Words are all we have

Latest posts by Martijn van Arkel (see all)

Een kijk op het werk van Samuel Beckett

“…you must say words, as long as there are any, until they find me, until they say me, strange pain, strange sin, you must go on, perhaps it’s done already, perhaps they have said me already, perhaps they have carried me to the threshold of my story, before the door that opens on my story, that would surprise me, if it opens, it will be I, it will be the silence, where I am, I don’t know, I’ll never know, in the silence you don’t know, you must go on, I can’t go on, I’ll go on”

                                         – L’Innommable

Het zijn de woorden die ons nog lang aan het denken zetten nadat de spreker het toneel heeft verlaten na een stuk van Beckett. Het zijn woorden die zullen spreken in onze hoofden op zoek naar grip op hetgeen wat we net gehoord en gezien hebben. De kale woorden, de lege taal die Beckett schreef en nu uitgesproken wordt krijgt opeens betekenis. Toch? Dit heeft toch betekenis?

Taal wordt constant achternagezeten door associaties en waarnemingen. Hoe erg Beckett ook zijn best bleef doen om zijn taal zo kaal en leeg mogelijk te maken, wij blijven associëren en zoeken naar de betekenis. Wat zegt hij nou? En; wat bedoelt hij nou precies?

Van deze vragen wilde de schrijver zelf niks weten. Het zijn woorden en de betekenis doet er niet toe. Onze opvattingen van deze woorden zeggen niks, de associaties zijn en blijven persoonlijk; het is de taal die daarboven uitstijgt. Het enige dat zeker is, is de taal en dat deze bestaat.

En als we de schrijver toch stiekem vroegen naar de betekenis van zijn werk, wees hij agressief naar het papiertje. Meer kregen we niet. Op het papier stonden namelijk de woorden, het enige gereedschap dat we nodig hebben; Words are all we have.

Ik denk dat ik het citaat ‘Words are all we have’ niet moet opvatten als een beperking; taal is het enige wat we hebben, maar meer als; taal is alles wat we hebben of taal is alles wat we nodig hebben (om grip te krijgen). Wij denken in woorden, nemen waar in woorden en geven daarmee aan alles wat we denken, zien en voelen woorden. Taal is het gereedschap om de wereld om ons heen te verklaren; we geven namen aan de objecten en zoeken naar connecties tussen hetgeen wat we waarnemen en de woorden die we kennen.

Beckett probeert in zijn werk een nieuwe stap te zetten op het gebied van taal. Beckett was op zoek naar een taal zonder betekenis en associaties. Dit doet hij door middel van ‘Lege Taal’, de taal als nietszeggende woorden, taal als muziek; de taal als klanken in de lucht. [1]

Deze taal kan nog zo mooi op papier staan, maar zal uiteindelijk uitgesproken moeten worden, deze taal moet worden gedacht en uit een lichaam komen. Wij zullen de taal beoordelen op waarde van de persoon die ze uitspreekt of de persoon die ze denkt, taal is op zoek naar een context, een canvas.

Als Beckett deze taal, deze lege taal, op zichzelf laat spreken, wie spreekt deze dan uit? Wie is de Ik die deze taal denkt of spreekt?

Deze Ik wordt gevonden door middel van Becketts taal en is daarmee ook een zoektocht naar de identiteit van het individu. Als gevolg van deze  lege taal schept Beckett een wereld met verschillende stemmen; stemmen die ontstaan vanuit een bepaalde Ik. ‘Ik’ zit namelijk verborgen in deze taal en wordt bevraagd. Wie ben Ik eigenlijk? Ben Ik de stem in mijn hoofd die mij dagelijks toespreekt? Of ben Ik degene die daarnaar handelt?

“I’m in words” “I’m not in his head, nowhere in his old body and yet I’m there”

                                         – L’Innommable

Beckett heeft deze zoektocht; de zoektocht naar Ik, Ik als echt, Ik als taal, op verschillende manieren vormgegeven in zijn werk. ‘Ik’ neemt verschillende gedaantes aan en Beckett gebruikt verschillende vormen om de scheiding tussen de taal, Ik, het lichaam, de geest en de stem te maken. Ik zal drie vormen uitlichten, die elk op hun eigen manier Ik bevragen.

In de eerste vorm die ik bespreek schetst Beckett een persoon die bestaat uit twee ‘personages’; Ik en Hem/Haar, de derde persoon. In deze vorm bevraagt Beckett of de stem in het hoofd een ander persoon is dan degene die de woorden uitspreekt of er naar handelt. Is deze stem, de stem die Beckett constant hoort als hij denkt, Hij of Zij; die beschouwt wat Ik doet, of is de stem Ik; die spreekt over Hem of Haar?

Dit laatste is bijvoorbeeld ter sprake in het stuk Not I.[2] Op het toneel is slechts een mond te zien die vertelt over ‘She’, die iets vreselijks heeft meegemaakt. Deze mond praat eigenlijk over zichzelf, maar dan in de derde persoon.

Deze mond praat extreem snel en is bang om in de ik-vorm te spreken, alsof deze mond vlucht voor haar verleden en niet kán stoppen met praten; het overkomt haar.

In werkelijkheid  spreekt hier dus eigenlijk Ik, de mond of degene van wie deze ontlichaamde mond is, over een fictieve ‘She’. Wij, als toeschouwer, vragen ons af of dit nog wel dezelfde persoon is. Is de spreker dezelfde She in haar verhaal? En zo ja; is de She dan ook de persoon die niet kan stoppen met praten?

Als we nog iets verder inzoomen kunnen we ons zelfs afvragen in hoeverre deze ‘She’ fictief is. Heeft de Ik wel alles zo beleefd zoals ‘She’ dit heeft gedaan? Zijn dit niet twee losse personages?

De Ik is de stem in het hoofd; de stem die niet kan stoppen met praten, die spreekt over ene ‘She’. We zouden zelfs kunnen zeggen dat Beckett hier drie personages opvoert; De stem in het hoofd, de spreker en de handelaar, maar omdat de denker nu de spreker is geworden vallen deze samen.

Een ander voorbeeld van deze vorm is te vinden in Texts for Nothing waar de hoofdpersoon jammert dat zijn woorden tekort schieten om zijn eigen verhaal te vertellen. Hij vertelt dus zijn verhaal als ‘Hem’, en wil er zeker van zijn dat wij niet denken dat het over Ik gaat.

Opnieuw is er sprake van meerdere stemmen/personages; Er is een stem die spreekt en die wij kunnen horen, er is een stem die spreekt dat de persoon niet in de ik-vorm mag spreken, (deze horen wij niet), en er is opnieuw, net zoals in Not I, een fictief personage ‘Hem’ waarover gesproken wordt. Wie is opnieuw de Ik waar Beckett naar op zoek is?  Is dit de stem die reflecteert op de spreker? Of is Ik de spreker waar een ander op reageert?

In Becketts Short Prose (1929-1989) is de stem in het hoofd genoemd als Hij. Deze stem is zelfs in gevecht met Ik, wat in dit stuk de drager, de spreker en/of de handelaar is. Deze stem, He, wil Ik volledig beheersen.

“He has me say things saying it’s not me. [ …] When he had me, when he was me, he couldn’t get rid of me quick enough, I didn’t exist, he couldn’t have that, that was no kind of life, of course I didn’t exist”

De stem in het hoofd is nu de derde persoon. Is deze stem dan geen Ik meer?

Verderop in Short Prose wordt uitgelegd wie Ik dan wel is; I am the voice that makes no sound. Dit is een van de weinige antwoorden die Beckett ons gunt over de identiteit van Ik. Wie precies Ik is en hoe deze zich verhoudt tot de stem in het hoofd, weet Beckett misschien zelf ook niet. Beckett verandert hierin ook zijn visie als we bovenstaande stukken bekijken. Misschien staat de identiteit van deze stem ook niet vast. We kunnen deze eerste vorm, en de daarbij horende teksten, dus opvatten als een zoektocht naar de identiteit van de stem in het hoofd en naar deze Ik.

Een tweede en veel voorkomende vorm op zoek naar Ik is de letterlijke scheiding tussen het lichaam en de geest. De geest is hierbij vaak de taal; de dialoog, en het lichaam is de spreker of de toehoorder.

Ohio Impromtu is een van de duidelijkste voorbeelden waar Beckett het lichaam en de geest letterlijk heeft losgetrokken. Beckett plaatst in dit stuk twee identieke mannen aan een tafel. Een van de mannen is de voorlezer, de geest; de stem in het hoofd, en de ander luistert, (de drager van) het lichaam. We zouden dit stuk kunnen aanschouwen als de oneindige dialoog tussen lichaam en geest. De geest die rondspookt ergens in het lichaam, in de persoon, en Hij die er maar naar moet luisteren.

Het verschil met de eerste vorm is dat het lichaam hier echt een gedaante krijgt, terwijl in de eerste vorm deze gedaante geen vaste vorm kreeg; een gedaante die we niet konden zien, maar slechts leeft in de taal. Nu is het de geest die tegen het lichaam spreekt; het lichaam dat wij wel kunnen zien en aanschouwen.

Ook in het stuk Rockaby is deze scheiding tussen lichaam en geest gemaakt. In dit stuk luistert er een oude vrouw in een schommelstoel naar een stem. Deze stem spreekt dan wel in de derde persoon[3], maar we kunnen er vanuit gaan dat dit de stem is in het hoofd van de vrouw. Het is de stem die het oude lichaam toespreekt, en het is het oude lichaam dat constant om ‘more’ vraagt. Het lichaam dat we zien en de geest die we horen zijn zowel in het script als op het toneel twee personages geworden. Hiermee vraagt Beckett zich dus eigenlijk af; Is het lichaam en de geest dezelfde persoon?

In Texts for Nothing is de spreker, het lichaam, direct opzoek naar de identiteit van deze stem:

“Where would I go, if I could go, who would I be, if I could be, what would I say, if I had a voice, who says this, saying it’s me?”

De spreker, het lichaam, is dus iemand anders dan de stem in het hoofd. Zo is de protagonist in het korte prozastuk Company op zoek naar het gezelschap in de donkere kamer. De persoon ligt hier maar in deze kamer en hoort een stem; Wie is toch deze stem en over wie heeft die stem het eigenlijk? Ben Ik dat?

In Wachten op Godot wordt deze scheiding tussen lichaam en geest voor het eerst door Beckett gemaakt op toneel; het is de taal die leeft en uitgesproken wordt door twee mannen. Op het toneel gebeurt er niks; het is namelijk de taal die spreekt. ‘Zullen we dan gaan?’ ‘Laten we gaan.’, antwoordt Estragon. En in de regie staat vervolgens dat ze beiden niet bewegen. Dus wie gaat hier nu weg? Als toeschouwer kunnen we ook afvragen wie deze ‘we’ dan wel niet is en waar deze twee mannen naartoe wilden gaan.

Het stuk begint eigenlijk al gelijk met deze scheiding tussen taal/geest en het lichaam met de tekst; ‘Zo, dus je bent weer terug’, waarop Estragon antwoord; ‘Denk je?’ (In het Engels: ‘So there you are again’ / ‘Am I?’) We kunnen ons dus afvragen wie terug is; Is dat het lichaam? Is dat de geest? Is dat Estragon eigenlijk wel? We weten eigenlijk niks van deze twee heren; wie zijn ze? Waar komen ze vandaan?, we horen slechts de taal die ze spreken, maar weten niet over wie ze het nou eigenlijk hebben.

Het zijn de lichamen die in het hier en nu leven en niet kunnen ontsnappen aan de wereld waarin ze zijn, terwijl hun geest het wel kan of in ieder geval verlangt.

De laatste vorm die ik zal bespreken sluit hier op aan; Ik, zowel de geest als de gedaante, is de taal. Ik zit verstopt in de taal.

In Wachten op Godot keert dit terug; Estragon bevraagt de Ik met zijn tekst; Am I? Door dit af te vragen is de spreker, het lichaam, klaarblijkelijk niet de Ik die Vladimir zag. We horen de taal, maar weten niet wie deze ‘ik’ is waarover gesproken wordt. Vladimir kan Estragon echter wel zien en zegt dat Estragon weer terug is; de Ik is er dus al eens eerder geweest. Als Ik niet aan het woord is, wie is er dan aan het woord?

In deze laatste vorm zien we de spreker de woorden spreken, maar de woorden proberen zich los te trekken van deze persoon; we kunnen de taal niet op een persoon plakken. De woorden reiken veel verder dan deze spreker; het is hier de taal die spreekt.[4]

Ook de protagonist in L’Innommable, onderdeel van de prozatrilogie van Beckett, heeft door dat de ik zich verschuilt in woorden; ‘I’m in words.’

In het korte prozastuk Worstward Ho gaat Beckett nog een stap verder. Dit prozastuk zit vol lege taal, taal op ritme, maar we weten hier eigenlijk niet wie er aan het woord is. Er is hier niet écht een personage, is het de taal zelf die spreekt?;

“Whenever said said said missaid […] but said cannot be missaid because said is said, and missaid is another word—missaid, or is said missaid? “Said is missaid”.”

Het is de vraag of deze lege taal Beckett de mogelijkheid gaf om de identiteit van Ik te ontdekken, of dat de lege taal de oplossing bood voor zijn zoektocht naar Ik. Misschien is dit een wisselwerking geweest.

De vorm,  Ik als taal, wordt vaak in combinatie gebruikt met een van de eerdere vormen en keert vaak terug in Becketts werk. Beckett probeert deze taal te verheffen  boven zijn personages, maar als Beckett deze taal lostrekt van de personages, wat doen die personages daar dan?

Op papier hoeft de taal niet persé geplakt te worden op een personage, maar in het theater moet deze taal worden uitgesproken. Zodra we te maken krijgen met een persoon of figuur op het toneel, hebben we een canvas om de taal op te plakken. Maar als de taal zo leeg is en wordt losgetrokken van dit personage,  wie zijn die figuren dan eigenlijk die de taal van Beckett spreken?

Juist door slechts deze lege taal te laten horen vragen wij ons als toeschouwer des te meer af wie deze spreker is. We worden aangezet om op onderzoek uit te gaan; Wie is de persoon achter de mond in Not I? Wie zijn die twee mannen bij die boom en waarom spreken ze nu, hier, deze woorden? Van wie zijn deze woorden en over wie hebben ze het dan?

En op al deze vragen komen we eigenlijk uit, of Beckett het nou wil of niet, bij de schrijver zelf; de schepper van deze woorden. De schrijver die de spreker zelf is. Beckett zit verstopt in al zijn personages, en al zijn personages zijn te plaatsen in zijn eigen fase van zijn leven; zijn worstelingen, zijn verlies, zijn tragiek, zijn existentiële twijfels.

In Wachten op Godot zien wij Becketts wanhoop in de oorlog, Becketts pogingen om de stilte te onderdrukken; de eindeloze en zinloze dialogen met geen weet hoelang alles nog gaat duren. In Rockaby zien we hoe Beckett worstelt met de ouderdom, zijn ouderdom en de ouderdom die Beckett bij zijn moeder had gezien; de moeder die overleed aan Parkinson. ‘De moeder die eindelijk rust vond’, in Krapp’s Last Tape. De zoekende spreker is Beckett tijdens zijn psychotherapie in Londenbegin jaren dertig. In Not I zien wij Beckett die eindelijk eens zijn mond opentrekt over de onderdrukking die hij heeft ervaren en heeft gezien; de constant razende stem in het hoofd van de depressieve Beckett. Alles wat wij zien op het toneel is een hele naakte schrijver verpakt in woorden.

Beckett wilde nooit dat zijn leven onder een microscoop werd gelegd, dit was onbelangrijk. Beckett wilde niks weten van interviews of biografieën. Het was het werk dat voorop stond en het waren zijn geschreven woorden die moesten klinken. Er moest hier geen link gemaakt worden met Samuel Barclay Beckett. De teksten moeten geen betekenis hebben, niks moet gelaagd zijn en al helemaal niet gelaagd gespeeld worden. Deze woorden moesten lege taal zijn; woorden als muziek zonder associaties; taal die taal spreekt.

Maar hoe kunnen wij Becketts teksten niet filosofisch opvatten? Hoe kunnen wij dit werk wél los zien van de schrijver? Hoe kunnen wij niet zoeken naar diepere betekenissen? Het werk van Beckett prikt door vele filosofische thema’s heen; zijn woorden doen onderzoek naar het Individu, de identiteit van dit individu, onderzoek naar het Zijn en het Bestaan. Het zijn woorden die taal geven aan Het Subject, het is de taal die op zoek gaat naar de kern van De Kennis, de bron; taal op zoek naar Het Juiste en De Waarheid. Beckett vond zichzelf misschien geen filosoof, maar zijn filosofie is wel degelijk onderdeel van zijn werk. Zijn werk schreeuwt om geïnterpreteerd te worden en uitgediept te worden.

When Heidegger and Sartre speak of a contrast between being and existence, they may be right, I don’t know, but their language is too philosophical for me. I am not a philosopher. One can only speak of what is in front of him, and that now is simply the mess.

-(Samuel Beckett, interview with Tom Driver, Summer 1961)

Arthur Broomfield, schrijver van The Empty Too: language and philosophy in the works of Samuel Beckett, denkt zelfs dat het werk van Beckett de mogelijkheid bood om Becketts filosofische misvattingen recht te trekken in de vorm van een gedaante. Anders bleven het gedachtes die verheven moesten zijn, ergens in een Ideeënwereld, maar nu mochten ze klinken vanuit een lichaam. Een denkend en imperfect gedaante dat mag spreken en denken. Deze personages altijd in de vorm van onwetende sprekers, ontwijkende sprekers; sprekers die hun eigen bewustzijn ontwijken, maar daardoor  de woorden spreken die Beckett opgeschreven heeft. Beckett wilde geen betekenis achter deze woorden, deze woorden vertellen niets nieuws, de betekenis staat vooraf aan deze woorden. De filosofie van Beckett. Beckett probeert te laten zien dat filosofie los kan staan van de taal en dat ze niet afhankelijk van elkaar zijn.

Beckett was erachter gekomen dat taal zichzelf niet kan spreken, maar gesproken moest worden en bovenal gehoord moest worden. Je hebt niet genoeg aan losstaande woorden. Deze woorden worden pas gehoord in een setting, in een context. Deze woorden moeten uitgesproken worden in een bepaald ritme, met een bepaalde visie en bovendien gehoord worden.

Hierbij was een lichaam nodig; een lichaam dat gezien wordt, zoals in Rockaby, Ohio Impromptu en Wachten op Godot, en hier was een lichaam voor nodig dat gehoord werd of kon luisteren, zoals in Not I. De taal wil losgetrokken worden van een Ik, maar deze taal is nou eenmaal zeer afhankelijk van een Ik en dat wist Beckett.

Dit is de taal die we van Beckett kennen; kale, lege en muzikale taal uitgesproken door een spreker, een personage. Dit personage als onwetend en onbewust of juist extreem bewust van zichzelf en zijn omgeving. Het personage dat verschillende stemmen kent en waarbij elk van deze stemmen zijn eigen taal spreekt. Welke stem is van Ik?

Het is nog steeds dezelfde taal die grip zoekt op de omgeving en deze benoemt, maar het zijn de woorden die de personages en de setting vormen. Het is de taal die we allemaal kennen, maar nu losgetrokken is van de context. Een fictieve context die gebouwd is door bestaande woorden. De woorden waar Beckett in te vinden is. De woorden die zoveel vragen oproepen, en de woorden die nog zoveel vragen zullen oproepen, maar met deze woorden zullen we het moeten doen.

“I’m all these words, all these strangers, this dust of words, with no ground for their settling, no sky for their dispersing, coming together to say, fleeing one another to say, that I am they, all of them”

                                 – L’Innommable

——————————————————————————————————————

Voor de geïnteresseerden heb ik de afgelopen maanden een document aangemaakt met informatie over Samuel Beckett. Ik geef hierin een anekdotische kijk op zijn leven en geef verschillende visies op vijf van zijn stukken. Jullie kunnen mij hiervoor mailen naar martijn.vanarkel@student.hku.nl


[1] Dit verklaard ook de manier van regisseren van Beckett. Beckett focuste alleen op de uitspraak, het ritme, de toon en de stiltes. Beckett zag zijn teksten als muziekstukken, en zo moesten deze ook uitgesproken worden. De acteurs moesten niet zoeken naar de gelaagdheid en ze moesten het al helemaal niet gelaagd opvoeren, dat maakte Beckett kwaad.

[2] Not I is geschreven in 1972. Het is een monoloog waar slechts een mond spreekt, een ontlichaamde mond. Deze mond spreekt op extreme snelheid en wordt gehoord door een toehoorder die ook op het toneel te zien is. De versie met Billie Whitelaw is te vinden op Youtube, hier is de toehoorder echter weggelaten.

[3] Opnieuw voorbeeld van de eerste vorm; Ik die in de derde persoon spreekt.

[4] Daarbij komt nog kijken dat de setting geen besef heeft van tijd en ruimte; we weten helemaal niks, we hebben slechts de taal die gesproken wordt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *