschreven over hoe je als kind het onderwijs kunt ervaren. Wat kan onderwijs veel van jou verhaal leren. Tijdens je basisschoolperiode was ik werkzaam op Christoffel en ik heb je van nabij meegemaakt. ik zou heel graag met je in gesprek gaan om samen te verkennen of we iets voor elkaar kunnen betekenen. Leerkrachten kunnen veel van je verhaal leren.
    Ik hoor graag van je.
    Tonnie van Geel

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *