Zwarte Vrijdag

In het park bij mij achter lopen vaak vrouwtjes met van die hondjes.
Geen honden.
Hondjes zijn het.
Met tuigjes.
Die beesten hebben tuigjes om.
Geen halsbanden.
Die vrouwtjes met die veel te kleine fluwelen jasjes doen zo’n hondje dan zo’n tuigje om dat helemaal om het rompje van dat hondje heengaat.
Die hondjes vinden dat niet eens fijn.
Dat is een heel hyperactief soort hondje, dat die vrouwtjes hebben.
Die hijgen en springen en rukken alsof hun leven ervan afhangt, en de geluiden die ze maken.
Alsof ze stikken.
Alsof ze hun eigen hondenlichaampje aan flarden trekken met dat tuigje van ze.
Alsof je een stuk vers fruit door een vergiet drukt.
En dan moet zo’n hondje natuurlijk los.
Je bent immers in het park.


Dus zo’n vrouwtje maakt dan dat lijntje los, en dat hondje vliegt als een gek over dat veld, tong uit de bek.
En laat die vrouwtjes nou allemaal hetzelfde tijdstip uitkiezen om hun hondjes uit te laten.
Stuk voor stuk.
Iedere dag.
En die hondjes zijn niet gek, hoor.
Die hebben elkaar al geroken op het moment dat ze de deur uitliepen.
Die hondjes rennen, alle twaalf, naar het midden van dat veld op elkaar af om lekker te ravotten.
Vechten, eigenlijk.
Die beesten vliegen elkaar naar de strot.
Ze duwen elkaar door de modder en happen op elkaar in.
Tot bloedens aan toe.
Ze zijn nog niet hersteld van de bijtwonden van gisteren, of ze gaan elkaar weer te lijf.
Je moet je dus voorstellen dat er een bloedende, kermende, vervormende bal van hondjes middenin dat veld ligt.
Die hondjes: vechten.
Die vrouwtjes: krijsen.
Als bezetenen.
Die staan dan om dat modderige veld te gillen dat die hondjes op moeten houden elkaar de hersens uit te bijten, maar die hondjes hebben daar geen boodschap aan.
Het zijn beesten.


Dus die vrouwtjes blijven gillen, en dat kan lang duren.
Ze grijpen nooit in.
Ik heb er nog nooit eentje dat veld op zien gaan.
Ik denk dat dat is omdat ze van die dure laarzen aan hebben.
Ze hebben allemaal van die peperdure paardrijlaarzen aan, en godverhoede dat die onder de modder komen te zitten.


Ze willen te veel.
Dat is het hele probleem van die vrouwtjes.
Maar dat snappen ze niet.
Je agressieve hondje uitlaten op een modderig veld én je dure paardrijlaarzen aantrekken om indruk op de buren te maken, dat zijn dingen die niet samen gaan.
Dat is vragen om moeilijkheden, maar dat is die vrouwtjes met geen godsvermogen bij te brengen.
En zo gaat dat dus door.
Tot die vrouwtjes met de paardrijlaarzen en de hondjes stoppen zich voort te planten.
Maar dat kan nog wel even duren.
Kan ik duizelig van worden weet je dat.
Als ik eraan denk hoe lang dat wel niet zou kunnen duren.
En reken maar dat ik daar lang over na kan blijven denken.
Fantaseren.
Doe ik ook veel.
Ik zit barstensvol fantasie.
Dat zei een meisje ooit tegen me op een afspraakje.
“Jij hebt zoveel fantasie…”


Is nooit iets geworden.


Soms rijdt er zo’n grasmaaiwagentje over dat veld.
Met zo’n mannetje met zo’n oranje hesje erin.
Die zie ik wel eens kijken.
Je kan zo met ze meedenken.
Je ziet ze eens wegkijken, maar ze krijgen die hondjes niet uit hun hoofd.
Zij hebben, op dat moment, als enige de middelen in handen om dat hele proces een halt toe te roepen.
Dan begint het geweten natuurlijk te knagen.
Ik vraag me af hoe dat voelt.
Die macht.


De hondjes vallen stil.
Het geknor van het grasmaaiwagentje komt dichterbij.
Ze kijken op, en die beesten, die zien zo’n ding niet als gevaar.
Ze kennen dat helemaal niet.
Dus ze zitten, staarten en oren nog in elkaars kwijlende bekken, als een stelletje idioten naar dat naderende wagentje te kijken.
Want die komt maar dichterbij.
En dichterbij.
En die hondjes kijken.
Dat mannetje in dat karretje zet zijn tanden op elkaar.
Die hondjes blijven kijken, en dat snap ik wel.
Zo’n ding heeft van die koplampen.
Of van die zwaailichten.
Oranje zwaailichten.
Iets met lichten.
Dat heeft zo’n ding toch?
Help me effe.
Afijn.
Dat moet toch bijzonder zijn.
Als zo’n ding op je afkomt.
Een soort licht aan het einde van de tunnel.
Zo’n ding met zo’n mannetje dat zich normaal alleen met zijn eigen zaken bemoeit en je negeert moet ineens jou hebben.
Dat ding kruipt op je af alsof het iets in je oor gaat fluisteren.
Hij komt dichterbij.
En dichterbij.
En voordat die hondjes begrijpen wat er staat te gebeuren is het te laat.
Het karretje rijdt over ze heen.
Die hondjes spatten stuk voor stuk als vers fruit uit elkaar.
Hondenogen.
Oren.
Tanden.
Stukken romp.
Stukjes tuigje.
En ja, die vrouwtjes.
Krijsen.


Maar dat doen die mannetjes niet.
Dat snap ik ook wel.
Dat soort dingen hebben consequenties.
Maar als ik achter dat stuurtje van zo’n karretje zou zitten…
Dan weet ik niet of ik voor mezelf in zou staan.


Ik heb heel lang elke dag langs zo’n klein tweedehands winkeltje gelopen.
Met van die prulletjes.
Elektronica.
Allemaal van die elektronische dingetjes hebben ze daar.
En er heeft heel lang zo’n opneemdingetje gelegen.
Zo’n spraak-opneem-recorder-dingetje.
Leek me leuk om te hebben.
Dan kwam ik thuis en dan at ik wat en dan las ik de krant.
Daar kon ik dus geen seconde van genieten omdat ik zat te balen dat ik dat dingetje niet gewoon had gekocht.
En dan dacht ik, morgen.
Morgen loop ik daar gewoon naar binnen en dan koop ik dat dingetje.
En dan stond ik daar de volgende dag weer door dat raampje naar dat dingetje te koekeloeren.
En weet je wat ik dan dacht?
Ik wacht nog even.
Straks haal ik in een bevlieging zo’n dingetje in huis, je weet ook niet wat dat kost, en dan zit je ermee en dan gebruik je het niet.
Dat is zonde.
Dus ik weer naar huis.
Ik eet wat.
Ik hang wat rond.
Je weet hoe dat gaat.
En dan komt het.
De gedachten.
Allemaal razend interessante gedachten die allemaal stuk voor stuk door mijn vingers glippen omdat ik niet zo’n spraak-opneem-recorder-apparaatje in huis heb.
Als ik dat dingetje gewoon had gekocht, dan had ik zo een avondvullend programma bij elkaar kunnen lullen, maar dan verdom ik het om dat dingetje gewoon te kopen.


Ik ben er soms van overtuigd dat ik een groot genie ben.
Dan komen ineens de meest briljante dingen in mijn hoofd op.
Hoe dingen makkelijker kunnen.
Want de dingen, die kunnen makkelijker.
Dat kan je van me aannemen.
Daar heb ik over nagedacht.


Ik ben een keer van mijn sokken gereden door iemand in een rolstoel.
Ik sta in het zonnetje aan een ijsje te likken.
Naast me komt een man in een rolstoel de tabakszaak uitgereden.
Hij heeft een rood windjack aan en zo’n bril aan een touwtje om zijn nek.
Ik heb rolstoelen altijd al fascinerende dingen gevonden, dus ik ga recht voor hem staan om dat ding van hem beter te kunnen bekijken.
Die man die mompelt iets.
Die mensen zijn vaak een beetje moeilijk te verstaan, dus ik vraag, wat zeg je.
Hij zegt niks terug.
Hij draait naar rechts en rijdt met zijn wiel zo recht over mijn tenen heen.
Ik schrik zo dat mijn ijsje zo op de grond dondert.
Ik kijk die man na.
Hij zag er niet gelukkig uit, dat weet ik nog.
Hij zal het wel veel te warm hebben met dat windjack, dacht ik.
Ik kijk weer naar beneden.
Mijn smeltende ijsje loopt tussen de voegen van de tegels door en ik begin te denken.
Want een denkertje, dat ben ik altijd geweest.
Ik dacht, als die man dat warme windjack niet had aangetrokken, dan was hij niet chagrijnig geweest en dan was mijn ijsje niet op de grond gevallen.


Ik was een kritisch kind vroeger.
Dat is lang niet altijd makkelijk.
Dat is zwaar, om op die leeftijd al zo kritisch te zijn.
Maar dat moet je voor lief nemen.
Ik doe daar zo mijn voordeel mee.


Waarom hebben gehandicapte mensen niet gewoon hun eigen gebied?
Ze zijn samen veel gelukkiger, dat zie je meteen.
Als ze met z’n allen in de stad zijn op zo’n uitstapje.
Dan zijn ze ineens wel allemaal vrolijk.
Maarja, dan moeten ze natuurlijk weer allemaal die bus in met zo’n lift.
En die bus die staat half op de stoep.
En daar willen kinderen langs.
Daar willen oude mensen langs.
Mensen met huisdieren.
Wat moeten die?
Dan sta ik daar te wachten.
En een moeder.
Met kinderen.
Die staan ook te wachten, en een van die kindertjes vraagt aan die moeder waarom het zo lang duurt.
Ze geeft geen antwoord.
Als je eerlijk bent op zo’n moment, dan gaan mensen moeilijk doen.
Dus ze zwijgt.
Dat voelt zo machteloos.


Als gehandicapten een eigen gebied zouden hebben, dan zou je een hoop besparen.
Deuren bijvoorbeeld.
Iemand in een rolstoel heeft de helft van zo’n deur niet eens nodig.
Deuren zijn ontworpen voor mensen die lopen.
En als je zit, waar dient al dat extra deurgat dan voor?
Een apart gebied voor gehandicapten met speciale kleine deuren.
Een soort kattenluikjes.
Zoveel minder deur.
Moet je je voorstellen hoeveel grondstoffen je daarmee zou besparen.
Hoeveel staal en hout je dan overhoudt.
Hoeveel tuinmeubilair en hijskranen je daarvan zou kunnen bouwen.
Maar dan zouden ze ook breder moeten.
Zo’n deur is net breed genoeg voor zo’n rolstoel.
Nog maar net hè.
Je zal die wielen toch moeten duwen met je handen als je in zo’n ding zit.
Je zal die deuren dus een stukkie breder moeten maken wil je dit van de grond krijgen.
Anders zouden er een hoop gekneusde knokkels van komen.
Wat nou als ze haast hebben?
Ze moeten net ietsje breder.
Die deuren dan he.
Hoeveel spullen gaat dat kosten?
Hoeveel betaalde uren van degene die uit moet gaan zitten rekenen hoeveel breder die deuren precies moeten?
Voordat je aan zo’n project zou beginnen zou je eerst dát allemaal moeten laten uitrekenen, maar dat kost ook weer geld.
Mensen moeten dat dubbelchecken.
Door commissies heen duwen.
Dat kost tijd.
Dat kost centen.
Dan begin je dus al op verlies.


Dit is maar het topje van de ijsberg hoor.
De rest ben ik weer vergeten.
En ik wist toen ter plekke dat ik het weer zou vergeten op het moment dat het in me opkwam.
Dat soort dingen kunnen mijn avond flink verpesten.


Ik zou eigenlijk alles op willen nemen wat er in mijn hoofd gebeurt.
Als ik dan de fout inga, als ik ooit iets doe waar ik spijt van krijg, dan heb ik altijd wat voorhanden.
Dan laat ik gewoon alles van die dag horen, en dan weten de mensen dat het niet aan mij gelegen heeft.
Een mens heeft zo zijn grenzen.

Reacties (0)

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *