Zelfbedrog een zonde of zegen


Essay over de functie van zelfbedrog en de visie hierop in de literatuur

Hester Zijlstra, 23 oktober 2013

Over het verlangen van de mens om grip te krijgen op de werkelijkheid is in de literatuur oneindig veel geschreven, evenals over de drang om te vluchten voor de werkelijkheid wanneer deze gevaarlijk of ondraaglijk is, of gewoon niet zo mooi als we zouden wensen. Meestal lopen deze verhalen slecht af. Denk maar aan toneelstukken van Ibsen waarin levensleugens, familiemythen die de onprettige werkelijkheid moeten verbergen, onherroepelijk uitkomen en waarin er altijd vergelding volgt op het wegmoffelen van de zonden. Denk ook aan romans van de Amerikaanse schrijver Richard Yates waarin hij de American Dream aan gruzelementen slaat en de ongelukkige werkelijkheid achter de illusie laat zien. In Who’s Afraid of Virginia Woolf, misschien wel één van de meest beroemde toneelstukken die er zijn, wordt het kind van Martha en George omschreven als het enige lichtpuntje in hun huwelijk, en laat dat kind nu uitgerekend een verzinsel zijn, een grote illusie waar ze zich aan vastklampen maar die ze onmogelijk hoog kunnen houden.
Schrijvers storten zich vol overgave op het fenomeen zelfbedrog, maar wat willen ze ons eigenlijk vertellen? De verhalen die slecht aflopen, lijken vooral het grote onvermogen te onderstrepen van de mens om met de werkelijkheid om te gaan. Het is een beangstigend idee dat in een wereld waarin je elkaar al moeilijk kunt vertrouwen, je ook bij jezelf niet veilig bent. Als we onszelf echt zo makkelijk en graag voor de gek houden, heeft dat dan niet ook een positieve functie? Het is in de psychologie geen onbekend verschijnsel dat mensen de werkelijkheid in hun hoofd onbewust vertekenen. Onze waarneming is nu eenmaal altijd een interpretatie van de werkelijkheid. Dit is nog maar een kleine vorm van zelfbedrog. Opvallender is onze neiging om de ogen te sluiten voor wat bang maakt of verdriet doet. Misschien is zelfbedrog wel hard nodig om positief in het leven te kunnen staan, om niet zwaar depressief te worden. Wat schrijft de literatuur híer over? Is er naast al die droevige eindes, al die afkeuring van onze onmacht, ook nog plaats voor een beetje mededogen?
In de verschillende vormen van zelfbedrog bestaan uiteraard gradaties. Zo kan een personage keihard tegen zichzelf liegen, terwijl hij toch stiekem weet hoe het echt zit. Hij kiest er dan voor de waarheid te negeren. Daarnaast kan iemand zich ook in die mate blind houden, dat hij blind wordt voor zijn blind zijn. Het onderzoeken van de verschillen tussen bewust en onbewust zelfbedrog, zou goed kunnen helpen bij het onderscheiden van de manieren waarop er in de literatuur wordt vormgegeven aan het thema. Hoe beïnvloedt het soort zelfbedrog het mensbeeld dat uit de tekst spreekt? Zijn de personages die bewust zelfbedrog plegen “slechter” dan de personages die niets in de gaten hebben? Maakt dat de personages die heilig in hun eigen leugens geloven dan minder slecht of houden zij de mensheid juist een nog veel confronterender spiegel voor? Hoe winnen personages met een bord voor hun kop eigenlijk nog onze sympathie? Laten we ons om te beginnen eens focussen op de onbewuste vorm van zelfbedrog en van daaruit toewerken naar zelfbedrog dat deels of zelfs helemaal bewust gebeurt.

Waarneming en interpretatie

Zelfbedrog kan onder andere voortkomen uit een foutieve verwerking van informatie door de psyche. De cognitieve sociale psychologie richt zich op hoe mensen informatie tot zich nemen en verwerken, en welke invloed dit heeft op het dagelijkse denken en doen. Informatie staat dan voor alles wat we maar kunnen waarnemen. Zoals we bij het lezen van de krant alleen die stukjes uitkiezen die onze interesse wekken, zo selecteren we de hele dag door ook in alle informatie die op ons af komt. Het leven als een te dikke krant die je nooit tot op de details uitgelezen krijgt. Naast dat we selecteren vullen we de informatie ook aan met de kennis die we al hebben. Deze kennis ligt opgeslagen in ons lange termijngeheugen in de vorm van cognitieve schema’s.[1] Wanneer we iets waarnemen roepen we de schema’s op die op dat moment relevant zijn. Wanneer we bijvoorbeeld een stukje in de krant lezen dat gaat over hoe de populariteit van de Nederlandse film blijft toenemen, dan speelt alle kennis die wij al hebben over Nederlandse films en hun populariteit mee in hoe we het krantenstukje lezen. Schema’s spelen niet alleen een rol bij het invullen van informatie, maar ook bij het uitfilteren ervan. Ze sturen onze aandacht en bepalen zo wat we wel en niet opmerken en ook hoe we dingen opmerken. Daarom is waarneming altijd een interpretatie van de werkelijkheid die bij iedereen verschilt. Iedereen roept namelijk andere schema’s in zich op, omdat iedereen in het leven natuurlijk andere kennis, ervaringen en verwachtingen heeft opgedaan.
Er zijn drie basisprincipes[2] die bepalen hoe mensen informatie uit hun omgeving interpreteren. Het eerste is dat mensen betekenis geven aan wat ze waarnemen. De betekenis van een woord kan afhangen van de context van een zin. De betekenis van een gebeurtenis kan afhangen van de aard van een situatie. We zien en beoordelen de dingen in relatie tot elkaar. Het tweede basisprincipe is dat mensen zo efficiënt en pragmatisch mogelijk omgaan met hun aandacht. Die aandacht noem je de cognitieve capaciteit. We kunnen nooit voor alles tegelijk evenveel aandacht hebben Daarom richten we onze aandacht op dat wat we belangrijk vinden. We zien niet echt waar we naar kijken. We zien waar we naar zoeken. Dat brengt ons bij het derde basisprincipe, namelijk dat waarnemingen van mensen gekleurd worden door hun motieven en belangen. Dit heeft bijvoorbeeld invloed op hoe we de mensen om ons heen beoordelen. We nemen niet altijd de tijd om een genuanceerd beeld van iemand te vormen en kunnen daarom soms een onterecht negatief oordeel ontwikkelen, of onterecht positief zo je wil. Bij de ene persoon is het ook veel minder “belangrijk” om een genuanceerd beeld te vormen. Als het meisje achter de kassa van de supermarkt op jou overkomt als een oppervlakkige bimbo, terwijl ze misschien juist heel cultureel onderlegd is, dan is dat geen ramp, want je hoeft toch alleen maar even je pot met pindakaas bij haar af te rekenen. Aan de mensen die belangrijk voor je zijn zul je meer aandacht besteden en dan is er ook minder ruimte voor vertekeningen.
Met dit derde principe komen we ook steeds dichter bij waar zelfbedrog de kop op steekt. Zo komt het ook voor dat het beeld van de werkelijkheid vertekend raakt doordat mensen graag zien wat ze willen zien. Dat noemen we dan weer wishful thinking.[3] Als iemand bijvoorbeeld tegen je slijmt omdat hij iets van je nodig heeft, geloof je liever dat zijn complimenten gemeend zijn. Als je geliefde je de laatste tijd overlaadt met cadeautjes, naar eigen zeggen gewoon om lief te zijn, zul jij liever niet erkennen dat hij eigenlijk vreemd gaat en zijn schuldgevoel probeert in te lossen.

Welwillend medelijden voor blindemannen

Dat waarneming altijd een interpretatie is van de werkelijkheid, lijkt misschien een open deur, maar hoe vaak sta je er nu echt bij stil? Hoe vaak ben je je bewust van het frame dat om je blikveld zit, de subtiele schilderijlijst rond je ervaringen?[4] Wanneer ieder mens in de veronderstelling leeft dat zijn deel van de werkelijkheid waar is, kan dat tot hele kromme beoordelingen leiden van anderen, maar ook van jezelf. Willem Frederik Hermans thematiseert dit in zijn roman De donkere kamer van Damocles. Hoofdpersonage Osewoudt gelooft er heilig in dat hij gedurende de Tweede Wereldoorlog een niet mis te verstane rol heeft gespeeld in het verzet tegen de Duitsers. Een zekere Dorbeck, Nederlands officier in dienst van de Engelsen, stuurt hem foto’s om te ontwikkelen en geeft hem vage opdrachten. Soms moet hij om een bepaalde tijd een telefoonnummer bellen of ergens iemand ontmoeten, dan weer krijgt hij een pistool in zijn handen gedrukt en moet mee een gebouw in om mensen uit te schakelen. Na elke korte ontmoeting met Dorbeck, verdwijnt die weer op mysterieuze wijze. Osewoudt kijkt even de andere kant op en poef, weg is Dorbeck. Een niet onbelangrijk onderdeel van het verhaal is dat Dorbeck ook nog eens vreselijk op Osewoudt lijkt. Ze hebben precies dezelfde lengte en bouw en hetzelfde gezicht. Alleen Dorbeck heeft zich uitgerekt toen hij gekeurd werd voor het leger, waardoor hij een halve centimeter langer leek en wél werd toegelaten. Daarbij heeft Dorbeck zwart haar en donkere baardstoppels, terwijl Osewoudt blond is en zijn gezicht zo zacht en glad als dat van een jong meisje. Dat Dorbeck een aan Osewoudts fantasie ontsproten ideaalbeeld van zichzelf is, is wel het laatste waar Osewoudt aan denkt als hij na de oorlog wordt ondervraagd over de vreselijke moorden die hij gepleegd heeft en over hoe alle verzetsstrijders met wie hij in aanraking kwam niet lang daarna op miraculeuze wijze om het leven kwamen of in handen vielen van de Duitsers. Osewoudt beroept zich bij iedere beschuldiging op Dorbeck, maar er is tussen alle kennissen van Osewoudt niemand bereikbaar of zelfs maar in leven die Dorbeck gekend zou kunnen hebben of waartegen Osewoudt over Dorbeck verteld heeft. Er is niemand die het bewijs kan leveren dat Dorbeck bestaat.
Als lezer krijg je meerdere subtiele aanwijzingen dat Dorbeck eigenlijk niet echt is. Het plotselinge verdwijnen na iedere ontmoeting is daar een voorbeeld van, maar er zijn er meer. Tijdens één van hun eerste ontmoetingen in het sigarenwinkeltje van Osewoudt, nog vrijwel aan het begin van het boek, dondert en bliksemt het hevig buiten. Eén keer verlicht een bliksemschicht de gehele ruimte behalve Dorbecks gezicht, waar Osewoudts schaduw toevallig precies overheen valt. Veel later in het boek, nadat Osewoudt zijn haar zwart heeft geverfd – want ja, hij verft zijn haar zwart om minder goed herkend te worden en lijkt dan nog meer op Dorbeck –, een paar uur voor het moment waarop hij een telefoonnummer moet bellen, denkt Osewoudt: “Misschien spreek ik hem zelf. Misschien zal ik hem binnenkort ontmoeten. Wat zou hij zeggen als hij mij zag? Weet je zeker dat je niet in de spiegel kijkt? zal ik hem vragen. Wij zullen in lachen uitbarsten.”[5] Daarnaast speelt de donkere kamer en het ontwikkelen van foto’s natuurlijk een belangrijke rol. De enige foto die Osewoudt in het begin van Dorbeck heeft, raakt verpest bij het ontwikkelen. De foto die Osewoudt later van Dorbeck gemaakt denkt de hebben (b)lijkt niet te bestaan. Om Labare, één van Osewoudts vermeende opdrachtgevers in het verzet te citeren: “nergens ter wereld komt zoveel aan het licht als in een donkere kamer![6] Osewoudt leeft een illusie in het licht, en ziet de waarheid niet die in het donker blijft.
Kan dit boek ons al iets leren over hoe het soort zelfbedrog in een verhaal invloed heeft op het mensbeeld en op onze sympathie voor de personages? Zelfbedrog gebeurt in deze tekst onbewust. Desondanks zijn bij Osewoudt duidelijke motieven te bespeuren om de werkelijkheid te verdraaien. Hij werd altijd belachelijk gemaakt om zijn meisjesachtige voorkomen. Geen enkele vrouw viel op hem en hij moest genoegen nemen met zijn eigen nicht Ria, lelijk en onvruchtbaar, iemand die zelf ook niemand kon krijgen. Voor de militaire dienst werd hij afgekeurd, hij nam de sigarenwinkel over van zijn vader en er wachtte hem geen enkele uitdaging meer in het leven, tot de komst van de geheimzinnige Dorbeck, die alles was wat hij wenste te zijn.
Dit zijn allemaal niet echt legitieme redenen om zo hard aan zelfbedrog te doen dat je een gevaarlijke moordenaar wordt. Desondanks is Osewoudt alles behalve een onsympathiek personage. Hoe kan dat dan? Misschien omdat zijn angstvallig vasthouden aan het bestaan van Dorbeck een soort medelijden oproept. Geen medelijden van het negatieve, neerbuigende soort, maar dat van het welwillende. Op het kamp waar hij wordt vastgehouden praten soldaten achter zijn rug om. Sommigen denken dat hij onschuldig is. Dat hij er keihard wordt ingeluisd. Dit brengt de overtuiging van de lezer ook weer aan het wankelen. Bestaat Dorbeck dan toch? En al die aanwijzingen dan? Nee. Onzin. Hij kan niet bestaan. Maar Osewoudt gelooft erin en Osewoudt kan daar toch niets aan doen? Telkens lijken zijn ondervragers Dorbeck weer op het spoor te komen en telkens betrap je jezelf er als lezer op dat je toch hoopt dat hij bestaat. Je hoopt met Osewoudt mee, tegen beter weten in, en elke keer dat het spoor weer doodloopt, ben je samen met hem teleurgesteld.

Zelfbedrog gestuurd door angst

In het boek Liegen om te leven houdt psycholoog Daniel Goleman een betoog over het verband tussen angst en aandacht en de rol hiervan bij zelfbedrog. Angst beïnvloedt namelijk de mate van aandacht en dus de manier waarop we informatie vergaren. Dat maakt van angst dus ook één van de mogelijke motieven om de werkelijkheid onbewust te vertekenen. Volgens Goleman kan zelfbedrog gedreven door angst hele nare gevolgen hebben. Zijn boek komt uit 1985 en hij gaat kort in op hoe de mensheid om is gegaan met één van de grootste dreigingen die de aarde ooit heeft gekend, de kernwapenwedloop. Hij spreekt van het verschijnsel “dat mensen niet in staat blijken om vrees, woede of opstandigheid te voelen ten aanzien van de penibele situatie waarin het mensdom zich bevindt, (…).”[7] Psychiaters noemen dit ‘nucleaire afstomping’. Goleman haalt ook psychiater Lester Grinspoon aan die zegt dat je bij dit verschijnsel zorgt dat je geen informatie toelaat die je nog vage angsten zo specifiek maakt, dat je het gevoel krijgt iets te moeten ondernemen. De informatie die je wel toelaat, probeer je zo goed mogelijk te negeren. Het is het ontkennen dat een maatschappelijk probleem ook jouw probleem is en dat ook jij er daarom iets aan zou moeten doen. Daardoor worden fundamentele problemen niet of te langzaam opgelost.[8]
Goleman heeft het ook over hoe schema’s de aandacht sturen en dat het noodzakelijk is voor de hersenen om informatie te filteren. Anders zou ervaring de totale chaos worden. Hij stelt hier wel tegenover dat wanneer schema’s gedreven worden door angst voor onaangename informatie, ze een gevaarlijke blinde vlek in de aandacht kunnen creëren. Zo’n blinde vlek kan zich zowel bij een individu vormen als in een groep of maatschappij. Goleman haalt de Amerikaanse psycholoog Ulric Neisser aan die de krachten die ervoor zorgen dat er een blinde vlek ontstaat ‘afleidende schema’s’ noemt. Zelf gebruikt Goleman het woord ‘lacune’, dat Latijn is voor leemte of gat.

“Lacunes zijn zwarte gaten in de psyche die de aandacht afleiden van bepaalde stukjes van de subjectieve werkelijkheid – om precies te zijn, van angstwekkende informatie. Ze manipuleren de aandacht als een goochelaar, die zijn publiek naar links laat kijken terwijl er rechts een belangrijk rekwisiet uit het zicht verdwijnt.”[9]

In de roman Revolutionary Road van Richard Yates is iets te herkennen dat sterk doet denken aan de nucleaire afstomping, maatschappelijke blinde vlek en lacunes waar Goleman het over heeft. Frank en April Wheeler zijn een jong stel dat met hun kinderen op Revolutionary Road woont. Deze straat ligt in een typisch Amerikaanse buitenwijk met keurig gemaaide gazonnetjes en immer vriendelijke mensen. Frank en April zijn zich vrij goed bewust van de bedrieglijkheid van dit leven. Buren van hen, meneer en mevrouw Givings, blijken heel lang geheim te hebben gehouden dat hun zoon in een psychiatrische inrichting zit. Pas nog heeft hij zijn ouders bedreigd in hun eigen huis. De politie moest erbij worden gehaald. De Wheelers horen pas veel later wat er gebeurd is en zijn verbaasd dat niemand eerder iets heeft gemerkt. Frank grijpt zijn kans om theorieën te spuien over de decadentie van de Amerikaanse samenleving en over hoe mensen blind worden gehouden voor dit soort ongevallen.

“(…) moet je zien wat er gebeurt als iemand echt over de rooie gaat. Bel de politie, zorg vlug dat niemand hem ziet, voer hem af en sluit hem op voor hij de buren wakker maakt. Jezuschristus, als het erop aankomt zijn dit nog steeds de Middeleeuwen. Alsof er een stilzwijgende afspraak bestaat om in een toestand van totale zelfmisleiding te leven. Laat de werkelijkheid de pest maar krijgen! We leggen gewoon een stel schattige kronkelweggetjes aan en bouwen schattige roze en wit en babyblauw geschilderde huisjes; we worden goede consumenten en hebben veel saamhorigheidsgevoel en brengen onze kinderen groot in een bad van sentimentaliteit – pappa is een mieterse vent omdat hij de kost verdient, mamma is een fantastische vrouw omdat ze pappa al die jaren niet in de steek heeft gelaten – en als die afgedankte werkelijkheid de kop opsteekt en boe zegt, hebben we het ineens allemaal druk en doen of het nooit gebeurd is.”[10]

We bevinden ons nu al stiekem op het randje van bewust zelfbedrog, maar Franks praatjes over zelfmisleiding zijn ook maar een manier om zichzelf wijs te maken dat hij boven de mensen staat die eraan lijden. Frank en April draaien net zo goed mee in deze maatschappij met al zijn blinde vlekken.

Het gevaar van geforceerd rijmen

Voordat we uit gaan vinden welk mensbeeld er uit Revolutionary Road spreekt, richten we ons eerst op een begrip waar we het nog niet over hebben gehad, maar dat wel belangrijk is bij zelfbedrog en ook voorkomt in Revolutionary Road, namelijk: cognitieve dissonantie. Cognitieve dissonantie treedt op wanneer twee cognities in je hoofd, twee informaties of gedachtes als het ware, dissonant zijn met elkaar, oftewel in tegenspraak. Jouw kijk op iets, of de manier waarop jij met iets omgaat, is dan bijvoorbeeld niet te rijmen met de werkelijkheid. Stel dat je altijd je kleren koopt bij een bepaalde winkel en dat er op een dag in de krant komt te staan dat de arbeiders die in een land ver weg die kleren maken, dat doen onder erbarmelijke omstandigheden en voor veel te weinig geld. De winkel blijkt fout, en toch is het jouw lievelingswinkel. Je kunt besluiten er niks meer te kopen, maar dan zou je een zeldzaam sterk karakter hebben. Mensen zoeken meestal een manier om met de minste moeite de dissonantie te reduceren. Er zijn verschillende dingen die je tegen jezelf kunt zeggen. “Ze hebben daar nou eenmaal de mooiste kleren.” “Die arbeiders daar die zijn het wel gewend hard te werken.” “In dat soort landen liggen de normen anders.” “Ik heb al zo’n moeite met het vinden van een goede pasmaat!” “Ik kan toch zeker niet al het leed in de wereld oplossen?” In cognitieve dissonantiereductie speelt rechtvaardiging van je eigen daden een belangrijke rol. Zelfrechtvaardiging kan makkelijk doorslaan naar keihard zelfbedrog.
Sociaal psycholoog Carol Travis en schrijfster van het boek Er zijn fouten gemaakt (maar niet door mij), Waarom we dwaze overtuigingen, slechte beslissingen en kwetsend gedrag rechtvaardigen, vertelt in een interview hoe mensen een dissonantie ook kunnen verminderen door hun daden juist niet te rechtvaardigen, maar door volledig de schuld op zich te nemen.[11] Dit klinkt als een vrij onschuldige manier van dissonantiereductie, maar stel dat je jezelf onterecht de schuld geeft van iets? Dit komt voor bij mensen die seksueel misbruikt zijn. Om even heel kort door de bocht te gaan, hun idee van het menselijk moraal is ondermijnd doordat iemand hen iets vreselijks heeft aangedaan. Cognitieve dissonantie treedt op en om die te verzachten, kunnen ze gaan geloven dat de dader er een goede reden voor had, dat het misschien zelfs hun eigen schuld was.
Ook in Revolutionary Road komt het voor dat cognitieve dissonantie een schuldgevoel oproept. Zoals we eerder hebben kunnen lezen heeft Frank heel veel praatjes over hoe de Amerikaanse samenleving volgens een stille afspraak van zelfmisleiding leeft. Hij denkt dat hij en April hierboven staan, maar juist door zijn felle betoog realiseert April zich ineens wat voor onzin dit is. Ze kijken neer op de manier van leven van de mensen in de suburbs, maar leven daar zelf ook, op exact dezelfde manier. Dit zijn weer twee gedachtes met elkaar in tegenspraak. April en Frank hebben een manier van leven die niet rijmt met hun eigen visie van hoe het leven zou moeten zijn, hun kijk op de werkelijkheid. Er treedt cognitieve dissonantie op. April merkt ook nog eens hoe ongelukkig Frank is en trekt alle schuld hiervan naar zichzelf. Toen zij nog niet op Revolutionary Road woonden werd April al zwanger en ze legde, zo ziet zij dat zelf, alle verantwoordelijkheid voor het houden van het kind op Franks schouders. Ze was van plan het weg te laten halen tot Frank haar van dit idee afbracht, maar dan moesten ze wel in een degelijk huis gaan wonen en Frank zou een stabiele baan moeten hebben.

“Je was te goed en te jong en te bang; je ging erin mee en zo is het allemaal begonnen. Zo gingen we leven voor dit reusachtige waanidee… want dat is het: een reusachtig, walgelijk waanidee… dat mensen die een gezin hebben zich moeten terugtrekken uit het echte leven en “tot rust” komen. Het is dé grote sentimentele leugen van de suburbs en ik heb je al die tijd gedwongen die te onderschrijven. Ik heb je gedwongen ernaar te léven!”[12]

Alleen de schuld op zich nemen is voor April als dissonantiereductie nog niet genoeg, want ook voor een vervelend schuldgevoel moet een oplossing gevonden worden. Daarom besluit ze dat ze met het hele gezin het beste naar Europa kunnen gaan, naar Parijs om precies te zijn. Dan gaat zij het geld verdienen zodat Frank alle tijd heeft om uit te zoeken waar zijn talenten liggen. Dit is voor haar dé manier om de schuld in te lossen. Ze maakt zichzelf ook wijs dat Frank dit heel graag wil en dat hij dit nodig heeft. Naar Parijs gaan lijkt een geweldige uitvlucht uit dit bedrieglijke leven, maar de oplossing van het zelfbedrog, is misschien nog wel het grootste zelfbedrog, want zelfs al besluiten ze uiteindelijk om te gaan en nemen ze weken om zich voor te bereiden en iedereen op de hoogte te stellen, ze gaan nooit.

Sympathiek falen

In Revolutionary Road wordt een vrij treurig mensbeeld gegeven. Het ene zelfbedrog leidt bijna onherroepelijk tot het andere. Toch zit er enigszins mededogen in dit verhaal, want naast dat de personages zichzelf duidelijk illusies voorspiegelen, doen ze ook op een bijna aandoenlijke manier hun best om aan de illusies te ontsnappen. April reflecteert op zichzelf en is bereid te veranderen. Als lezer kunnen we alleen maar hopen dat alles voor hen beter wordt in Europa. Daarvoor willen wij best een beetje aan zelfbedrog doen, want wat kan hier als je logisch nadenkt nou helemaal van terechtkomen? Ook Frank en April zijn niet voortdurend zeker van hun zaak. Dit blijkt uit een korte evaluatie die ze houden na de eerste kennismaking met de geestelijk zieke zoon van meneer en mevrouw Givings. Frank en April hebben deze man alles verteld over hun plan en redenen om naar Europa te gaan.

“‘We leken wel zijn goedkeuring weg te dragen, geloof je niet? (…) En weet je, Frank? Hij is de eerste die echt lijkt te weten waar we het over hebben.’
‘Dat is zo.’ Hij nam een grote slok whisky, hij stond voor de panoramaruit naar het laatste restje zonsondergang te kijken. ‘Het zal wel betekenen dat wij even gek zijn als hij.’”[13]

Verder maakt Yates het zelfbedrog heel voorstelbaar door veel tijd te besteden aan de individuele psychologische processen van de personages. Soms ligt de oorzaak van het zelfbedrog in het verleden, in hoe de relatie met hun ouders eruit zag. April werd door haar ouders al vroeg gedumpt bij tantes en kennissen. Zelf kwamen haar ouders maar heel af en toe langs. April neemt ze gek genoeg niets kwalijk en beweert dat ze van hen houdt. Alle goedkope prul cadeaus die ze ooit van hen gekregen heeft, koestert ze nog altijd als schatten. Ze heeft het verleden geromantiseerd.
Dan zijn er nog de details waar je, als je niet fanatiek op zoek zou zijn naar tekenen van zelfbedrog, bijna overheen zou lezen. Ergens is het sullig dat Frank dit doet, maar aan de andere kant is het ook weer vreselijk herkenbaar:

“Hij bekeek zichzelf in de spiegel, spande zijn kaken en draaide zijn hoofd een beetje naar één kant om het magerder en autoritair te laten lijken. Het gezicht dat hij zich al vanaf zijn jeugd in spiegels voorhield en dat op foto’s nooit precies zo lukte, tot hij met een schok ontdekte dat ze naar hem keek.”[14]

Welke visie en welk mensbeeld spreekt er nu uit dit verhaal? Revolutionary Road gaat over hoe mensen niet in staat blijken elkaar gelukkig te maken, doordat ze niet goed weten wat ze willen, wat ze voor zichzelf doen en wat voor de ander. Als ze denken te weten wat ze willen, dan blijkt dat vaak iets te zijn dat niet haalbaar is of niet bestaat. Ze komen erachter dat ze naar een illusie hebben verlangd. Cognitieve dissonantie. Dan besluiten ze dat ze het allemaal toch niet zo graag wilden als ze dachten. Cognitieve dissonantiereductie. Misschien willen ze bij nader inzien toch dat andere, datgene waar ze voor vluchtten, maar als ze dat eenmaal proberen, lukt dat ook niet, en slaan de twijfels toe of ze toch niet beter die droom, die illusie hadden kunnen najagen. Hier speelt ook een dilemma tussen wat ze willen en wat ze durven. En is wat ze willen wel echt wat ze willen? Help!
Richard Yates roept begrip en sympathie op voor zijn personages met herkenbaarheid en door uitgebreid hun achtergronden te beschrijven en hun twijfels, zelfreflectie en bereidheid tot verandering te laten zien. Hierdoor lijkt hij geen volledig negatief mensbeeld uit te willen dragen. Hier tegenover staat dat het verhaal heel slecht afloopt. De manieren die de personages zoeken om uit de zelfmisleiding te ontsnappen, leiden alleen tot nieuwe zelfmisleiding. Uiteindelijk lukt het de mens niet.

Waarheid een groot ideaal?

Het zelfbedrog dat voortkomt uit nucleaire afstomping, een blinde vlek in de aandacht en cognitieve dissonantie, slaat allemaal terug op het derde basisprincipe van de informatieverwerking, dat waarnemingen van mensen gekleurd worden door hun motieven en belangen. Er is angst of er is teleurstelling en daar zoeken we onbewust een oplossing voor. We verdraaien dingen, houden ons blind of bouwen een muur. Het onzuivere beeld dat er in al deze gevallen van de werkelijkheid ontstaat, kunnen we kort gezegd een motivationele vertekening noemen. Naast De donkere kamer van Damocles en Revolutionary Road is er nog een ander werk waarin motivationele vertekeningen een rol spelen, namelijk het toneelstuk De wilde eend van Ibsen. De wilde eend gaat over de vraag of het beter is om altijd de waarheid te onthullen, of dat het soms toch beter is om bepaalde illusies in stand te houden. Soms wordt een mens er niet gelukkiger van om de waarheid te weten. Dit stuk onderscheidt zich hiermee van eerder stukken van Ibsen, want het lijkt een minder radicaal oordeel uit te spreken over de levensleugen. Is het ideaal van de waarheid op zich misschien een waanidee?
Het belangrijkste personage in De wilde eend is Gregers Werle, die na jaren terugkeert in zijn geboortestad en daar zijn oude vriend Hjalmar Ekdal weer ziet. Gregers komt erachter dat Hjalmar met de hulp van Gregers’ vader, die ik hier nu voor het gemak steeds vader Werle zal noemen, een gezin heeft gesticht en een zaak is begonnen. De reden voor vader Werle’s vrijgevigheid is een groot geheim. Gregers komt erachter dat zijn vader een soort relatie heeft gehad met Hjalmars huidige vrouw en dat Hjalmars dochter Hedvig weleens eigenlijk de dochter van vader Werle zou kunnen zijn. Gregers is een idealist en maakt er zijn voorlopige levensdoel van om Hjalmar de waarheid te leren kennen. Ene dokter Relling vertegenwoordigt het standpunt dat levensleugens ongeschonden moeten blijven. Hij noemt Gregers’ ideaal van de waarheid een leugen op zich en beweert dat als je iemand zijn levensleugen ontneemt, je hem tegelijk zijn geluk ontneemt.
Regisseur Maaike van Langen kwam in 2008 met een vertolking van De wilde eend. Zij vond het van belang aandacht te schenken aan onbewuste motieven van de personages. Zij zei hierover: “Gregers wordt gestuurd door zijn eigen verdriet, veel meer dan hij zelf doorheeft. Ik vind het heel belangrijk om te laten zien hoe onbewuste zaken, die niet zo objectief zijn als we wel zouden willen, invloed op ons hebben. Streven naar de waarheid of streven naar de leugen wordt door veel persoonlijker dingen gevoed dan door een visie op het leven. Sterker nog, we kunnen onszelf zo goed voor de gek houden en ongemakkelijke zaken verdringen, dat waarheid en leugen nooit honderd procent gescheiden zijn. Die psychologische processen interesseren me en daarover gaat  De Wilde Eend.”[15]
Dat er bij Gregers andere motieven meespelen is heel aannemelijk. Zijn moeder is al lange tijd dood. Zij was ziek en waaraan zij precies is gestorven, wordt in het stuk verder niet duidelijk. Vader Werle gaat nu opnieuw trouwen en Gregers is hier bepaald niet blij mee. Hij meent wel door te hebben waarom zijn vader hem terug naar huis heeft laten komen. Hij zegt hierover: “het maakt een goede indruk als de mensen kunnen zeggen dat de zoon – op vleugelen der piëteit – naar huis is geijld om de bruiloft van zijn bejaarde vader bij te wonen. Daarmee zijn alle geruchten over het leed dat de gestorvene is aangedaan de kop ingedrukt.[16] De gestorvene waar Gregers op doelt, is zijn moeder. Gregers’ opmerking wekt de suggestie dat er meer is dan één geheim en dat zijn vader iets van doen heeft gehad met het leed van zijn moeder. Gregers heeft dus een belangrijk persoonlijk en emotioneel motief om zoveel waarde te hechten aan waarheid, maar of Hjalmars leven ook baat heeft bij waarheden is nog maar de vraag. Gregers’ geloof in de kracht en het belang van de waarheid is misschien wel een illusie op zich. Een waanidee waarin hij blijft geloven, zelfs tot vlak voor Hedvig door alle spanning en onzekerheid zelfmoord pleegt. Of het ideaal van de waarheid echt een waanidee is, daar neemt Ibsen met dit stuk geen eenduidig standpunt over in. Hij toont ons een situatie waarin de onthulling van een waarheid toch duidelijk de aanleiding vormt voor dood en verdriet, maar er is niemand die kan bewijzen dat Hjalmar wel gelukkig was geworden als zijn levensleugen in stand zou zijn gehouden. Daarbij had de moeder van Gregers lang geleden misschien wél baat gehad bij de waarheid, maar deze geschiedenis wordt voor de lezer en toeschouwer verder niet ingevuld. Wat je wel uit het stuk kunt opmaken is dat onbewuste drijfveren het zicht op wat juist is, op de beste manier om te handelen, sterk kunnen vertroebelen. Gregers heeft dan wel de beste bedoelingen, toch pakken zijn handelingen verkeerd uit.

Zelfbedrog als keuze

Goleman vertelt in Liegen om te leven een anekdote over iemand wiens aandacht voor pijn en angst verslapte toen hij op het punt stond te worden verscheurd door een leeuw. Zijn angst en pijn raakten als het ware verdoofd. Dankzij deze verdoving kon hij zich richten op hoe hij zich het beste uit de situatie kon bevrijden. Je zou kunnen zeggen dat er dus een soort overlevingsmechanisme in werking trad. Iets soortgelijks beschrijft Richard Yates in Revolutionary Road wanneer Shep Campbell, een goede vriend van Frank en April, te horen krijgt dat laatstgenoemden voorgoed naar Europa vertrekken. Dit komt voor hem aan als een harde klap.

“Shep deed wat hij altijd probeerde als heel veel verontrustende nieuwtjes een voor een hard bij hem aankwamen: hij ving de klappen zo goed mogelijk op. Hij incasseerde en liet elk feit pijnloos wegglijden naar zijn achterhoofd terwijl hij dacht: oké, daar denk ik later nog weleens over na; en daarover ook; en daarover ook; zodat hij het alerte voorste gedeelte van zijn hersens vrij kon houden om zijn greep op de situatie niet te verliezen. Zo kon hij voortdurend het goede gezicht zetten en de goede dingen zeggen; hij kon er zelfs plezier in hebben dat iedereen toch tenminste was opgevrolijkt, het was tenminste geen dooie boel meer.”[17]

Net zoals de man in de anekdote over de leeuw, verlegt Shep zijn aandacht zodat hij zich zo goed mogelijk door de situatie heen kan slaan. Een belangrijk verschil is wel dat Shep er duidelijk voor kiest om de pijnlijke feiten naar zijn achterhoofd te laten wegglijden. Hij weet hoe hij zichzelf moet beschermen en heeft deze strategie, zoals uit de tekst valt op te maken, ook vaker toepast. We zijn nu aangekomen bij het zelfbedrog waar bewust voor is gekozen.

Als je zo dicht mogelijk bij de oorspronkelijke betekenis van het woord zelfbedrog blijft, dan zou je kunnen stellen dat zelfbedrog altijd onbewust gebeurt. Je kunt alleen in een leugen geloven als je niet merkt dat je bedrogen wordt. Toch komt het ook voor dat mensen zichzelf leugens voorhouden terwijl ze stiekem wel beter weten. Bij cognitieve dissonantie is dat al in lichte mate het geval. Je weet toch dat wanneer je je kleding blijft kopen bij die ene winkel, je meedraait in hetzelfde cirkeltje als afgebeulde en onderbetaalde arbeiders? Toch is zelfbedrog hier geen bewuste keuze. Cognitieve dissonantiereductie gebeurt achteloos. We zoeken snel een manier om onszelf te rechtvaardigen en creëren daardoor gemakkelijk een blinde vlek. Dit patroon hebben we over het algemeen niet in de gaten.

In Who’s Afraid of Virginia Woolf gebeurt zelfbedrog bewust. Martha en George zijn een echtpaar van middelbare leeftijd en leven in de illusie dat ze een kind hebben, een inmiddels al volwassen zoon. Na het lezen of zien van dit toneelstuk valt met terugwerkende kracht uit de dialogen op te maken dat ze nooit echt in het kind hebben geloofd. Het was allemaal maar een spel. De eerste aanwijzing hiervoor zit al in de eerste keer dat het kind ter sprake komt. Kort samengevat gaat het toneelstuk over hoe Martha en George midden in de nacht stomdronken thuiskomen van een feestje. Naar bed kunnen ze niet, want om twee uur krijgen ze nog bezoek van een jonger stel, Honey en Nick. Vlak voor het bezoek er is, waarschuwt George Martha dat ze niet weer met dat ge-emmer moet beginnen over dat zoontje. Een rare manier van uitdrukken. “Ge-emmer” over “dat” zoontje. Alsof het niet om hun eigen kind gaat. Als het bezoek er eenmaal is, praat Martha na een tijdje toch haar mond voorbij. Er ontstaat al snel een venijnige keten van exponentieel stijgende beledigingen en terugpakkerij. Martha zegt dat het kind doodongelukkig is door de schuld van zijn vader en George beweert precies het tegenovergestelde, dat het juist allemaal de schuld is van zijn moeder. Aan het einde van het stuk, wanneer het venijn zijn hoogtepunt heeft bereikt en George de leugen vertelt dat hij zojuist een telegram heeft ontvangen met het bericht dat hun zoon dood is, schreeuwt Martha tegen hem dat hij dat helemaal niet mag beslissen. Dat hij hem niet dood mag maken. Dan wordt pas uitgesproken dat ze nooit een kind hebben kunnen krijgen. Er zijn regels verbonden aan het spel en Martha had helemaal nooit tegen andere mensen over hun zogenaamde kind mogen beginnen.

Laten we nog eens terugkomen op de psychologie. Waarschijnlijk heeft zelfbedrog vooral twee belangrijke functies, een interpsychische en een interpersoonlijke.[18] De interpsychische functie houdt in dat je jezelf door zelfbedrog kan beschermen tegen pijnlijke of beangstigende waarheden. De interpersoonlijke functie is dat als je je eigen verzinsels gelooft, je anderen er ook beter van kunt overtuigen. Dan dient zelfbedrog dus het doel om anderen te bedriegen. Over de eerste functie hebben we het tot nu toe al veel gehad. In Who’s afraid of Virginia Woolf komt naast deze eerste functie ook de tweede functie duidelijk naar voren. George vertelt aan Nick een anekdote over hoe een jongen die hij zogenaamd kent uit zijn schooltijd, eens zijn beide ouders om het leven bracht, per ongeluk natuurlijk. Eerst schoot hij zijn moeder neer met een jachtgeweer en later reed hij in de auto met zijn vader naast zich recht tegen een boom. De vader overleefde het niet en de zoon ging naar het gekkenhuis. Op het moment dat George vertelt dat het allemaal een tragisch ongeluk was begint hij te hakkelen en valt hij in herhaling, waardoor wij gaan denken: was het wel echt een ongeluk? Later blijkt dit niet het enige twijfelachtige aan zijn verhaal. George was de jongen namelijk zelf. Hij heeft tegen Nick over zichzelf gesproken in de derde persoon. Hij heeft over het hele verhaal zelfs een roman geschreven. Martha vindt dit om te gillen. Volgens haar probeert George het in zijn boek op een ongeluk te laten lijken, terwijl het dat helemaal niet was. Of hier aan zelfbedrog wordt gedaan, hangt af van of Martha de waarheid spreekt. Laten we ervan uitgaan dat ze dat doet. George wil de gebeurtenissen aan de buitenwereld duidelijk als ongeluk verkopen. Het is nodig dat hij dan zelf ook gelooft dat het een ongeluk was en daar doet hij dan ook zijn best voor. Je zou ook kunnen zeggen dat de tweede functie van zelfbedrog hier in tegenovergestelde vorm wordt toegepast. George liegt tegen de buitenwereld om juist zichzelf er beter van te kunnen overtuigen dat het een ongeluk was.
Bij de illusie van hun zoon is er geen sprake van dat ze zo hard in het kind geloven zodat ze anderen goed wijs kunnen maken dat ze er eentje hebben. Niemand mag namelijk van het kind weten. Wel vormt de verzonnen zoon misschien wel echt het enige lichtpuntje in hun huwelijk en stelt hij hen in staat om zich aan de buitenwereld te kunnen vertonen als een enigszins gelukkig getrouwd stel. Ook hier kun je de tweede functie van zelfbedrog omdraaien. Misschien dat Martha haar mond wel voorbij heeft gepraat omdat wanneer ze aan vreemden over hun zoon vertelt, hij nog echter wordt. Als Nick en Honey eenmaal doorhebben dat hij niet bestaat, maakt dat hem ook extra dood. Er is geen weg meer terug.

Een huismiddeltje waar niemand last van heeft

In Who’s afraid of Virginia Woolf wordt een behoorlijk grimmige weergave gegeven van hoe mensen kunnen zijn. Dit stuk past dan ook in de hypothese dat verhalen over bewust zelfbedrog een negatiever mensbeeld uitdragen dan verhalen over onbewust zelfbedrog. In De wilde eend komt een personage voor dat deze hypothese juist tegenspreekt. Gregers is namelijk niet de enige die zich vasthoudt aan een illusie. De vader van Hjalmar, de oude Ekdal, doet aan zelfbedrog met zijn volle bewustzijn. Desondanks is hij geen slecht mens. Ooit was de oude Ekdal een militair geweest, iemand die negen beren geschoten had en die van twee luitenant-kolonels afstamde. Na een incident in het bedrijf van vader Werle, is de eer van de naam Ekdal geschonden en moest hij de gevangenis in. Nu de oude Ekdal niet meer in de gevangenis zit, woont hij in bij zijn zoon en schoondochter. In zijn zelfbedrog speelt de zolder een belangrijke rol. Op deze zolder houdt het gezin wat konijnen en kippen en er ligt ook een wilde eend met lamme vleugel. De oude Ekdal gebruikt de zolder als plek om te “jagen”. Hjalmar en zijn vrouw gedogen dit maar een beetje, omdat de oude man nou eenmaal alles verloren heeft. Er is altijd wel iemand om voor hem de zolderdeur open te maken als hij weer wil jagen of als hij vroeg in de ochtend, zoals hij dat zelf zegt: “een eindje om” gaat, of wil “wandelen”. Relling voert de oude Ekdal aan als argument voor waarom het juist goed kan zijn een levensleugen te hebben. Hij zegt:

“RELLING Denk toch ’s na. De grote berenjager die op die donkere zolder op de konijnenjacht gaat. Er is geen gelukkiger mens op de hele wereld dan die oude man, als hij daar temidden van al die rotzooi mag rondstoetelen. Voor hem betekenen die vier of vijf verpieterde kerstbomen hetzelfde als de uitgestrekte bossen rond Høydal. De kippen en hanen zijn grote vogels in de toppen van de dennebomen en de konijnen die over de grond huppelen zijn de beren met wie hij, de grote jager, de strijd aanbindt.”[19]

Waarom is het zelfbedrog van de oude Ekdal onschuldig, en dat van Martha en George niet? Een belangrijk verschil tussen het zelfbedrog van de oude Ekdal en Martha en George, is dat de oude Ekdal er niemand mee lastigvalt. Martha en George trekken Nick en Honey mee in hun armzalige leventje vol geruzie en illusies. Er worden spelletjes gespeeld als Gastheertje Vernederen en Gastvrouwtje Dekken, maar ook Gastje Grijpen. Nick heeft George in vertrouwen verteld over de schijnzwangerschap van Honey voor zij gingen trouwen en George gooit dit feit later zonder enige schaamte in de groep. Zo neemt George via het kwetsen van zijn gasten, indirect wraak op Martha, die de waarheid heeft verteld over zijn boek en is begonnen over hun zogenaamde zoon. Later verzint George het bericht dat de zogenaamde zoon is overleden, ook weer om haar terug te pakken. Honey krijgt hierdoor zowat een zenuwinzinking, zo erg vindt ze het. Zij en Nick weten nog niet dat de zoon eigenlijk nooit heeft bestaan. George en Martha betrekken hen steeds weer bij hun listige spelletjes. Het moet voor Nick en Honey wel een vreselijke avond zijn.

De psychologie op een rijtje

Uit de psychologie hebben we kunnen leren dat zelfbedrog al begint bij waarneming. Als je denkt dat jouw werkelijkheid de enige ware is, dan houd je jezelf voor de gek. Waarneming geeft immers altijd een interpretatie van de werkelijkheid. Als je een situatie extreem verkeerd interpreteert, dan kan dat voor problemen zorgen. Dat is wat Osewoudt overkomt in De donkere kamer van Damocles. Aan de andere kant is het helemaal niet zo verkeerd dat we niet alles in zijn volledigheid zien. Onze manier van waarnemen helpt ons juist te focussen op dat wat voor ons in een situatie belangrijk en relevant is. Daarnaast zijn we juist doordat we betekenis zoeken en de dingen zien in relatie tot elkaar, in staat om verbanden te leggen en naar mijn idee ook om tot inzichten te komen. Er zitten aan dit “gezichtsbedrog”, dit spelletje dat de waarneming met ons speelt, dus zowel positieve als negatieve kanten.
Zo gebeurt niets in onze hersenen zonder reden en hebben ook de meer actieve vormen van zelfbedrog twee belangrijke functies. Zelfbedrog dient namelijk als:

  1. bescherming tegen pijnlijke of beangstigende waarheden. Hier vallen de volgende begrippen/beweringen onder:
  • Nucleaire afstomping
    De mens is slecht in staat om vrees, woede of opstandigheid te voelen jegens de gevaren die de aarde bedreigen en stoot informatie af waaruit blijkt dat de we iets aan die gevaren moeten doen.
  • Schema’s gestuurd door angst kunnen een blinde vlek in de aandacht creëren
    Onze kennis ligt opgeslagen in cognitieve schema’s. Bij het waarnemen roepen we de schema’s in ons op die op dat moment relevant zijn. De schema’s sturen onze aandacht, helpen ons focussen. Zo kunnen schema’s onze aandacht ook afleiden van angstwekkende informatie.
  • Cognitieve dissonantiereductie
    Je doet aan zelfbedrog/rechtvaardiging om de elkaar tegensprekende gedachtes in je hoofd weer te kunnen laten rijmen.
  1. middel om anderen beter te kunnen bedriegen. (Wellicht ook andersom: het bedriegen van anderen dient om jezelf beter te kunnen bedriegen.)

Vergeving of veroordeling

In onze zoektocht door de literatuur hebben we van onbewust zelfbedrog toegewerkt naar bewust zelfbedrog. Uit de behandelde werken kunnen we opmaken dat het mensbeeld en het effect op onze sympathie voor en ons medeleven met de personages, samenhangt met veel meer factoren dan alleen met of het bedrog bewust of onbewust gebeurt. Uit de analyse van de besproken titels zijn de volgende factoren te destilleren:

  • Zelfreflectie en de bereidheid te veranderen

Dit zien we vooral terug in Revolutionary Road. April en Frank keuren de manier van leven in de suburbs af. Toch wonen ze er zelf ook. Hoe meer ze zich van deze dissonantie bewust raken, hoe meer ze de drang voelen er iets aan te doen. Ze denken veel na over hoe keuzes uit het verleden nog altijd invloed hebben op het leven nu, en op hoe ze dit leven kunnen veranderen. Hun poging tot zelfreflectie leidt helaas tot de verkeerde conclusies en hun bereidheid tot veranderen leidt daardoor niet tot veranderingen waar ze ook echt gelukkig van worden. Dat neemt niet weg dat ze hun best doen en het is die bereidheid die dan toch weer in hun voordeel pleit.

  • Herkenbaarheid

Frank houdt zich in de spiegel een beeld voor van zichzelf dat op foto’s nooit zo goed lukt. Hoe herkenbaar! Proberen we voor de spiegel niet allemaal om die specifieke houding aan te nemen en die manier van kijken toe te passen die ons er op ons best doet uitzien? Zijn de meeste mensen niet ontevreden over de foto’s van zichzelf, omdat ze zich door de spiegel een heel ander beeld hadden voorgesteld, niet in de laatste plaats omdat dat beeld in spiegelbeeld is? Ook de manier waarop Shep verontrustende nieuwtjes naar zijn achterhoofd laat glijden om in een situatie goed te kunnen blijven reageren, kan voor mensen heel herkenbaar zijn.

  • Een legitieme reden

April heeft de herinnering aan haar ouders geromantiseerd. Dat is zelfbedrog dat we gemakkelijk vergeven. Ieder mens heeft recht op gelukkige herinneringen aan zijn kindertijd. Dit geldt ook voor het zelfbedrog van de oude Ekdal. Het eervolle leven dat hij ooit had opgebouwd, is nu volledig in elkaar gestort. Mag hij dan niet een beetje doen alsof het nog overeind staat? Osewoudt heeft dan weer niet echt legitieme redenen om aan zelfbedrog te doen en een moordenaar te zijn, maar omdat hij zo hulpeloos is en niets erop wijst dat hij expres een eigen werkelijkheid heeft geschapen, veroordeel je hem niet zo heel erg. Ik zou wel zeggen dat Who’s Afraid of Virginia Woolf van de besproken titels het meest negatieve mensbeeld uitdraagt en het is de enige tekst waarin zelfbedrog een volop bewuste keuze is. De vraag die dan rijst is: konden ze iets anders kiezen, of was dit de enige uitweg, de enige manier om boven water te blijven in een huwelijk dat hen naar de bodem wil doen zakken? Zo ja, dan zou dat de veroordeling van Martha en George weer verzachten.

  • De mate van schadelijkheid van het zelfbedrog voor het hoofdpersonage en/of andere personages
    De oude Ekdal uit De wilde eend is met het jagen op zolder niemand echt tot last. Hjalmar leeft ook in een leugen – al heeft hij die niet zelf gecreëerd en is dit dus eigenlijk geen zelfbedrog – maar die leugen houdt wel zijn leven op de rails en de levens van de rest van zijn gezin. Dit toneelstuk roept dan ook vragen op over of waarheid wel echt het hoogste goed is. Als je niemand met je levensleugen tot last bent, dan is het toch niet zo erg? Martha en George daarentegen trekken Nick en Honey mee in hun armzalige leventje vol geruzie en illusies. Dankzij hen ontstaat tussen Nick en Honey ook een conflict over het onder de aandacht brengen van Honeys schijnzwangerschap. Martha en George zijn anderen dus wel tot last. Osewoudt vermoord mensen en laat verzetsstrijders in de val lopen. Dat heeft hij alleen niet door, wat van hem toch ook wel een beetje een sukkel maakt. Het zelfbedrog wordt uiteindelijk zijn dood.

De factoren kunnen niet los van elkaar worden gezien. De één zwakt de ander af, of versterkt die juist. Alle factoren beïnvloeden de mate waarin een personage sympathie opwekt en of we zijn daad van zelfbedrog zouden veroordelen of juist zouden vergeven. Ze beïnvloeden dus het effect dat het doen en laten van de personages op ons heeft. In het geval van deze vier titels hangt dit vooral samen met wat voor soort medelijden er wordt opgeroepen, positief dan wel negatief. Het positieve soort medelijden kunnen we misschien beter omschrijven als mededogen. Zowel bij medelijden als mededogen leven we mee met het personage. We voelen een beetje van zijn pijn. Daarvoor moeten we ons in het personage kunnen herkennen. Als we ervan uit gaan dat we bij het voelen van medelijden onze eigen zwakte in een personage herkennen, en bij mededogen onze eigen kracht, dan betekent dit dat het effect medelijden een mensbeeld naar de negatieve kant doet uitslaan terwijl mededogen het mensbeeld juist naar de positieve kant doet uitslaan.[20] Vooralsnog zijn dit maar gissingen. Osewoudt roept een welwillend soort medelijden op, misschien wel mededogen. Toch geeft De donkere kamer van Damocles ons een vrij treurig beeld van de over het algemeen “blinde” mens en van hoe de ene mislukking op de andere volgt. Martha en George zijn al helemaal een triest stel. Hun handelen zal naar alle waarschijnlijkheid maar weinig welwillendheid oproepen bij de lezer. In Revolutionary Road maakt herkenbaarheid begrip, sympathie en identificatie mogelijk, allemaal positief. Al houdt Revolutionary Road ons juist door de herkenbaarheid een confronterende spiegel voor. Frank en April zijn slachtoffer van de wereld om hen heen, maar ook van zichzelf. Toch weer een negatief mensbeeld, maar ook sympathie, ook kracht, ook mededogen. Ook hoop?
Uit alles wat we hebben kunnen leren over waarneming en interpretatie, kunnen we ook nog eens opmaken dat wat jij als mensbeeld of visie uit een literair werk haalt, afhangt van jouw interpretatie. Ik kan mij herkennen in hoe Frank zich er voor de spiegel beter uit probeert te laten zien dan hij is, jij vindt dat misschien wel heel dom en doet zoiets nooit (of wilt het niet toegeven). Willen we in dit essay over zelfbedrog echt zuiver zijn, dan zouden we nog een vijfde factor moeten toevoegen: alle kennis, verwachtingen en doelstellingen die de waarneming van de lezer kleuren. Wel is het eind dan volledig zoek. Als schrijver kun je deze factor niet beïnvloeden. Op de beweegredenen van de personages, hun herkenbaarheid, hun vermogen tot zelfreflectie en alle gevolgen hiervan, heeft een schrijver wel invloed. Daarmee kan hij de touwtjes in handen houden, toespelen op een effect bij de lezer en zo goed mogelijk zijn eigen visie over het voetlicht tillen.

Schermafbeelding 2014-01-14 om 17.07.51

Literatuur

Boeken

–        Albee, Edward. Wie is er bang voor Virginia Woolf? 1962. Vert. Gerard K. van het Reve. Amsterdam: Van Ditmar, 1964.

–        Goleman, Daniel. Liegen om te leven. De strategie van zelfbedrog. 1885. Vert. Mirjam Westbroek. Amsterdam: Uitgeverij Contact, 1988.

–        Hermans, Willem Frederik. De donkere kamer van Damocles. 9e dr. Amsterdam: G.A. van Oorschot, 1970.

–        Ibsen, Henrik. De wilde eend. Vert. Cora & Sybren Polet. Amsterdam: De Bezige Bij, 1977.

–        Vonk, Roos. Red. Cognitieve Sociale Psychologie. Psychologie van het dagelijkse denken en doen. Utrecht: Uitgeverij LEMMA BV, 1999.

–        Vonk, Roos. Red. Sociale psychologie. 2e dr. Groningen: Noordhoff Uitgevers, 2009.

–        Yates, Richard. Revolutionary Road. 1961. Vert. Marijke Emeis. 5e dr. Amsterdam: Arbeiderspers, 2009.

 

Internetbronnen

–        Alkema, Hanny. “Mooie abstracte aanpak van Ibsens ‘De Wilde Eend’.” [2008] De Verdieping Trouw – 11-09-2013 http://www.trouw.nl/tr/nl/4324/Nieuws/article/detail/1296720/2008/01/25/Mooie-abstracte-aanpak-van-Ibsens-rsquo-De-Wilde-Eend-rsquo.dhtml

–        Geuzebroek, Els. “Carol Tavris over cognitieve dissonantie en zelfbedrog.” [2007] Atheisme – 17-09-2013 http://www.atheisme.eu/nl/entry/51/carol_tavris_over_cognitieve_dissonantie_en_zelfbedrog

–        Kivits, Tonja. “Om goed te liegen moet je eerst je eigen leugens geloven.” [1998] De Verdieping Trouw – 22-09-2013 http://www.trouw.nl/tr/nl/4512/Cultuur/archief/article/detail/2662016/1998/03/20/Om-goed-te-liegen-moet-je-eerst-je-eigen-leugens-geloven.dhtml

–        Rijn, Remco van. “Waarheid en leugen zijn nooit honderd procent gescheiden. Regisseur Maaike van Langen over Ibsens De wilde eend.” [2007] De brigade – 20-09-2013 http://www.debrigade.nl/tekst/tekst_maaikevanlangen.html

–        Twijnstra, Theije. “Hoe herken ik het verschil tussen medelijden en mededogen?” [2011] Voltare – 12-10-2013 http://voltare.nl/?p=6734

Z.n. “Cognitieve dissonantie.” [z.d.] Wikipedia – 07-09-2013 http://nl.wikipedia.org/wiki/Cognitieve_dissonantie


[1] Roos Vonk, Cognitieve sociale psychologie, (1999), p. 13.

[2] Roos Vonk, Sociale psychologie, (2009), p. 40-42.

[3] Ibidem, p. 41-42.

[4] De psycholoog Daniel Goleman geeft in zijn boek Liegen om te leven een toelichting op aandacht waarbij hij de vergelijking trekt met een subtiele lijst rond een schilderij. De lijst bepaalt waar de aandacht naartoe gaat, wat nog bij het schilderij hoort en wat niet. Een volgens Goleman goede lijst valt daarbij zo min mogelijk op. Zoals er om een schilderij een lijst zit, zit er volgens de psychologie rond onze ervaringen een ‘frame’ dat bepaalt wát we opmerken, waarbij we bijna niet merken hóe we opmerken.
p. 23.

[5] Willem Frederik Hermans, De donkere kamer van Damocles, (1970), p. 23.

[6] Ibidem, p. 100.

[7] Daniel Goleman, Liegen om te leven, (1998), p. 22.

[8] Ibidem.

[9] Daniel Goleman, Liegen om te leven, (1998), p. 127.

[10] Richard Yates, Revolutionary Road, (2003), p. 72-72.

[11] http://www.atheisme.eu/nl/entry/51/carol_tavris_over_cognitieve_dissonantie_en_zelfbedrog

[12] Richard Yates, Revolutionary Road, (2003), p. 115.

[13] Richard Yates, Revolutionary Road, (2003), p. 190.

[14] Ibidem, p. 26.

[15] http://www.debrigade.nl/tekst/tekst_maaikevanlangen.html

[16] Henrik Ibsen, De wilde eend, (1977), p. 26.

[17] Richard Yates, Revolutionary Road, (2003), p. 151.

[18] Roos Vonk, Sociale Psychologie, (2009), p. 139.

[19] Henrik Ibsen, De wilde eend, (1977), p. 99.

[20] Aan het verschil tussen medelijden en mededogen valt een studie op zich te wijden. Dat we bij medelijden onze zwakte herkennen en bij mededogen onze kracht, is de visie van ene Theije Twijnstra, een denker en theatermaker, en leek mij voor nu het meest aannemelijk en ook het meest passend bij de duiding van een mensbeeld. http://voltare.nl/?p=6734

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *